Hoe leuk is leuk?
Soms blijven bepaalde woorden in je geheugen hangen. Je komt ze min of meer toevallig een aantal keren tegen. Leuker kunnen we het niet maken, lees je dan terwijl je met je belastingaangifte bezig bent. Ik herinner me dan ieder jaar maar weer wat ik in mijn studententijd professor Van Ruler eens hoorde zeggen: 'Een christen vindt het een eer om belasting te betalen. Hij bouwt daardoor mee aan een betere samenleving.' Zoiets bedoelde hij, als ik hem goed begrepen heb.
Leuke bezigheid dus. Het is maar dat u het weet.
Opleuken, is ook zo'n woord dat je regelmatig hoort of leest. In het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal staat het vermeld als 'opleukeren' of ook wel 'opleuken' . Koffie opleukeren is bijvoorbeeld koffie opwarmen. In de negentiende eeuw werd opleukeren gebruikt in de betekenis van iemand opvrolijken. 'Opleuken' kan ook betekenen dat je een vuur wat heftiger laat branden. Als mensen vandaag het woord 'opleuken' gebruiken, heb ik altijd. het idee dat ze iets wat allang bestaat een beetje leuker of aantrekkelijker willen maken. Zoiets als 'updaten'. Iets dreigt te verouderen of achter te blijven bij recente ontwikkelingen. Je maakt je programma weer helemaal up-to-date, helemaal bij de tijd.
Hoe kom ik tot deze taalkundige bespiegelingen? Al weer even geleden kwam ik in De Reformatie, weekblad dat verschijnt in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt, een artikel van ds. J.T. Oldenhuis, emerituspredikant te Groningen-Helpman, tegen. Hij schreef erboven: En nou willen we naar een leuke kerk. Hij vertelt over een jong stel dat het helemaal gemaakt heeft: een aantal jaren getrouwd, kind gekregen, nog een kind gekregen. Het flatje is te klein geworden. 'De baan laat het toe, beide driekwart aan het werk, huis gekocht met een tuin, alles mooi geregeld, verhuizing voorbij.' Ze hebben zich aangemeld bij de kerk in de nieuwe woonplaats. De ouderling komt, zoals het hoort, in actie en staat na een afspraak bij het jonge gezin op de stoep.
En daar zit hij nu, de brave ouderling. In het mooie nieuwe huis, de pas geverfde kamer. Leuk gesprek. Kinderen? Ja, twee. Banen? Ja, allebei driekwart. Interesses? Ja, van alles en nog wat. Het wordt een leuk gesprek Hij zegt, dat ze in de gemeente ook zoiets hebben als mini-wijken. 'Daar zullen jullie binnenkort wel meer van horen. Ze komen jullie wel uitnodigen. Jullie hebben natuurlijk nog niemand op bezoek gehad, want het adres stond nog niet in het kerkblaadje. Dat gebeurt uiteraard pas als je je attestatie bij het kerkelijk bureau inlevert. Zijn jullie er al geweest? 'Nee,' zegt hij. En zij zegt: 'ja, eh, kijk, we weten het eigenlijk nog niet precies, we willen eerst nog even wat rondkijken, want nou willen we ook wel eens naar een leuke kerk.' Het wordt helemaal niet onaardig gezegd, integendeel zijn stem klinkt best leuk. En zij lacht er een beetje bij. En de ouderling weet niet direct wat hij zeggen moet. Want ja, wat is nou een leuke kerk?
Ik vermoed dat er ook ambtsdragers in hervormd-gereformeerde gemeenten zijn die dit gesprek in grote lijnen direct zullen herkennen. Of zoals ds. Oldenhuis het vertelt: 'Leuke lui, hartelijk, gezellig, open en meelevend. Piet en Marie met twee kleine kinderen. Altijd lekker meegedaan: jeugdkampen, sing-ins, normaal kerkbezoek, bijbelkringen, studentenleven.' Je hebt een leuk kennismakingsbezoek bij ze gebracht. Maar, je gaat wel naar huis met het gesprek in je hoofd en met inderdaad de vraag: Wat is nou een leuke kerk en zijn wij dat dan niet? Ds. Oldenhuis gaat als volgt op deze vraag in:
Wanneer is een kerk leuk? Waaraan moet ze dan voldoen? Wat zijn eigenlijk de kenmerken van de ware leuke kerk. Dat is nog niet zo eenvoudig hoor, want die kun je niet eventjes oplepelen uit een belijdenisgeschrlft. Daar moet je best heel behoorlijk over nadenken. En dan moet je de verschillende kerken nog met elkaar vergelijken. Daar zit een aardig onderzoekje aan vast. Het duurt op zijn minst een paar weken.
