De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kracht van de gewoonte

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kracht van de gewoonte

VOLHARDEN VANDAAG [1]

7 minuten leestijd

Het is waar dat de secularisatie als de grote los-van-God-beweging terrein wint. Maar doen we eigenlijk niet te veel alsof daartegen geen enkel verweer mogelijk zou zijn?

In pastorale gesprekken valt op hoe de dienst van God meer en meer naar de marge van het leven dreigt te verschuiven. De secularisatie laat zich ook in relatief trouwe gemeenten gelden. De zondagsviering staat onder druk. De tere plant van de verborgen omgang met de Heere wordt 'zomaar' overwoekerd. Langzaam maar zeker neemt de kerkelijke meelevendheid in tal van gemeenten af. Voor wat betreft de tweede dienst gaat het soms zelfs heel hard, alsof iets in een stroomversnelling raakte.
Toch is dat geen gegeven waar we ons bij neer moeten leggen. Ik denk aan een citaat van prof.dr. G. van den Brink, dat me raakte: "Volhardend 'nee' zeggen tegen de machten die ons van Christus losweken is nu eenmaal niet eenvoudig. Maar het is wel de moeite waard. En het is mogelijk. De secularisatie is niet, zoals zo vaak gesuggereerd wordt, een noodlot dat ons vroeg of laat allemaal treft. Er is volharding mogelijk. Maar dan moet het ons daar wel echt om te doen zijn."

Barnabas' vermaning
De Heilige Geest leert en doet volharden (Hand. 2:42). Maar de gave van de volharding is ook en tegelijk opgave, roeping. Zo lezen we in Handelingen 11:23 bijvoorbeeld hoe Barnabas de jonge gelovigen in Antiochië vermaant 'dat zij met een voornemen des harten bij de Heere zouden blijven'. Ik meen dat we momenteel juist op dit punt worden beproefd en getest.
Van collega's hoor ik dat ze het benadrukken van noties als trouw en discipline ervaren als ploegen op rotsen. Zien we de noodzaak er niet van in? Is volhouden ons in feite te veel gevraagd? Botst het te zeer met de geest van de tijd? Of weten we misschien te weinig hoe je dat dan doet en worden we de zegen die de Heere eraan wil verbinden niet echt gewaar?

Gevaarlijk woordje
Als aanstaand predikant kreeg ik tijdens mijn opleiding aan het seminarie Hydepark de aansporing om vooral alert te zijn op wat de docent het gevaarlijke woordje 'nog' noemde. Het ging over het pastoraat aan chronisch zieken en ouderen. Hoe gauw je geneigd bent om vragen te stellen of opmerkingen te maken die de ander juist vanwege het woordje 'nog' nu niet bepaald opbeurend in de oren klinken: 'U woont nog zelfstandig?' Of: 'Ik zie u nog regelmatig in de kerk.' Onbedoeld roep je zo de gedachte op: 'Nóg wel, ja', en 'De dominee verwachtte dat het al anders zou zijn'.
Precies dat woordje 'nog' vang ik de laatste jaren steeds vaker op als het om het kerkelijk leven gaat. Je hoort bijvoorbeeld als gastpredikant in de consistorie zeggen: 'Er is hier nog een grote jeugdvereniging.' Of: 'Bij ons is ook de avonddienst gelukkig nog redelijk bezet.' 'Wij kampen nog niet met onvervulbare vacatures in de kerkenraad.' Dertig, veertig jaar geleden hoorde je dat zo niet zeggen. We wisten toen wel dat het met name in de grote steden en in minder rechtzinnige gemeenten vaak anders was. Het kerkelijk leven kalfde daar af. De symptomen ervan logen er niet om. Maar doorgaans gingen we er stilzwijgend van uit dat daarvan onder ons geen sprake was. Nu zeggen we: 'Nog niet.' We zijn - enkele uitzonderingen daargelaten - de 'schijnbare vanzelfsprekendheid' voorbij. Duidt het woordje 'nog' dus verwondering aan? Dankbare verwondering over Gods genade, die we ook met het oog op het kerkelijk leven altijd wel beleden, maar waarvoor ons de ogen opnieuw moesten worden geopend? Dat kan. Soms hoor je dat ook heel duidelijk doorklinken.
Maar ik meen toch vaker een ondertoon van 'nog wel, ja' te horen. In de zin van: je kunt erop wachten dat het ook onder ons anders wordt. Of ook: 'Geef je oren en ogen maar eens goed de kost, dan merk je hoe voorboden van wat zich elders voltrok aan teloorgang zich ook hier al aandien(d)en.' Daar klinkt behalve pijn en verdriet ook een zeker fatalisme in door. We ervaren de voortgaande secularisatie als een soort noodlot.
De vraag dringt zich zelfs aan ons op of zich daarin ook niet iets van een oordeel voltrekt. Een oordeel, waarvan we niet kunnen zeggen dat het onverdiend zou zijn. Dat is een diepe vraag, die ons alle kerkelijke en geestelijke hoogmoed ontneemt. Die tot verootmoediging leidt. En dat is heilzaam en goed, hoe pijnlijk ook.

