De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In de lijn van de oudvaders

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In de lijn van de oudvaders

Honderd jaar Gereformeerde Gemeenten

12 minuten leestijd

Uit een samengaan van de Gereformeerde Gemeenten onder t kruis en de Gereformeerde Gemeenten van ds. L.G.C. Ledeboer ontstonden in 1907 de Gereformeerde Gemeenten, in de reformatorische zuil sterk aanwezig. In menselijk opzicht was de latere SGP-leider ds. G.H. Kersten hiervan de architect. Waarin zijn hervormden en leden van de Gereformeerde Gemeenten elkaar de afgelopen eeuw tot steun of tot last geweest?

Ds. M. Golverdingen uit Boskoop, eerst jeugdwerkadviseur en sinds 1979 predikant binnen de Gereformeerde Gemeenten, houdt zich al jaren bezig met de geschiedenis van zijn eigen kerkverband. Betrokkenheid op de Hervormde Kerk is hem daarbij niet vreemd.

Is honderd jaar Gereformeerde Gemeenten reden tot dankbaarheid?
‘Ja, dankbaarheid in ootmoed. Geschiedenis verootmoedigt ook. De vereniging van 1907 werd vooral gedragen door de overtuiging dat de gebrokenheid van Gods kinderen zonde was tegenover God. Dat lees je bij ds. N.H. Beversluis, naast ds. Kersten het meest betrokken bij ‘1907’. Je vindt dit ook in de bepalingen van de vereniging: ze betreffen de openbaring van de institutaire eenheid van de kerk van Christus. Die ontwikkeling is des te boeiender, omdat zowel kruisgezinden als ledeboerianen onder invloed van de ‘gezelschappelijkheid’ een sterke neiging tot versplintering hadden. In 1907 breekt men met die neiging en ontstaat er een scherper zicht op de kerk. Men wilde in prediking en kerkregering de lijnen doortrekken van de oudvaders, waarbij men in de leesdiensten en de leesgezelschappen altijd had geleefd.’

Ging het alleen om de gebrokenheid van Gods kínderen?
‘Nee, ik had ook de gebrokenheid van de kerk kunnen zeggen. Tweede reden tot dankbaarheid is dat je Gods goedheid en genade mag opmerken, omdat God in de kerk werkte en werkt. Met name de jaren dertig zijn een periode van geestelijke bloei geweest, die grote aantrekkingskracht heeft gehad. Veel hervormden zijn toen lid van de Gereformeerde Gemeenten geworden, onder andere de ouders van mijn vrouw en van mij. In de prediking zaten toen elementen die sterk aanspraken. Velen konden een goed getuigenis geven over het leven met Christus. Vandaag ligt er meer matheid over het geestelijke leven, al is het er beslist.
Het aantal predikanten was in de jaren dertig heel gering, een man of veertien. Ondanks de vele leesdiensten groeiden de gemeenten. Ik verklaar dit vooral uit een krachtige werking van de Heilige Geest, al noem ik het geen opwekking. De reden van die bloei? ‘Da’s heel eenvoudig, er werden veel mensen bekeerd’, zei de Rotterdamse ouderling A. van Bochove me ooit. Relatief velen kwamen tot zekerheid des geloofs.
In Rotterdam was er ooit de firma Hage, die kleding verkocht. Als je er kwam, waren er altijd wel enkele mensen die op een bankje in de zaak over het geestelijk leven spraken. Je mag Gods werk nu zeker niet ontkennen, maar je moet ook erkennen dat er sprake is van een verschraling, ook in de Gereformeerde Gemeenten.
Vroeger waren er in de kerkenraden na de dienst ook meer diepgaande gesprekken over de preek, waarbij ouderlingen als het ware nog even met je meepreekten. Ik heb daar veel van geleerd.’

Isolement
Waarom is deze geestelijke bloei afgenomen?
‘De Gereformeerde Gemeenten zijn opener geworden. De openlegging van het platteland, het opdringen van het moderne uitgaansleven, de sterk toegenomen welvaart, het recreatiepatroon in de dorpen maakten dat het praktisch materialisme een grote factor geworden is. Daarmee kunnen we de Heilige Geest zo gemakkelijk bedroeven. Dan wijkt de reuk van Christus. Ook kerkelijke conflicten zoals in de jaren vijftig van de vorige eeuw doen grote afbreuk aan het geestelijke leven. Daarom een herdenken in ootmoed, omdat er ook onder ons veel is wat zorg geeft.’

