Een uitverkoren man
Ik ben een dienaar, een uitverkoren man. Aan deze regels uit een gedicht van dichter-dominee Geert Boogaard (1908-1990) moest ik denken bij het lezen van het themanummer van het 'Tijdschrift voor gereformeerd belijden nu' Kontekstueel (21e jrg., nr 6, juli). Het draagt als opschrift Herder of gehuurde knecht. Het gaat, eenvoudig gezegd, over de persoon en de positie van de predikant in onze tijd. Of zoals in een toelichting wordt gemeld: we denken na over de toekomst van de dominee en de dominee van de toekomst. Op verzoek van de redactie schrijft dr. H. de Leede een 'bijbels-theologische benadering van de predikant'. Hij zet boven zijn bijdrage: 'Waar vind ik in de Bijbel de protestantse dominee?' Intussen heeft hij met zijn pleidooi voor een meer bisschoppelijke structuur van de kerk de pers gehaald. Veel steun ontving hij voor zijn voorstel intussen niet. Zijn argument blijft overigens wel van kracht: 'De snelle wisseling van bemensing van kerkenraden en de ingewikkeldheid van een zo plurale kerk vragen om een andere waarborg van de continuïteit.' De Leede weegt de reformatorische argumenten om vanuit de Schrift te komen tot de onder ons bekende drie ambten. Die argumenten zijn vanuit de context van de kerkelijke ontwikkelingen in de zestiende eeuw begrijpelijk en ook niet onjuist. Ze zijn echter ook weer niet dwingend uit de Bijbel af te lezen. Met andere woorden: er zit rek in als ontwikkelingen van de tijd om andere regelingen vragen. Hij herleest het klassieke formulier voor de bevestiging van de dienaren des Woords. Daarbij vielen hem een aantal zaken op. Ik citeer hier twee fragmenten uit:
Efeziërs 4 vers 7 e.v .is in het formulier de locus classicus. Daarin volgt het formulier Calvijn in diens Institutie. Deze pericoop geeft het raamwerk waarin andere relevante schriftgegevens worden ingepast. Het ambt van de predikant wordt gedefinieerd vanuit de herder en leraar (vers 11). Met name vanuit het beeld van de herder werkt het formulier de figuur van de predikant nader uit. De keuze voor dit beeld is niet verwonderlijk. Het is een centraal bijbels beeld voor allen die gezonden zijn met een bijzondere roeping: koningen, profeten, priesters, apostelen. Het beeld geeft ook goed aan wat de roeping van de predikant is: de hem toevertrouwde kudde leiden in en bewaren bij de grazige weiden van het heil. De predikant is daarom dienaar des Woords met vier taken: uitleg en toepassing van het Woord Gods (de bediening der verzoening), de dienst van de gebeden, de bediening van de sacramenten en - samen met de ouderlingen - het opzicht over de gemeente, zowel de leer als het leven. Als vijfde taak noemt het formulier de 'bijzondere verantwoordelijkheid van de predikant in de zielzorg'. ( ... ) Opvallend vond ik verder hoe in het klassieke formulier de schriftgegevens uit 1 en 2 Timotheüs en Titus toegepast worden op de persoon van de predikant, zijn geloof, zijn belijden, zijn levenswandel en de attitude waarmee hij zijn ambt en beroep heeft uit te oefenen. Het gaat daarbij over 'trouw en betrouwbaarheid', 'bekwaamheid anderen te leren'. De dienaar des Woords moet 'vrij zijn van hebzucht, eerzucht en heerszucht', het werk 'vrijwillig en met toewijding' doen, een 'voorbeeld zijn voor de gelovigen in woord en wandel'.
Hij moet zijn gaven ontwikkelen, blijven studeren ('aanhouden in het lezen van het Woord') en toenemen in de genade. Gewezen wordt op zijn 'geduld' en de 'bereidheid omwille van Christus' dienst te lijden'. In de voorbede na de bevestiging en handoplegging klinken woorden als vrijmoedigheid, wijsheid, moed, standvastigheid en opnieuw 'een voorbeeldige levenswandel'.
Het zijn allemaal aspecten van wat wij in onze tijd de personale geschiktheid voor het ambt zouden noemen. De traditie is zich terdege bewust van de betekenis en het belang van de persoon van de drager van het ambt.
Wie op de hoogte is van het reilen en zeilen van de christelijke gemeente, die weet dat nog altijd de persoon van de predikant heel bepalend is. We deden en doen soms nog smalend over een 'domineeskerk', maar in de kerkelijke praktijk blijft veel afhangen van het optreden van de voorganger. Er zouden voorbeelden te noemen zijn dat gemeente en predikant jarenlang tot elkaar veroordeeld waren met alle negatieve gevolgen van dien. Er zijn intussen wel kerkelijke maatregelen voor getroffen om sneller in te grijpen bij uit de hand gelopen situaties. De Leede:
Vanwege de grotere nadruk op de persoon(lijkheid) van de predikant als voorganger van de gemeente, als beeld en representant van de kerk, als publiek getuige in de samenleving, en als verbinding met de oecumene, moet de kerk hoge eisen stellen aan de opleiding en de persoonsvorming van de aanstaande predikant. In dat kader past een heropening van de discussie over de predikant-in-opleiding, de eerste (voorwaardelijke) toelating en de tweede (definitieve) toelating tot het ambt.