Je gaat eens hier en daar naar toe. Je luistert en je kijkt en je praat eens wat met deze en gene. Het gaat uiteraard vooral om de manier van preken. Die preken moeten je wat doen, dat moet je ook direct voelen. Een afstandelijk verhaal over abstracte waarheden, nee, dat is het niet. Een voorbeeld, uit het leven gegrepen, iets wat je pakt. En vooral geen geredeneer, niet van die lange verhalen in verheven kerktaal.
Er moet ook speciaal aandacht zijn voor de kinderen. Voor die is het immers allemaal Chinees. Op zijn minst een crèche, en ook nog een crèche-plus en een beamer en een speciaal kindermoment. Waarom mogen kinderen niet helpen bij de collecte? Geef ze toch wat te doen! Er moet een sfeer zijn waarin ieder zich thuis voelt; warmte, aandacht. Dat moet je al merken bij de kerkdeur als het ware. En graag ook zoiets als een piano en inschakeling van de muzikale gaven en niet altijd de psalmen op de wijzen van driehonderd jaar geleden . Er is toch echt in de loop der eeuwen ook wel méér gemaakt; en miniwijken en een diaconaal project en een missionaire gemeente en onderling pastoraat. Er wordt over al die dingen bij ons altijd zo lang gepraat, zeggen ze en er komt zo weinig van terecht.
Oude mensen, oude vormen, verkokerde gewoontes. En als er dan eens eindelijk iemand bijvoorbeeld de schriftlezing mag verzorgen in een kerkdienst, zijn er altijd toch wel weer anderen die er bezwaar tegen houden. En vaak is dan van tevoren gezegd dat het toch allemaal niet zó belangrijk is dat je er een punt van kunt maken. En dus blijft alles bij de oude, heilige status quo.
Draai de redenering nu eens om: als het dan allemaal echt niet zo belangrijk is, hoef je er ook geen punt van kritiek van te maken toch? Dan kun je het ook direct wel invoeren. Een voorbeeld: hoe lang is het helemaal geleden, dat het woord 'kindernevendienst' nog de klank had van een vloek? En nu zijn er maar weinig kerken meer waar er niet zoiets is als een apart programma voor de kinderen. En iedereen vindt het mooi, maar hoeveel mensen zijn er intussen al afgehaakt?
De toon is ironisch, maar daarom des te duidelijker. Je kunt er als ouderling in een nieuwe wijk van een traditionele gemeente best mee zitten. Hoe moet je omgaan met de kritische vragen en opmerkingen van vaak jonge, belangstellende gemeenteleden? Je wilt ze niet graag kwijtraken maar vasthouden. Maar je weet ook hoe moeilijk het is om hun vragen bespreekbaar te krijgen, laat staan ze op een of andere manier ingevuld te krijgen. Ik laat u nog even meelezen met wat ds. Oldenhuis verder schrijft:
De ouderling heeft zich al een poos stil gehouden . Hij vindt het eigenlijk niet allemaal nog echt leuk. Want als leuk het enige criterium wordt, dan is er veel helemaal niet leuk meer.
Voorzichtig brengt hij dat naar voren. Het leuke stel kan dat nog best waarderen als een leuke woordspeling. Hij zegt nog wat meer ook: het gaat toch vooral om de preek, om de boodschap van redding voor zondaren, om Jezus Christus, die de mensen naar zich toe roept. En in dat ene grandioze gebaar van de doop heel zijn boodschap geniaal heeft samengevat: je bent vuil en dat is niet leuk en je moet schoon gemaald worden en Hij doet dat. En daar is het woord 'leuk' toch ook niet een echt goed gekozen karakteristiek voor. Hij komt op dreef en er vaart zelfs een vleug emotie in zijn spreken . Want hij gelooft in wat hij zegt. Er spelen hem citaten door het hoofd, fIarden van liedteksten die hem zo vaak getroffen hebben, ook van die oude psalmen, juist van die oude psalmen, gevoelens die daardoor zijn opgeroepen. En hij zegt dat hij er zo vaak warmte en troost in heeft gevoeld, juist in kerkdiensten, als je daar met elkaar dat gevoel beleeft, maar ook in persoonlijke gesprekken , over een preek, over een tekst, over iets dat er gebeurd is met hem zelf, met anderen, gewoon in de dagelijkse omgang.