Ziet u de verzuiling ook als oorzaak, het zich opsluiten in eigen organisaties?
‘Er zitten ongetwijfeld schaduwzijden aan de verzuiling van de jaren zestig. Deze verzuiling is door onze gemeenten nooit gezocht. Er was geen Kuyperiaans programma. De ene zuil is de andere niet. Het ging eenvoudig om de begeerte om te blijven leven bij het oude gereformeerde erfgoed. In de aanloop ernaar waren er reële punten in het geding: een omslag in het christelijk onderwijs, de onherkenbare verandering van de Gereformeerde Kerken, de invloed van de evolutieleer, de sterk seculariserende pers, de seksuele revolutie. Het ging om herbedijking of uiteenvallen en ondergaan. Een zekere mate van verzuiling kan een zegen zijn en bijvoorbeeld jongeren middellijkerwijs bij het Woord bewaren. Verzuiling wordt een gevaar voor het geestelijke leven als we het eigen ‘zuiltje’ gaan verheerlijken.’

Toen ds. W. Visscher hierover recent in uw kerkelijk weekblad de Saambinder schreef, keek hij ook kritisch naar de (eigen) prediking. Terecht?
‘Ik wil geen algemeen oordeel uitspreken over een genuanceerde zaak. Vergelijken tussen toen en nu in enkele woorden lijkt me moeilijk. Maar er zit wel een kern van waarheid in. De bekende ds. J. Fraanje, die van l918 tot 1948 in Barneveld stond, was een eenvoudige man. Homiletisch en exegetisch was er op zijn preken zeker wat af te dingen, maar hij straalde iets van de authentieke verkondiging van het Evangelie uit. Om Barneveld heen ontstond een hele kring van nieuwe gemeenten! De verlorenheid van de mens, de noodzaak van de wedergeboorte, het aanbod van de genade werden op een bewogen, hartelijke wijze aan het hart van de onbekeerden gelegd. De rijkdom van Christus werd uitgestald. Het werk van de Geest van Christus in het hart van Gods kinderen werd verkondigd. Dat hebben we ook vandaag nodig.’

Datheen zingen
Wat waren ledeboerianen en kruisgezinden voor mensen?
‘Bij de Ledeboerianen waren veel mensen die geestelijk leven kenden. Ze hechtten in het algemeen ook grote waarde aan allerlei middelmatige tradities. Kruisgezinden kenden ook geestelijk leven – er waren onder hen zeker zoveel gezelschappen – maar ze kenden een betere vorm van opleiding. Ze beschikten over meer predikanten. Verschil in opvatting over de leer heb ik nooit gevonden. Als stromingen zijn ze in de huidige Gereformeerde Gemeenten niet herkenbaar meer.
Als je over de karakteristieken van de Ledeboerianen spreekt, die zijn evenmin meer aanwezig. Er zijn nog vier Zeeuwse gemeenten die zondags de psalmen van Datheen zingen en er zijn twee classes die uit respect voor het verleden ook de psalmberijming van Datheen zingen: Tholen en Ridderkerk.’

Ben je nu ledeboeriaan als je de Gereformeerde Gemeenten als een noodverband ziet en heimwee naar de Hervormde Kerk houdt?
‘Ja, dat was voor de ledeboerianen tekenend, maar ook voor ds. Kersten. Het was een heimwee naar het herstel, naar de herleving van het gereformeerd belijden. Er zijn bij geen enkele predikant zoveel uitspraken te vinden die blijk geven van betrokkenheid op de Hervormde Kerk als bij G.H. Kersten. Hij had ‘de grootste belangstelling’ voor de gereformeerde beweging in de Hervormde Kerk. Van een verandering in de Hervormde Kerk, waarbij het gereformeerde beginsel krachtig zou worden, verwachtte hij de eenwording van de kerk in Nederland. Dat is nogal wat! Maar dat ledeboeriaanse verlangen is niet uitgekomen.’

