De toon van de muziek
MET DE MENS MOET (N)IETS GEBEUREN [3]
De inmiddels vermaarde bestseller van Jan Siebelink heeft in theologisch Nederland heel wat pennen in beweging gebracht. In de twee vorige nummers van dit blad gingen ds. W. Dekker en dr.ir. J. van der Graaf met elkaar in gesprek naar aanleiding van dit boek. Daarbij ging het vooral over de vraag of er 'iets met de mens moet gebeuren'.
Vanuit het artikel van twee weken geleden wordt duidelijk dat het boek van Siebelink collega Dekker erg heeft (aan)gegrepen. Dit vooral ook omdat hij vanuit zijn hervormd-gereformeerde opvoeding de door Siebelink geschetste situatie dat 'er iets met de mens moest gebeuren' herkent.
Ook ik hoor mijn eigen opa - met trillende stem - deze woorden nog zeggen. Overigens viel de klemtoon dan vooral op het woord 'gebeuren' en hoefde 'iets' niet per se 'iets bijzonders' te zijn. (Zouden dat juist niet de significante verschillen zijn tussen de hervormd-gereformeerde wereld en de wereld van Siebelink?)
In dit verband noemde ds. Dekker de prediking van een aantal 'grote mannen' uit de geschiedenis van de Gereformeerde Bond. Van der Graaf vulde het door ds. Dekker genoemde rijtje met namen nog verder aan, maar tekende erbij aan dat 'van een knellende band geen sprake was' (wie van beiden heeft nu goed geluisterd?)
Nu heb ik de genoemde predikanten (helaas) nooit live horen preken. Wel zijn door mijn ouders en grootouders flarden van door hen gehouden preken aan mij overgedragen. Er bestond bij ons thuis een soort hervormd-gereformeerde misjna (de mondelinge commentaren van de Thora). Zo heb ik meerdere keren gehoord dat ds. L. Vroegindeweij (doordeweeks!) eens preekte over het huis op de steenrots en het huis op de zandgrond. Je merkte aan de manier waarop hierover werd gesproken dat deze prediking diepe sporen had getrokken. Dat was echt indrukwekkend! Zouden de vandaag - ook door mij - gehouden preken later ook zo worden overgedragen op het volgende geslacht? En zo niet, hoe komt dat dan? Dat is toch niet alleen maar cultureel bepaald?
Beleving
Ds. Dekker ervaart door het succes van Siebelinks boek en door de (te) grote hang naar bijzondere beleving behoefte om 'afstand te nemen van de belevingscultuur inclusief de hervormd-gereformeerde'. Hij wil terug naar de kern van de Reformatie: het geloof is niet meer dan de lege hand. Hij pleit duidelijk voor een meer Kohlbruggiaanse benadering: 'Ik ben op Golgotha bekeerd.' Van der Graaf is wat beducht voor deze benadering. Er gebeurt toch ook nog wat in ons hart?
Nu val ik ds. Dekker bij wanneer hij stelt dat het in deze tijd allemaal 'beleving' is wat de klok slaat. En soms wordt zelfs met belevingswoorden en taal uit de (Nadere) Reformatie een postmoderne houding 'verpakt'! (Wat komt het aan op de gave van de onderscheiding der geesten!) Toch is volgens mij het teruggaan naar 'ik ben op Golgotha bekeerd' en de kern van de Reformatie om twee redenen niet de juiste reactie op de (te) grote vraag naar beleving. Allereerst is 'teruggaan' nooit een oplossing. Dat mag theologisch ook niet. Doen we het doorgaande werk van de Geest niet te kort wanneer wij terug willen in de tijd? Heeft naast de Reformatie bijvoorbeeld ook de Nadere Reformatie niet veel goeds gebracht? We geloven toch dat de Geest deze wereld door de geschiedenis trekt? Van dr. A.A. van Ruler heb ik geleerd dat 'de levende God onophoudelijk verder trekt (... ) God is een Trek-God bij uitnemendheid'. Daarom moeten we - zo stelt van Ruler verder - 'de voorgaande eeuwen verdisconteren, ook de dichtstbij liggende.'
Deze stellingname betekent dat we de huidige postmoderne hang naar beleving zullen moeten verwerken. En verwerken is niet zonder meer aanvaarden, maar ook iets anders dan verwerpen. Anders gezegd: door de postmoderne tijd heengaan is iets anders dan er langs heengaan. Wie dat laatste denkt te kunnen doen, overschat trouwens zichzelf. Staande op de schouders van het voorgeslacht hebben we midden in de tijd te staan en vooral vooruit te kijken! Wie stevig staat, kan trouwens ook een open houding hebben. Laten we niet te bang zijn.
Dertigers en veertigers
Ten tweede waag ik ook inhoudelijk te betwijfelen of Kohlbrugge het medicijn is om de postmoderne en ziekelijke hang naar beleving te genezen. Natuurlijk is zijn theologie een zeer Geestrijk moment in de geschiedenis geweest (en vooral in de aanvechting nog steeds balsem voor de ziel), maar het gehoor van Kohlbrugge was toch ook wel heel anders dan de postmoderne mens uit de 21e eeuw? En is - vanwege de (te) grote hang naar beleving - teruggaan naar Kohlbrugge ten diepste niet hetzelfde als een kwaal genezen door de positieve bijwerkingen van een medicijn dat eigenlijk voor iets anders is bestemd? Mijns inziens wel. Deze 'oplossing' werkt wellicht op de korte termijn, maar is op de lange termijn vaak funest.