Het ligt hem op de tong om de term 'gemeenschap der heiligen' te gebruiken en bijna zegt hij dat dit toch best ook 'leuk' is en dat ze dat toch ook wel zo moeten voelen. Maar ineens beseft hij dat het zal overkomen als een cliché, een dooddoener, een verkokerde term uit de voortijd. Hij stold. Het is niet de eerste keer dat hij zo'n gesprek voert. En het schiet door hem heen dat de leuke kerk onzichtbaar is, maar overaljuist wel aanwezig zou moeten zijn. Juist met behoud van die gave geriformeerde boodschap van redding die van boven komt, van buiten de mens, en die niet bestaat in een gevoel maar in het herstel van de relatie met God. Op de stoep zegt hij nog dat hij hoopt dat ze zich zullen willen inspannen om de kerk leuk te maken. Maar dan wel op een leuke manier graag. .
Ja, je kunt bijna eindeloos woordspelingen blijven maken over het woordje 'leuk', maar of dat echt de impasse helpt opheffen, valt te betwijfelen. Ik herinner aan wat we de vorige keer uit de pen van dr. Paas in CV.Koers lazen. Hij voorziet twee ontwikkelingen binnen de orthodoxe stromingen in ons land. Aan de ene kant gemeenten die blijven kiezen voor het traditionele patroon.
Zij zeggen dus eigenlijk: leuker kunnen we het niet maken. Aan de andere kant wijst Paas op projecten van gemeentevernieuwing en gemeentestichting in grote nieuwbouwprojecten. Daar zijn de drempels lager en is het gemeente-zijn heel sterk gericht op de vraag: hoe krijgen we een nieuwe generatie betrokken bij het evangelie. Voor beide invalshoeken is veel te zeggen. We zijn wel in een tijd beland waarin ons alles er aan gelegen moet zijn om mensen vast te houden en te bewaren bij het evangelie van Christus.
Maar uiteindelijk blijft het waar wat ds. Oldenhuis ter afsluiting nog schrijft:
Wij zijn geen leuke kerk, we hebben het ook nooit willen wezen en zullen we die naam ooit krijgen? Het evangelie is niet 'leuk' en wie alleen maar het criterium van de leukigheid gebruikt bij zijn kerkkeuze, kan beter naar een postzegelclub gaan zoeken, maar zelfs dan zal er toch ook nog wel het criterium aan te pas komen of men daar echt met postzegels bezig is. En toch ... Wij hebben in de loop van onze korte geschiedenis een heel andere naam gekregen en het zou best goed zijn, denk ik, om er eens diepgaand studie van te maken waar die naam vandaan komt en of die niet met behoud van de gereformeerde identiteit beter kan worden. Daar heb je filosofen bij nodig en communicatiedeskundigen en sociologen en historici en maatschappijcritici en ook theologen en dominees en pastorale werkers, liefst ook nog allemaal van goede gereformeerde spiritualiteit. Want we hebber er niets aan als in naam van de leukigheid de keiharde en tegelijk warme boodschap van het evangelie wordt ingeruild voor zoetsappigheid en oppervlakkigheid. Maar het is ook te gemakkelijk om ons terug te trekken in het veilige zichzelf bevestigende gevoel dat nu eenmaal de boodschap van het evangelie niet als leuk te typeren valt en dat daarom de kerk die de boodschap onverkort doorgeven wil, nu eenmaal ook nooit leuk zal of zelfs mag worden.
Ik stem in met de slotregels van het artikel: 'Wie alleen maar op de leukigheid let, zal het evangelie zeker voorbijlopen. Maar, wie het verlangen naar sfeer veroordeelt, zal alle leuke mensen verliezen. Ik wou dat we ze nog konden bereiken.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 maart 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's