Ik hoor in uw kerken wel dat u ‘de laatste ledeboeriaan’ bent …
‘Ik onderstreep altijd dat we meer zicht op het geheel van de kerk moeten hebben. Als de gebrokenheid van Sion in ons land niet meer schrijnt in het hart, zijn we niet op onze plaats. Dan dreigt het gevaar van zelfgenoegzaamheid en kerkisme. Dat kunnen we van ds. Ledeboer leren. De laatste ledeboeriaan? Dat komt wellicht omdat ik het een en ander over de geschiedenis van de Gereformeerde Gemeenten heb gepubliceerd en mij in visie op de kerk aan Ledeboer en Kersten verwant weet. Maar dat laatste geldt bepaald ook voor anderen.’

Katholiek gereformeerd
Er wordt nogal eens gesproken over ‘het theologisch eigene’ van de Gereformeerde Gemeenten. Mag je dat wel zeggen van een kerkverband?
‘De uitdrukking is ontleend aan de titel van een opstel van ds. A. Vergunst uit 1977. Als hij daarover spreekt, kadert hij dit geheel in binnen de katholiciteit! ‘We willen gereformeerd zijn in de klassieke betekenis van het woord, in leer, leven en kerkregering, niet meer en niet minder.’ Binnen dát kader maakt hij dan een aantal opmerkingen over het eigene van de Gereformeerde Gemeenten, maar zo eigen is dat ook weer niet. Het gaat om kenmerken van de Nadere Reformatie, die onze gemeenten sterk heeft beïnvloed. Je vindt ze ook in andere kerken. Het begrip ‘het theologisch eigene’ is teveel een eigen leven gaan leiden. Ik deel de lijn van ds. Vergunst.
Katholiciteit houdt in dat je je sterk verbonden weet met de Reformatie en de Nadere Reformatie. Het is niet moeilijk om aan te tonen dat daar onze wortels liggen.’

In 1986 zei dr. C.S.L. Janse in een stelling bij zijn proefschrift: ‘Toch doen de Gereformeerde Gemeenten er goed aan – ook al gezien de omvangrijke verliezen naar de Nederlandse Hervormde Kerk – om hun fundamentele bezwaren tegen (de gang van zaken in) deze kerk en de redenen van hun gescheiden optrekken, bij de voortduur in eigen kring duidelijk te maken.’ Hoe waardeert u die stelling nu, twintig jaar later?
‘Tot mijn verdriet – en het is ook uw verdriet – heeft de scheuring in 2004 door de kwestie van de grondslag ons verder van de hervormden afgebracht.’

In onze waardering van mogelijke kerkelijke eenheid wel, maar de afgelopen decennia was er in de praktijk toch al veel minder contact dan dertig, veertig jaar geleden?
‘Ik kom daar nog op terug. De stelling van Janse zou ik voor de situatie van vandaag iets willen nuanceren. Wij zullen in catechese en voorlichting het huidige karakter van de Protestantse Kerk af en toe benoemen, om de eenvoudige reden dat je door kerkelijke overgangen tot verantwoording wordt geroepen. Ik spreek met de belijdeniscatechisanten heel duidelijk mijn bezwaren tegen de grondslag en ook tegen de opbouw van deze kerk. We moeten in de Gereformeerde Gemeenten echter onze kracht niet zoeken in het zich afzetten tegen de Protestantse Kerk, maar in de getrouwheid in de prediking en het leven bij de gereformeerde belijdenis. Er is alle reden om ons te verootmoedigen als we op onze eigen zonden en gebreken zien.’

Ds. I. Kievit
Kunt u benoemen wat de Gereformeerde Gemeenten in deze honderd jaar uit hervormde kring ontvangen hebben?
‘Ik denk dat wij vooral geboeid zijn door de erfenis van ds. I. Kievit inzake verbond en prediking. Publicaties van Kievit als Tweeërlei kinderen des verbonds zijn goed ontvangen en hebben bijgedragen aan de samenwerking na de oorlog, bijvoorbeeld in het reformatorisch onderwijs. Ik denk niet dat dit laatste zonder Kievit mogelijk geweest was. Op de Theologische School zei mijn leermeester ds. A. Vergunst: ‘Je leest Kersten en je leest Kievit erbij.’ Ook de zeer uitvoerige catechismusverklaring van ds. J. van Sliedregt wordt in de studeerkamer van de predikanten vaak gebruikt.’