'Leer me lezen'
Maar laten we niet menen dat er dus geen volharding (meer) mogelijk zou zijn. Laat het ons om deze volharding in de weg van bekering en geloof juist te doen zijn. Biddend, smekend, pleitend op Gods trouwverbond. Maar ook en niet minder: werkend, dienend en elkaar bemoedigend. Er mag immers ook nu wel terdege worden ervaren dat de HEERE de trouw houdt en ons nieuwe blijken van Zijn gunst geeft.
Ik denk dan concreet aan het HGJB-project 'Leer Me Lezen'. Aan de positieve ervaringen die er zowel elders als bij ons in Oudewater­ Hekendorp mee werden opgedaan. Mag dat niet dankbaar doen belijden wat Psalm 67 zingt: 'God is ons genegen, onze God geeft zegen'? Ik denk ook aan intensieve pastorale contacten, aan den openhartige kringgesprekken en doelgerichte evangelisatieactiviteiten, die jongeren en ouderen als zegenrijk ervaren.

Gewoonte
Het heeft goede zin om bij volharding ook te denken aan gewoontevorming. Ik wil dit graag verduidelijken door de kerkgang als voorbeeld te nemen.
Van de Heere Jezus lezen we in Lukas 4:16: 'En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op de dag van de sabbat in de synagoge.' In Nazareth was de Heiland weliswaar niet geboren, maar wel getogen. Hij was er opgevoed, vermeldt de evangelist, vooruitlopend op wat in de verzen 22-30 wordt beschreven. Maar deze vermelding wordt om te beginnen heel direct in verband gebracht met Jezus' gewoonte om op de sabbat naar de synagoge te gaan.
Mogen we hier spreken van een innerlijke samenhang tussen de opvoeding enerzijds en deze gewoontevorming anderzijds? In elk geval, opvoeding - ook godsdienstige opvoeding - kan niet zonder gewoontevorming.
Er valt uiteraard veel meer van te zeggen, maar zeker ook dit. Vooral nu de gewoontegetrouwheid niet bepaald hoge ogen gooit. Ik moet denken aan wat prof.dr. A.A. van Ruler schreef in zijn boek Waarom zou ik naar de kerk gaan? Een citaat: 'De gewoonte bevrijdt ons van de verschrikkelijke noodzakelijkheid om elke keer, elk moment weer te moeten beslissen. Een mens moet het zich niet moeilijker maken dan nodig is (...). Dat wil zeggen: soms, dikwijls zelfs, moet het wél; dan moet de mens een knoop doorhakken en daarvoor is hij dan ten volle verantwoordelijk. Maar het hoeft lang niet altijd. Een mens kan zich ook vaste gewoonten aanmeten. Er worden plooien in het leven gestreken. Als die er eenmaal goed inzitten, gaan ze er niet zo gauw weer uit. De stijl blijft er in (...). Zo op zondag. Gaan we naar de kerk of gaan we niet? Wel, dat is helemaal geen vraag: het is zondag, dus gaan we vanzelfsprekend naar de kerk.'

Persoonlijk betrokken
Vanzelfsprekend ja, want gewoontegetrouw. Ik weet wel, gewoontegetrouwheid doet al gauw aan saaiheid, verveling en sleur denken. En wat waar is, is waar: de macht der gewoonte kan de verrassende frisheid als een grauwsluier toedekken. Het is allemaal zo akelig voorspelbaar geworden. Maar dat is maar één kant van de medaille. Er is ook de andere, uiterst waardevolle kant van het inslijten. Het hangt niet nu eens van dit en dan weer van dat af. We blijven bewaard voor wispelturigheid, slordigheid en nalatigheid.
Let wel, we lezen niet dat de Heere Jezus 'uit gewoonte' naar de synagoge ging. Hij ging, 'naar Zijn gewoonte', op de dag van de sabbat in de synagoge. Het was Zijn gewoonte geworden. Hij had zich deze gewoonte eigen gemaakt.
Lukas onderstreept dit door gebruik te maken van een bepaalde werkwoordsvorm, waardoor de nadruk in plaats van op het algemeen geldende (de vaste gewoonte om op de sabbat naar de synagoge te gaan) juist op de persoonlijke betrokkenheid komt te liggen. Zo hoeven we gewoonte en bijvoorbeeld behoefte niet tegen elkaar uit te spelen. Er is juist sprake van een heilzame, diep doorleefde, samenhang.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De kracht van de gewoonte

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 september 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's