Zal een sterk accent op 'het is geschied' heel veel onbekommerde (!) dertigers en veertigers indirect (en onbedoeld!) geestelijk niet nog luier maken dan ze al vaak zijn? Ik zie dat in ieder geval wel vaak bij hun kinderen! Het gevaar is verder dat de veelal aanwezige economisch-maatschappelijke gearriveerdheid wordt aangevuld met een 'geestelijke' component. En nemen we, wanneer we een groot accent leggen op 'het is geschied', de enkele mens in zijn levenstijd wel echt serieus genoeg? Ik denk het niet. De tijd na Golgotha is toch ook wel van meer betekenis dan tijd die moet worden opgevuld totdat Jezus terugkomt? Ik ben dus om meerdere redenen wat sceptisch over ds. Dekkers 'oplossing' op de grote vraag naar beleving.
Doorschieten voorkomen
Nu is het altijd makkelijk om te zeggen hoe het niet moet. Maar hoe moet het wel? Hoe voorkomen we dat we of (verder) wegzakken in een ziekelijke hang naar beleving of belanden in een rationele en kille gearriveerdheid, die dan maar wat opgeleukt moet worden met een 'aardige' liturgie?
Het zou goed zijn om ook op dit punt zorgvuldig te luisteren naar de stem van wijlen dr. A.A. van Ruler. Profetische mensen zijn immers vaak hun tijd een paar stappen vooruit. Van Ruler stelde dat in de gereformeerde bevinding 'een mens deze Middelaar en zijn werk nodig moet krijgen. Men moet in liefde Hem en zijn verdiensten in hun gepastheid gaan zien. Met moet in liefde tot zijn heerlijkheid en begeerlijkheid versmolten worden.' (curs. E.K.F.)
Dit heeft alles te maken met wat hij op een andere plaats stelt, namelijk 'dat de verzoening reeds is geschied (op Golgotha en in de hemel), maar dat de rechtvaardiging geschiedt in het heden en aan mij. En daarom is het volgens hem ook 'volmaakt juist dat het artikel van de vergeving niet in het tweede, christologische, maar in het derde, pneumatologische gedeelte van het Apostolicum staat.'
Me dunkt dat deze woorden heilzaam zijn en ons voor het doorschieten naar de ene of andere kant bewaren. Het accent op de heilshistorie (Golgotha en Pasen) blijft staan, maar ook de levenstijd van de enkele mens (en de beleving) doet volledig mee. Zo wordt men - opnieuw Van Ruler - 'gelijktijdig' met Golgotha. (Let op: dat is nog wat anders dan dat Golgotha zich in het hart herhaalt.)
Eenzijdig christologisch
Heeft de grote hang naar beleving - ook in gereformeerde bondsgemeenten - niet mede haar oorzaak in het feit dat de afgelopen jaren vaak te eenzijdig christologisch is gepreekt? (Is dat misschien een wat verlate doorwerking van de theologie van K. Barth? ) Ik denk het wel. Om deze hang naar beleving dan te corrigeren helpt nieuwe nadruk op de christologie niet, maar is het vooral zaak dat we - zoals dr. F.G. Immink onlangs bepleitte - de notie van de rechtvaardiging van de goddeloze (en dus de pneumatologie) voor het voetlicht halen.
Hoe dan ook, wie met twee woorden (christologisch en pneumatologisch) blijft (s)preken, voorkomt dat een spanningsloze preek wordt uitgesproken. De enkele mens en zijn levenstijd doen dan weer volop mee. Dan moet er iets gebeuren, maar dan gebeurt er ook wat. Daar wordt bevinding geboren.
Niet zo stellig
Collega Dekker stelde in de briefwisseling van vorige week dat hij het object-subjectschema wil verruilen voor een meer relationeel paradigma. Zijn bezwaar tegen het eerstgenoemde schema is dat er dan toch weer wat moet, terwijl in het relationele paradigma iets gebeurt. Mijn vraag is: vanwaar precies die angst voor dat 'moeten'?
Is het werkelijk zo dat er in de liefde niets 'moet' en het 'moeten' ons niet in relatie zet? Die twee sluiten elkaar volgens mij echt niet zo stellig uit als ds. Dekker veronderstelt.
Christologisch gezien is er sprake van een 'moeten': Christus moest zijn in de dingen van Zijn Vader. Hij moest lijden en sterven. En dat juist vanwege Gods liefde. Maar ook hier geldt: het is goed om met twee woorden te spreken.
En dat betekent dat er ook pneumatologisch sprake is van een zeker 'moeten'. Handelingen 4 spreekt: toch niet voor niets over de Naam van Jezus, door Welke wij moeten zalig worden. Het is een 'moeten' waarachter en waardoor het hart van de Heere klopt. Dit 'moeten' klinkt niet als een bars bevel, maar als een liefdevolle roep. Ook wat betreft dit 'moeten' geldt: het is de toon die de muziek maakt. En de toon van de Geest maakt zuivere muziek: de muziek van Gods liefde.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juni 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's