De vitaliteit van de Protestantse Kerk is één op één verbonden met de kwaliteit van het predikantschap. Daarom is het onvoorstelbaar dat de kerk nog steeds geen aangestuurde permanente educatie van haar predikanten vraagt en daarin investeert. Een positieve besluitvorming hierover is een signaal dat de predikant de kerk wat waard is.
Ik vind dat hij volkomen gelijk heeft. Alleen, wie beoordeelt of de kwaliteit van het werk van de predikant op maat is? De kerkenraad of de classis? Of toch een bovenplaatselijk persoon, een soort bisschop zoals De Leede in zijn artikel min of meer bepleit in relatie tot een in de kerk benoemde kwaliteitscommissie?
Hier liggen de nodige vragen, maar overeind blijft staan dat predikanten er op aangesproken moeten kunnen worden dat ze kwaliteit leveren in prediking en pastoraat. Verplichte permanente educatie kan hierbij een belangrijk instrument zijn. Het periodieke studieverlof is te vrijblijvend en levert daarom bij een deel van de predikanten te weinig concreets op. De inhoudelijke kant van dit verlof wordt ook nauwelijks gecontroleerd. Je krijgt niet zomaar vrij om op kosten van de zaak een paar leuke dingen te doen.
Herder of knecht
Het themanummer kent ook een bijdrage van drs. P.L. de Jong. Zijn invalshoek is meer een waarschuwing tegen een al te grote verzakelijking van het ambt. Hij vindt dat we in de kerk door de grote aandacht voor de beroepskant van de predikant veel aan het verliezen zijn. Hij bepleit een blijvend besef van de roeping tot het ambt.
Dat kun je ook niet opdelen in uren dat je in functie bent en niet bent. Kort door de bocht zou je het kunnen samenvatten met de vraag: ben je een herder of ben je een gehuurde kracht? Een herder is 24 uur per dag herder, net als een boer altijd bezig is met boer-zijn. Een gehuurde kracht is iemand die voor een bepaald aantal uren betaald wordt en in die tijd zich zo goed mogelijk inzet. Maar daarna laat hij de zaak los en gaat hij naar huis. In zekere zin ben je als herder er constant mee bezig . Natuurlijk niet letterlijk.
Als herder hoef je niet elk kwartier te tellen. Elke twee à drie uur is genoeg. Heb je ze nog en zie je ze nog? Sommige schapen hebben extra aandacht nodig, voor een enkeling moet je wel eens alles even achter je laten. Maar allen hebben vooral nodig dat ze te eten en te drinken krijgen. Daarvoor moet je de Bijbel goed kennen, maar ook weten waar de schapen lopen. Herder-zijn sluit zo direct aan bij bijzondere roeping. Het is veel meer dan een functie in de kerk. In de kerk wordt het predikantschap echter steeds meer als een baan ervaren door de steeds meer zakelijke benadering van het 'mooie' beroep, inclusief zo of zoveel uur per week, vakantiedagen, atv. Volgens mij gaat hiermee het klassieke ambt zoals we dat eeuwen lang gekend hebben en zoals dat nog steeds in de wereldkerk heel basic is, verloren. Daarbij gaat het om een totale toewijding. Dat hoeft niet te betekenen dat je constant beschikbaar bent, wel aanspreekbaar. Het hoort bij je professionaliteit als herder dat je niet alle dagen en alle uren bezig bent.
Hij haalt de bekende woorden van ds. L. Kievit aan die eens zei: Je trekt geen spoor door schoenzolen te verslijten. Neem tijd voor je preek. Waarop ds. De Jong reageert:
Maar om een goede preek te maken, moet je toch minstens één avond met jongelui bezig zijn (catechisatie), bij minstens één tobber even gezeten hebben en bij één mens in de modder, ogen en oren goed open en de Woorden van God hen op maat toedienend.
Dus toch wel een beetje schoenzolen verslijten, zou ik zeggen.
De gemeente aan wie je het evangelie mag verkondigen, bestaat uit concrete mensen met hun vragen en zorgen. Mij werd vroeger soms voorgehouden: Je moet als dominee weten waar de kudde gelegerd is. Tale Kanaäns voor: hoe is de geestelijke situatie van je gemeente? Een uitdrukking die zijn wortels heeft in het Hooglied (1:7). Daar staat overigens wat anders: De Bruid vraagt op zoek naar haar Bruidegom waar Hij zijn kudde heeft gelegerd. Ze wil wezen waar Hij en Zijn kudde zijn.
Conclusie: Verkondiging en pastoraat zijn niet van elkaar los te koppelen. Het blijft een wonder ambt en onze God verricht er nog altijd grote wonderen door. Laten we dat blijven vasthouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 2007
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 augustus 2007
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's