De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Verlangen naar genaderegen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Verlangen naar genaderegen

PREDIKING EN OPWEKKING [1]

8 minuten leestijd

Onderzoek naar de prediking in Wuppertal heeft mij op het spoor gezet van een cruciale zaak, namelijk de opwekking. Graag wil ik een hernieuwde aandacht hiervoor vragen. Onze tijd is er rijp voor. Of moeten wij ons afvragen of, theologisch gesproken, ruim honderd jaar geleden ergens een streep is gezet?

Niet zonder reden heb ik de preken van Krummacher, Kohlbrugge en Geyser in mijn studie Ontwaakt, gij die slaapt! gekenmerkt als opwekkingspreken. Ik beschreef ze in de context van het tijdvak 1815 tot 1880, een periode waarin in het Duitse Wuppertal diverse opwekkingen plaatsvonden.
Wij, die staan in de reformatorische traditie, zijn voortdurend bezig met de vraag naar de vertolking van de centrale heilswaarheden voor de gemeente van vandaag. De kracht en de troost die de reformatoren in het Woord hebben gevonden zijn voor ons geen museumstukken, die wij alleen bewonderen en koesteren. Willen wij eerlijk ons werk doen, dan is het onze opdracht het evangelie te vertolken midden in de werkelijkheid van de wereld van vandaag. Krummacher, Kohlbrugge en Geyser hebben dat in hun tijd, de negentiende eeuw, gedaan en het is aan ons om het goud van de genade voor 2007 te vertolken. De grote bijbelse lijn in de prediking van Augustinus, Luther, Calvijn, Krummacher, Kohlbrugge en Geyser, prediking waardoor beweging ontstond in de kerk, die beweging houdt toch niet op in 1880?

Reanimatie
Als we het over opwekking hebben, waar praten wij dan over? Een opwekking is daar waar leven is om dat te doen opleven. Een opwekking zie ik als het overtuigende werk van de Geest van God in levens van mensen; een reanimatie van het geloofsleven; een vervuld worden met de Heilige Geest waardoor het innerlijke leven van slapende christenen wordt vernieuwd. Gods volk wordt hersteld en teruggebracht tot een levende relatie met Hem na een periode van het loslaten van Zijn Woord.
Voor een opwekking bestaat geen vast patroon. De Heilige Geest gaat Zijn eigen weg met mensen, al zijn er bij opwekkingen wel bepaalde constanten.
Opwekkingen zijn hoofdzakelijk gebeurtenissen die gemeenschappelijk zijn, ontstaan door het soevereine handelen van God. Het is God, Die Zijn volk bezoekt en op Zijn wijze en op Zijn tijd 'tijden van herademing geeft'.

Voorjaar
Opwekkingen kunnen gebeuren wanneer de kerk er niet op rekent. In de negentiende eeuw kwam de revival (opwekking) in Ulster plotseling; in Wales 1904, plotseling; in 1949 op de Hebriden-eilanden, plotseling. Elke opwekking heeft om zo te zeggen zijn kairosmoment, zijn door God bepaalde moment. En het is dan net als in het voorjaar. Opwekking blaast een frisse wind in onze godsdienstige activiteiten. Maar net als elk seizoen van het jaar, het voorjaar blijft niet.
Opwekkingen kunnen niet in schema gebracht worden. De Heilige Geest laat Zich niet door ons de weg voorschrijven. God verhoort het gebed van Zijn volk, een voorwaarde voor een opwekking, en antwoordt hen door Zijn heerlijkheid, sterkte en macht te openbaren. God brengt een opwekking niet voor de vreugde van Zijn mensen, maar voor de glorie van Zijn Naam.

Meer vuur dan finesse
Opwekking is iets anders dan evangelisatie. Opwekking is een ervaring, een gebeuren in de kerk; evangelisatie is een uitdrukking van de kerk. Er wordt wel eens negatief gesproken over opwekkingen. Vooral daar, wanneer het uitloopt op separatie (scheiding) en radicalisme. In een opwekking is, althans in het begin, soms meer vuur dan finesse. Wij verlangen een opwekking binnen onze kerk, maar laten wij niet ondersteboven zijn wanneer het bij anderen gebeurt en ons dan de spiegel wordt voorgehouden. Nu gaat het hier niet over mogelijke uitwassen.
Mozes keek ook door heel veel dingen heen en verzuchtte: 'Och, of al het volk des Heeren profeten ware.' Dit zei hij nadat Jozua dacht te moeten ingrijpen toen twee mannen begonnen te profeteren. 'Mijn heer Mozes, verbied hun.' Ze lopen uit de pas. Spurgeon bad eens om een seizoen van heerlijke wanorde: 'Lord, send us a season of glorious disorder.'
Opwekkingen zijn bijna nooit officiële bewegingen binnen de kerken geweest, dikwijls kwamen van buiten de kerk de eerste impulsen. Dat was al de ervaring van Paulus in Handelingen 13:45, waar zijn woorden verdacht worden gemaakt. Denk ook bijvoorbeeld aan het diasporawerk van de Moravische Broeders en aan de opwekkingsprediker Whitefield. De grootste oppositie tegen hem kwam van de officiële kerk en van collega's die hem verboden in hun kerkgebouwen te preken. Toen William Carey rond 1790 met collegapredikanten sprak over de noodzaak van opwekking, werd hij uitgemaakt voor een miserabele enthousiast!
Omdat opwekkingen vaak gepaard zijn gegaan met onvrede over de bestaande gang van zaken in de kerk, kijken kerkelijke autoriteiten dikwijls negatief naar gemeenteleden die geraakt worden door mensen van buiten de kerk. Wanneer volgens ons mensen uit de pas lopen, waaraan wordt dit beoordeeld?
Dat veel opwekkingsbewegingen ontstaan buiten de kerk, komt ook door het gegeven dat het leven binnen onze gemeenten vaak zo ver afstaat van de eenvoudige nieuwtestamentische levensstijl. Staat een beweging stil wanneer je het vaste vormen geeft? Aan het begin van de negentiende eeuw is het de Rheinische Mission geweest die de kerken verwees naar de inrichting zoals die bestond in de kerk van de eerste eeuwen. Ook is een punt dat het spreken over en het verwachten van de wederkomst bij opwekkingen sterk benadrukt wordt en men daar de kerk dan ook op gaat bevragen.