Bent u ook op het wetenschappelijke vlak schatplichtig aan hervormden, bijvoorbeeld het werk van prof.dr. S. van der Linde en prof.dr. Graafland, of in de bezinning rond Israël?
‘Bij Van der Linde is het oeuvre wat opstelmatig gebleven, waardoor de doorwerking van Graafland groter is. Ik heb Graaflands boeken als standaardwerken ervaren. Je kunt niet aan theologiegeschiedenis doen, zonder bij Graafland terecht te komen. Zo is de analyse die hij van de theologie van Kievit geeft zondermeer knap.
De bezinning op Israël binnen de Gereformeerde Gemeenten kreeg voor het eerst gestalte op de Generale Snode van 1992, toen een uitvoerig rapport over de Evangelieverkondiging aan Israël werd aanvaard. Ds. R. Boogaard heeft bij deze ontwikkeling een sterk stimulerende betekenis gehad. Maar, weer met een beroep op oude schrijvers. Ik vermoed verder dat er lijnen lopen naar de christelijke gereformeerde predikant P. den Butter en de hervormde ds. E.F. Vergunst.’

Waarin zijn de Gereformeerde Gemeenten voor hervormden tot zegen geweest?
‘Ik denk dat de schriftuurlijkbevindelijke prediking van de Gereformeerde Gemeenten binnen de Bond een bepaalde invloed heeft gehad. Denk aan predikanten als D.J. Budding, J.R. Volk en P. Molenaar. Ik sluit niet uit dat zij en anderen zich ook op auteurs uit onze kerk hebben georiënteerd. In de jaren zestig en daarna hebben de Gereformeerde Gemeenten grote invloed uitgeoefend op hervormde kringen bij de keuze voor het reformatorisch onderwijs. De hervormd-gereformeerden volgden daarbij de Gereformeerde Gemeenten, die meestal het initiatief namen.’

Dr. J.G. Woelderink
Signaleert u ook dat de samenwerking van de Gereformeerde Gemeenten met de Gereformeerde Bond minder geworden is?
‘Dat vind ik een pijnlijk moment in ons gesprek. Waar die samenwerking is, wordt die door ons gehandhaafd. Wel zie ik een geruisloze vergroting van de afstand met een aanzienlijk deel van de Bond. Het zou wel eens kunnen zijn dat de toenemende waardering voor de verbondsvisie van dr. Woelderink in bondskringen het beginpunt is geweest van die verwijdering. De honorering van sommige van zijn inzichten maken wij niet mee. Daar komt bij dat in hervormde gemeenten soms zo verbondsmatig gepreekt wordt dat je je afvraagt: Moeten hier nog wel mensen bekeerd worden? Hierin wil ik uiteraard niet generaliseren.
Dan is er bij veel bonders meer kritiek gekomen op de leeruitspraken van 1931. Deze dogmatische verduidelijking is echter bij negentig procent van de oude schrijvers terug te vinden. We constateren met pijn dat het bevindelijke element in de prediking bij veel bonders is afgenomen.’

Los van de vraag of deze analyse van u waar is: u legt de oorzaak voor het uiteengroeien geheel bij de hervormd-gereformeerden?
‘Zeker niet, in mijn kerkverband is sinds het begin van de jaren tachtig een toegenomen neiging aanwezig om voor een zeker isolement te kiezen. Ik verklaar dat vooral als een reactie op de sterk toegenomen secularisatie in de samenleving. Daarbij is het gevaar aanwezig dat we het gereformeerde karakter van de hervormd-gereformeerde beweging in de Protestantse Kerk onvoldoende waarderen.’

Waar ligt uw hoop voor de kerk in een tijd van secularisatie, die we samen beleven?
‘Houvast is er slechts in de Koning van de kerk. Het welbehagen van God zal door de hand van Christus ook gelukkig voortgaan in een ontkerstende maatschappij.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

In de lijn van de oudvaders

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's