Van isolement naar openheid
De redactie van Transparant (tijdschrift van de Vereniging van Christen Historici) gaf onlangs een themanummer uit over De jaren vijftig (mei, jaargang 18, nr. 2). Dr. M.J. Aalders schrijft daarin over de opkomst van de moderne theologie binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) in de jaren vijftig van de twintigste eeuw. Hij vraagt zich af welke factoren meegewerkt hebben aan de ingrijpende omslag die zich in die jaren voltrok. De kentering begon al in de jaren vijftig en werd in de jaren zestig duidelijk zichtbaar. Komend vanuit een sterk isolement werd de deur opengezet naar de samenleving en naar de vragen die daarin vooral na de Tweede Wereldoorlog aan de orde werden gesteld. De theologen hebben van dit proces soms de schuld gekregen. A.M. Lindeboom schreef het befaamde boek De theologen gingen voorop. Eenvoudig verhaal van de ontmanteling van de gereformeerde Kerken in Nederland (1987). Maar Aalders betwist die stelling. Je kunt theologen als H.M. Kuitert, Tj. Baarda en H. Wiersinga namelijk niet isoleren van hun omgeving.
De theologen maakten deel uit van de samenleving, wat meer is: ze hadden innerlijk deel aan de ontwikkelingen die de samenleving doormaakte en waar ze vervolgens op reageerden. Want niet alleen de GKN verschoten van kleur, maar de hele samenleving deed dat. Niet alleen de theologische opvattingen veranderden, maar allerlei opvattingen veranderden. Alles kwam ter discussie te staan: de verhouding tussen man en vrouw, seks voor het huwelijk, de houding tegenover het gezag, de wapenwedloop et cetera. Deze culturele revolutie voltrok zich eerst voorzichtig, maar allengs steeds duidelijker. Hetzelfde kan gezegd worden van de veranderingen in de GKN en de gereformeerde theologie. Want het is frappant om te zien hoezeer deze zich voordeden parallel aan de ontwikkelingen in de samenleving: voorzichtige en kleine veranderingen in de jaren vijftig, een stroomversnelling aan het begin van de jaren zestig en heftige onrust in de tweede helft van de jaren zestig en het begin van de jaren zeventig leken nauwelijks meer op de GKN uit de jaren dertig. Ze hebben, zo schreef iemand, in de jaren zeventig, de GKN in de bossen van Lunteren (waar de synode vergaderde) begraven. Dat was geen werk van een handjevol theologen alleen. Het was de vrucht van een ontwikkeling waaraan velen in de GKN deel hadden. De theologen hebben die ontwikkelingen op hun eigen manier verwerkt en vorm gegeven, maar als daarvoor geen draagvlak was geweest, was het wel tot tuchtprocedures tegen hen gekomen. En dat is niet gebeurd.
Aalders beschrijft een aantal factoren die de ingrijpende ommekeer in de GKN hebben veroorzaakt. Als eerste factor noemt hij het feit dat de 'wereld' niet meer buiten de deur gehouden kon worden. De eigen traditie werd niet langer heilig verklaard. De voor gereformeerden zo typerende antithese tussen kerk en wereld werd losgelaten. De almaar veranderende buitenwereld ging in toenemende mate het klimaat bepalen waarin nieuw benoemde theologen na de oorlog hun werk begonnen, aldus Aalders. 'In steeds sneller tempo brokkelde de verzuilde samenleving af, niet het minst door de komst van de televisie. De wereld werd vaderland!'
Als tweede factor signaleert Aalders de 'voortschrijdende emancipatie van de gereformeerden, ook in wetenschappelijk opzicht'. Hij wijst op de stichting van de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen aan de VU. De theologen mochten zich op hun vakgebied dan nog wel verschuilen achter de gereformeerde beginselen. Maar-wat moesten natuurwetenschappers aan met een vraag als: hoe verhouden zich de bijbelverhalen met de moderne wetenschappelijke inzichten? Als derde factor wijs Aalders ten slotte op een nieuwe generatie theologen die na de Tweede Wereldoorlog aantrad, met name aan de VU. Dogmaticus Hepp overleed in 1950 en werd opgevolgd door G.C. Berkouwer, oudtestamenticus G.Ch. Aalders ging met emeritaat en pensioen en in zijn plaats werd uiteindelijk R. Schippers benoemd. Uiteraard besteedt Aalders ruim aandacht aan prof.dr. G.C. Berkouwer, die hij gezichtsbepalend noemt voor de theologie van die dagen. Omdat over hem en zijn positie in het veranderingsproces binnen de GKN al heel veel is gepubliceerd, citeer ik wat Aalders schrijft over de opvolgers van respectievelijk G.Ch. Aalders en P.W. Grosheide.
