De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

In De Saambinder (weekblad van de Gereformeerde Gemeenten) schrijft ds.J. Schipper een lezenswaardig artikel naar aanleiding van het boek Revius, dichter, denker, dominee van Enny de Bruijn en Henk Florijn (uitg. Den Hertog, Houten). Enkele fragmenten:

Ter illustratie van datgene wat in de preek wordt gezegd worden wel eens dichtregels ten gehore gebracht. Dat is een goede zaak. Minder goed is het wanneer bij geciteerde dichtregels een dichter genoemd wordt die daar niet bij hoort. En dat komt nogal eens voor. Als vanaf de kansel wordt gezegd dat de woorden

'Roem, wereld, uw schatten!
Gij kunt niet bevatten,
hoe rijk ik wel ben.
'k Heb alles verloren,
maar Jezus verkoren,
Wiens rijkdom ik ken'

gebezigd zijn door de wereldmijdende en in de gevangenis zuchtende ds . Ledeboer, dan moet geconstateerd worden dat de bedoelingen van de prediker wel goed zijn, maar dat hij desondanks onjuiste informatie doorgeeft. Het is namelijk de eerste strofe van een gedicht van Pieter Leonard van de Kasteele (1748-1810), een jurist in Den Haag, die nog betrokken was bij de totstandkoming van de psalmberijming van 1773, maar ook gecommitteerde was bij de samenstelling van de bundel Evangelische gezangen. Het is echter niet goed voor te stellen dat men zich vergist bij een dichtregel als:
't En zijn de joden niet, Heer Jesu, die U kruisten'.
Zelfs de minst poëtisch aangelegde predikant weet nog wel dat deze regel de eerste is van een zeer bekend sonnet van Jacobus Revius.

• Revius werd predikant in 1613 . Dat betekent in de dagen dat de kerkstrijd tussen de Remonstranten en Contra-Remonstranten een hoogtepunt begon te naderen. Daarbij had Revius een belangrijk aandeel in het bestrijden van het remontrantisme. In Deventer heeft hij veel werk verricht. Wat hij tot zijn ambtswerkzaamheden rekende, blijkt uit het gedicht 'Predikant', een gedicht waarbij iedere regel eindigt met dezelfde klank. Daarin benadrukt Revius dat een predikant van 'hogerhand' geroepen moet zijn. Verder houdt hij zijn lezers voor de noodzaak van het aanhoudende gebed, het standhouden voor de waarheid, het uitoefenen van de tucht, maar vooral het in leer en leven bouwen op Christus:

Zult gij wezen predikant
Wacht uw beurt van hogerhand
Zet laatdunken aan een kant.
Biddet God gedurig, want
Hij moet kweken wat gij plant.
Voor de waarheid houdet stand,
Waarheid is een edel pand.
Strengelt vast de liefdesband.
Liefde toch de krone spant.
Ziet gij een geveinsde kwant
Dreigt hem met de helse brand.
Die in openbare schand
Leven, uit de kudde bant.
Van de wolf is aangerand.
Toont hem dapper uwen tand.
Volget niet des werelds trant
Of gij wordet overmand
Bouwet nimmer op het zand
Maar op Christus, die u zand.
Weest zo doende predikant.

• Na de voltooiing van de Statenvertaling heeft Revius nog een vurige wens, namelijk dat er nog eens serieus nagedacht zal worden over het verbeteren van de psalmberijming van Petrus Datheen. Hij heeft bezwaren tegen de stijl, tegen de 'lamme en losse leden' van die berijming, trouwens ook tegen 'stopwoorden en dergelijke'. Maar er is nog meer. Want in de nieuwe Statenbijbel is ook de vertaling van het bijbelboek der Psalmen zeer verbeterd en is het nu niet wenselijk dat een nieuwe berijming daarbij aansluit? Omdat de berijming van Marnix van Sint Aldegonde nooit is aangeslagen bij het gewone kerkvolk, besluit Revius zelf aan het werk te gaan. Beter kan gesproken worden van een eigen berijming. Ze werd in 1640 uitgegeven en beleefde in 1651 een tweede druk. Er was wel degelijk belangstelling voor, maar voor gebruik in de eredienst besloten de kerkelijke vergaderingen toch maar te blijven bij de berijming van Datheen. ( ... ) Het eerste vers van Psalm 121:

Mijn oog ik naar de bergen sla,
Vanwaar in 't tranendal
Mijn hulpe komen zal.
Om hulp ik tot de Heere ga.
Die aard' en hemel beide
Door Zijne kracht bereidde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 april 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's