De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eén bos, veel bladeren

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eén bos, veel bladeren

Omgaan met verschillen in de gemeente [ 1 ]

9 minuten leestijd

In een tijdsbestek van enkele decennia is de verscheidenheid in Gereformeerde Bondsgemeenten drastisch toegenomen. Een verscheidenheid die hier en daar zelfs naar polarisatie neigt. Hoe daar mee om te gaan?

Toen mijn echtgenote en ik 35 jaar geleden als jong predikantsechtpaar de pastorie van Tholen betrokken, troffen we daar een gemeente aan met betrekkelijk weinig verscheidenheid. Uiteraard waren er wel verschillen in karakter en geestelijke ligging, maar was er nauwelijks verschil van mening over kerkgang en liturgie, kleding en zondagsviering, prediking en bijbelvertaling, kinderdoop en charismata. Kom daar vandaag eens om.
Diverse factoren hebben er aanleiding toe gegeven dat de verscheidenheid in Gereformeerde Bondsgemeenten, waartoe ik me beperk, is gegroeid. Ik denk aan de toegenomen mondigheid onder invloed van de moderne communicatiemiddelen en aan de macht van het individualisme (waarbij niet de vraag naar wat ik voor ánderen in de gemeente kan betekenen centraal staat, maar de vraag waar ík me thuis voel en aan mijn trekken kom). Een factor die ongetwijfeld ook een rol speelt, is de uitstraling die uitgaat van wat ik de evangelicale beweging noem, die in het gros van onze gemeenten merkbaar is. Bijna zou je zeggen: zoveel hoofden, zoveel zinnen.

Primaire opdracht
Voor kerkenraden is het vaak een zware opgave om in deze veelheid van wensen en ideeën de koers te bepalen en de eenheid van de gemeente in het oog te houden. En juist dat behoort tot de primaire opdracht van het ambtelijke werk. Hoe gaan we om met de verschillen die zich in de gemeente voordoen? Ik wil enkele grondlijnen uitzetten.
Bij wijze van handreiking probeer ik een kleine schets te bieden van de bijbelse, met name nieuwtestamentische samenhang van de eenheid en de verscheidenheid in de christelijke gemeente. Ik hoop dat het als uitgangspunt kan dienen voor de ambtelijke beleidsvoering, waarin kerkenraden zelf in wijsheid en goed overleg de beslissingen moet nemen.
Ik wil ingaan op de eenheid van de gemeente, op haar verscheidenheid, en op de samenhang van die twee.

De kerk is één
De Bijbel laat er geen enkel misverstand over bestaan dat de kerk één is. Ze is de ene moeder, de ene kudde, de ene bruid, het ene lichaam. Vooral dit laatste beeld is voor ons thema veelbetekenend. Paulus gebruikt deze beeldspraak van het lichaam onder andere om er de eenheid van de gemeente mee te onderstrepen.
Zoals een lichaam weliswaar vele ledematen heeft, maar toch één organisme is en één hoofd heeft, zo bestaat de gemeente wel uit een veelvoud van leden, maar vormt ze toch één enkelvoudig geheel. Deze eenheid betreft alle geografisch verspreide gemeenten in alle geslachten, tijden, talen en kleuren (dit aspect van de ene wereldwijde catholica valt buiten het kader van dit thema), maar geldt ook van elke plaatselijke (wijk)gemeente. Het is een eenheid van geheel eigen orde en origine en ze is zonder meer verbazingwekkend. Ze is niet gegrond in psychologische of in sociologische factoren, maar heeft een theologische grond. Ik bedoel dit. De kerk is geen vereniging van onderop, gesticht door gelijkgezinden, geen corporatie van mensen met dezelfde belangen of belangstelling.
Zo ligt dat gewoonlijk wel met seculiere organisaties. Vakgenoten vormden al van oude tijden een eigen genootschap, een gilde geheten, waarin collega’s zich verenigden. Tot in onze tijd heb je allerlei clubs en groepen van mensen die zich bij elkaar aansluiten omdat ze hetzelfde beroep uitoefenen, dezelfde belangen nastreven of dezelfde interesse koesteren. Van vakbonden tot postzegelclubs.

Arts en bouwvakker
Christus’ gemeente berust niet op het initiatief van dat soort bondgenoten. Ze bestaat wel uit soortgenoten, maar deze gelijksoortigheid betreft het feit dat ze allemaal mensen, Adamskinderen zijn, zondaren van één lap gescheurd.
Maar verder behoren ze tot de meest uiteenlopende categorieën: vissers en veehouders, artsen en bouwvakkers, vrouwen en mannen, kinderen en grijsaards.
Allemaal mensen die elkaar niet hebben gezocht, maar door Gód zijn gezocht en door Christus gekocht. In de nieuwtestamentische gemeente zaten ze allemaal door elkaar en bij elkaar: slaven en vrijen, joden en heidenen, intellectuelen en ongeletterden. En samen vormden ze één lichaam. Niet omdat ze het eens geworden waren, maar omdat ze één geworden waren: één gemaakt door de ene God, het ene evangelie, de ene doop, de ene Geest, onder het ene Hoofd Jezus Christus.
En zo is het nog. De eenheid van de gemeente heeft een unieke bron en basis: Christus, Die uit de veelkleurige schare mensen, uit het ganse menselijke geslacht, door Woord en Geest zich een gemeente vergadert (een ekklesia), weggeroepen uit de dood en ten eeuwigen leven verkoren, zoals de Heidelbergse Catechismus het formuleert. Eén lichaam is het, zegt Efeze 4, één Geest, één hoop, één Heere, één geloof, één doop, één God en Vader. Het is die God en Vader, Wiens eenheid Israël van oude tijden was ingescherpt: ‘Hoor, Israël, de HEERE, onze God, is een enig HEERE’ (Deut. 6:4; vgl. Mark. 12:29).