Koketteren met nood
Nadenkend over de zwakke geestelijke situatie in de kerk wordt gezegd dat dit komt door de verkondiging. Wij horen dan: de prediking verkeert in een crisis. Horen wij dit lang genoeg, dan kan dit op den duur een verlammende uitwerking hebben. Wij praten vaak over de nood, om dan met de nood te koketteren en ons niet verplicht te voelen om te verlangen naar een omkering. Godsdienstsociologen geven de ene na de andere analyse over de geestelijke situatie in de kerk en het kan zo ontmoedigend werken telkens te horen: voortdurend dalend kerkbezoek, afnemend geloof zelfs bij predikanten, dalend krediet voor de preek en dergelijke. Het is onder ons meer survival dan revival.
Maar hoelang blijven wij daar tegenaan kijken? Zo was de situatie ook in Engeland in de zeventiende en achttiende eeuw en in  andere delen van Europa. En in de negentiende eeuw, in 1866, schrijft A. Zahn dat de afval van de gehele christenheid in Europa 'schrikwekkend' is. Nu zijn opwekkingen juist in geestelijk donkere situaties ontstaan. Wij zullen bij al de negatieve berichtgeving aanleiding moeten vinden gezamenlijk ons te buigen voor God, in het geloof dat Hij regeert en dat Hij ons opnieuw bezoekt met Zijn zegen. 'Zult Gij ons niet weer levend maken, opdat Uw volk zich in U verblijde?' (Ps. 85:7). In plaats van te spreken over de nood, dienen wij te spreken over de opdracht die ons gegeven is en bidden dat God terugkeert.

Duisternis bestrijden
Wij kunnen ons terugtrekken, onze gereformeerde gelederen sluiten en met heimwee terugzien naar wat was, of met het Woord in de hand weten God weer te zullen zien in een kerk en samenleving waaronder de christelijke grondslagen dreigen weg te vallen. Duisternis dienen we te bestrijden door het Licht erin te ontsteken. Voor degene die de 'crisis' echt meemaakt en doorleeft, is het roepen tot God een eerste gegeven. De nood van de kerk is dat de kerk niet ten volle gelooft het beloftewoord dat de heerlijkheid van God zal geopenbaard worden.
Dienaren van het evangelie en de kerk dienen te zien dat bekering, terugkeer tot God, individueel en als kerk, noodzakelijk is. Wij beginnen daar waar wij God hebben tegengestaan en om op Zijn goedheid te hopen. Anders gebeurt er wat de Engelsen zeggen: 'As soon we cease to bleed, we cease to bless': zodra we ophouden met bloeden, houden we op met zegenen.
Al te lang hebben wij gedacht dat de boodschap van bekering de niet wedergeboren zondaar geldt, maar wij moeten niet vergeten dat God Zijn eigen volk tot omkeer roept. Van Johannes de Doper lezen wij: 'En hij zal velen van de kinderen Israëls bekeren tot de Heere, hun God' (Luk. 1:6).

Verlangen naar opwekking
Onze tijd is rijp voor een opwekking. Of zijn de grote opwekkingen aan het begin van de twintigste eeuw, dus ruim honderd jaar geleden, de laatste geweest? Er is meer. Het is verwoord in een recensie over mijn studie van de hand van collega J. KooIen uit IJsselstein: 'Hebben wij gelijk', zo schrijft hij, 'als we menen, dat de auteur zijn boek mede heeft geschreven uit verlangen naar een nieuwe opwekking, een genaderegen, ook onder ons?' Hier moet ik zeggen: collega KooIen geeft precies weer wat mijn verlangen is. Een genaderegen! Nu, achteraf, heeft de studie meer met mij gedaan dan ik in het begin vermoedde en merk ik dat wanneer ik nadenk over prediking - ook mijn prediking - welke impact zal het hebben, gaat er een beweging ontstaan? Wordt de verkondiging in het leven van de enkeling en in de gemeenschap overgenomen?

Visser
En dan is er nog iets: terugkomend van het zendingsveld in Afrika, nu, na ruim een halfjaar, moet de eerste collega nog vragen: 'Wat heb je gezien van het werk van God daar in Mozambique, in Afrika?' Vinden wij dat niet belangrijk? Wanneer het werk van de zending, van Gods handelen in andere delen van de wereld nauwelijks een plaats heeft in ons denken, hoe zit het dan met ons verlangen naar een rijkere openbaring van God onder ons? Rekenen dienaren van het evangelie nog op een krachtige doorwerking van de Heilige Geest? Wanneer wij zondags op de preekstoel staan, is het met het verlangen dat God zich onder ons en op het zendingsveld heerlijk zal openbaren?
Spurgeon zegt: 'Wanneer iemand zal zeggen: Ik ben een visser, maar ik heb nog nooit iets gevangen, hoe zal hij dan een visser genoemd kunnen worden?' Wij zijn vissers van mensen. Werkelijk? Ook wanneer wij nog nooit iets hebben gevangen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Verlangen naar genaderegen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 april 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's