Een tweede benoeming die van belang was, was die van N.H. Ridderbos, die in 1950 zijn promotor G.Ch. Aalders opvolgde. Had Aalders zich decennialang vastgebeten in het onderzoek naar de historische betrouwbaarheid van de Pentateuch, Ridderbos legde zich toe op de bijbels-theologische dimensies van de psalmen. Daarmee verliet hij het apologetische terrein van zijn leermeester. Opvallend was het nieuwe geluid over Genesis 1 in zijn rede 'Beschouwingen over Genesis 1'. Daarin sprak hij zich uit voor de zogenaamde kadertheorie. Het 'zeven dagen schema' van Genesis 1 moet als inkleding beschouwd worden; het biedt geen exacte beschrijving van de schepping. En ten aanzien van de schepping merkte hij op dat wat daar geschied is, te groots is 'dan dat het in gewone geschiedenisbeschrijving kan worden verhaald.' Daarmee nam hij afstand van het realisme zoals dat van meet af aan de gereformeerde exegese had bepaald. Bovendien wees hij op verschillen tussen onze manier van geschiedschrijving en de manier waarop door de bijbelschrijvers soms met hun materiaal wordt omgegaan. Daarmee werd een opening geboden die van meer belang is geweest dan alleen voor het gesprek tussen de theologen en de beoefenaren van de natuurwetenschappen. Overigens liet Ridderbos zich niet uit over Genesis 2 en 3. In die zin stond 'Assen' nog recht overeind.
Als opvolger van de behoudende nieuwtestamenticus P.W. Grosheide werd R. Schippers benoemd. Aalders noemt hem een man met 'een grote sensitiviteit voor wat zich in de samenleving afspeelde en ook iemand die heel goed aanvoelde wat in de theologische ontwikkelingen van belang was'.
Hij was erop gericht de mensen te helpen zich te oriënteren in een veranderende cultuur. In die zin is er een duidelijk onderscheid tussen dit boek en Geesinks 'Gereformeerde Ethiek'. Schippers zette niet in bij het 'systeem', maar ging in op de vragen die onder de gelovigen leefden. Mag een gereformeerd christen voorbehoedsmiddelen gebruiken? Het subject dus een andere plaats, zoals dat in zoveel theologische disciplines zou gebeuren. Vanaf 1953 doceerde Schippers ook Nieuwe Testament. Zijn leerling Tj. Baarda getuigt van hem dat hij degene is geweest die het isolement van de 'gereformeerde exegese' heeft doorbroken. Kerk noch dogma konden bij voorbaat de uitkomst van het lezen van teksten bepalen. De tekst zelf, met al wat erin of erachter steekt, moet de kans krijgen om het woord te nemen. Dat woord zal echter slechts klinken als ook de historische bepaaldheid volstrekt serieus wordt genomen. Voor zijn leerlingen was er de ruimte om werkelijk geleerden als R. Bultmann en E. Käsemann te 'ontmoeten' en met hen in gesprek te gaan.
Daarmee zijn de belangrijkste hoofdrolspelers van het theologische theater uit de jaren vijftig benoemd . Als grootste verschil met hun leermeesters en voorgangers zou ik hun openheid die bij hen niet tot een vruchteloos isolement leidde, maar tot een dialogische verstandhouding met de wereld om hen heen. Het is mijns inziens dit punt geweest, waarop de naoorlogse generatie gereformeerden afstand nam van haar voorgeslacht. Niet iedereen was zich dat in die tijd bewust, zeker niet de gemiddelde kerkganger, maar de gereformeerde intelligentsia besefte wel degelijk dat de wereld veranderd was en dat de bakens verzet moesten worden. Dat gebeurde, conform de ontwikkelingen in de rest van de samenleving, heel geleidelijk.
Aalders karakteriseert de nieuwe openheid naar de wereld buiten de Gereformeerde Kerken als een autoriteitscrisis. Voor de nieuwe generatie waren Kuyper, Bavink, de organische inspiratieleer niet meer vanzelfsprekend. Alle verschillen onder gelovigen zijn altijd weer te herleiden tot de vraag: hoe lezen en verstaan we de Heilige Schrift? Voor gereformeerde theologen is de letter van de Bijbel nog altijd doorslaggevend. Ook wie erkent dat mensen de bijbelse geschriften hebben opgeschreven, probeert die menselijke factor zo klein mogelijk te laten zijn om de Bijbel voluit als goddelijke openbaring te kunnen lezen. Voor Kuyper en Bavinck was de geloofszekerheid een van de centrale motieven bij de ontwikkeling van hun Schriftleer. Wat men gelooft, daar van moet men zeker zijn, schreef Kuyper. En Bavinck merkte op: 'Zekerheid sluit onzekerheid en twijfel, de vloek dezer eeuw, uit.' Hoe weet je een kind van God te zijn als de Schrift slechts mensenwerk is? Hoe weet je of je zonden vergeven zijn, als het allemaal maar gemeentetheologie is? De vraag die binnen de GKN meer en meer aan de orde kwam, was: hoe ver strekt die geloofszekerheid? Moeten we alles wat in de Bijbel staat letterlijk opvatten en op die manier onze geloofszekerheid garanderen? Zo in de zin van: als je dat niet meer gelooft, waar blijf je dan? En als je dat tijdgebonden acht, waar ligt dan de grens? Berkouwer werd de voortrekker van hen die vonden dat deze manier van spreken over het gezag van de Bijbel veel te formeel was. Daarmee raak je in een isolement en heb je geen boodschap meer, aan de zo grondig veranderende wereld om ons heen, omdat je elke dialoog bij voorbaat in de kiem smoort. Hij vond: geloofszekerheid is meer een zaak van vertrouwen en minder van alles zeker weten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's