Bewaren
Het is goed er eens extra nota van te nemen dat al deze eenheidscheppende factoren om zo te zeggen objectief van aard zijn. Paulus zegt tegen de Efeziërs niet: Jullie zijn één doordat je allemaal dezelfde keuze hebben gemaakt, eenzelfde geloofskracht bezitten, eenzelfde inzet vertonen, eenzelfde geloofsbeleving uitstralen. Hij zegt: Jullie zijn één in die ene Heere, de ene Geest, de ene doop en dat ene geloofsgoed dat in het evangelie wordt verkondigd. De eenheid hangt dus niet af van onze gemeenschappelijke vroomheid en ervaring (hoe rijk en onmisbaar die ook zijn), maar van Gods genadebetoon in Christus.
Vandaar dat de apostel ons niet adviseert, laat staan commandeert, om die eenheid te máken en te organiseren, maar haar te bewaren! En wat je moet bewaren, ís er natuurlijk al. De eenheid van de gemeente is dus niet in eerste instantie een opgave, maar principieel en fundamenteel Gods gave. Ze ligt verankerd in dat ontroerende gebed van onze Hogepriester: ‘Opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn’ (Joh. 17:21).
Dit hogepriesterlijk gebed kan ons diep raken. Realiseren we ons: aan de vooravond van Zijn bittere kruisdood buigt de Heere Jezus Zich priesterlijk over Zijn gemeente en richt Hij Zich biddend tot Zijn Vader om een eenheid van Hem af te smeken waarin de eenheid van Vader en Zoon zich weerspiegelt! Wie dit tere geheim tot zich laat doordringen, begint te beseffen hoe kostbaar deze eenheid is en hoe duur zij is verworven. Het is een eenheid en gemeenschap die alle verschillen overstijgt en relativeert. Maar die verschillen zíjn er wel. Dat zien we in ons tweede punt.

Verscheidenheid nodig
Toen wij deze zomer in de Zwitserse Alpen door de bergen en de bossen trokken, viel het me in één keer weer op: geen enkele berg is identiek aan de andere, geen enkele boom een kopie van de andere, en geen van de miljoenen bladeren is hetzelfde. Zo geldt dat ook van de miljarden mensen in het algemeen, en evenzeer van de honderden of tientallen individuen in de gemeente. Zoals een bos één is maar veelvormig en veelkleurig in verscheidenheid, zo ligt het ook in de gemeente. Wat dat betreft laat het rijk van de schepping duidelijk zijn afdruk na in het rijk van de genade.
Pluriform (veelvormig) zijn Gods werken, zowel in schepping als in herschepping.
Paulus illustreert deze pluriformiteit in 1 Korinthe 12 met het beeld van de leden aan het lichaam. Er is een hand en er is een voet, er is een oog en een oor. Stel je voor dat het hele lichaam bestond uit een oor. Je zou geen hand voor ogen zien. En andersom: je zou geen woord of klank vernemen. Juist in die veelvormigheid en verscheidenheid komt de eenheid van het lichaam tot zijn recht. De leden hebben elkaar nodig om als lichaam te kunnen functioneren. En, zo tekent Paulus met nadruk aan, juist de leden die de zwakste zijn, die zijn nodig. Geen van alle lichaamsdelen kan het andere missen.
Dringt de bedoeling van deze op zichzelf evidente vergelijking tot ons door? De draagwijdte is groot. Want dat betekent niets minder dan het feit dat de verscheidenheid wezenlijk en onontbeerlijk is voor de eenheid. Het een kan niet zonder het ander. Onderscheidenheid en ongescheidenheid zijn onlosmakelijk op elkaar betrokken (waarover later meer).

Meer of minder
Intussen dient zich hier wel een aantal vragen aan.
De eerste kwestie is deze: waar heeft de apostel nu concreet aan gedacht bij die verscheidenheid? Ik denk om te beginnen gewoon aan het sociale verschil tussen rijk en arm, vrijen en slaven, mannen en vrouwen. In maatschappelijk opzicht waren de slaven afhankelijk van de vrijen.
Maar in kerkelijk, geestelijk opzicht zijn werkgevers en werknemers wederkerig op elkaar aangewezen en heeft geen enkele categorie een streepje voor op de andere. Of het moest zijn dat Gods voorkeur nu juist uitgaat naar het onedele en verachte, naar hetgeen niets is, zoals Paulus in het begin van dezelfde brief al onderstreept. Maar onderling zijn allen gelijkwaardig.
Verder zal Paulus gedacht hebben aan het onderscheid van jodenchristenen en heidenchristenen. Hoe verscheiden ook van afkomst, in Christus is geen onderscheid. Allemaal even arm en genadebehoeftig, allemaal even rijk begenadigd.
En ten slotte zal de apostel vooral ook het oog hebben gehad op de verscheidenheid in ambten en genadegaven waarmee de Heere zijn gemeente bedeelde: apostelen, profeten, helpers, leraars en mensen met de gaven van genezing, tongentaal en uitleg. De een is de ander niet. En meerder of minder is er niet bij. Ieder is op de ander betrokken, op zo’n manier dat de eenheid niet tot verstarring en eentonigheid leidt, en de verscheidenheid niet tot verwarring en onenigheid. Zodra iemand zich gaat verheffen boven de ander en zijn eigen charisma belangrijker acht dan dat van een ander, gaat het mis.

Over omgaan met verschillen in de gemeente verscheen recent een boekje, geschreven door ds. P.J. Teeuw uit Papendrecht. Uitg. Groen, Heerenveen,
€ 12,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Eén bos, veel bladeren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 oktober 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's