Heilscertificaat niet genoeg
Van Luthers 95 stellingen is 62e meest geciteerd
Luther heeft meer dan eens gezegd: In 1517 begon ik tegen de aflaat van de paus te schrijven. En als hij op 31 oktober 1527 met zijn vrienden bij een goed glas bier de grote dag herdenkt, spreekt hij van het tiende jaar na de vernietiging van de aflaten.
De aflaathandel was een groot schandaal: mensen konden de straf voor hun zonden met geld afkopen. Maar de aflaat – de kwijtschelding van straffen in het vagevuur – behoorde nog niet tot de dingen die door het roomse dogma al gedefinieerd waren en dus verplichtend vastgelegd. Luther kon daarover dus een dispuut uit lokken.
In de kerk werd toen ook niet over het geld gesproken. Het ging om de thesaurus (schat) van de kerk: het groeiend geestelijk conto door de goede daden van Christus en de heiligen bijeengebracht. De thesaurus van de kerk, gedeponeerd in de hemelse thesaurie (schatkamer), stond voor een groot reservekapitaal aan verdienstelijkheid, waaruit men kon putten ten behoeve van hen die geen of onvoldoende verdiensten hadden.
Contante betaling
Het grote schandaal was dat men een geraffineerd financieringssysteem had ontworpen, waardoor de paus tegen contante betaling uit die schat aandelen kon verschaffen tot heil van de arme, gestrafte zondaren. Dat was het wat Luther tot de aanval dreef. Het bleek al gauw dat hij een storm ontketend had.
‘Het lijkt wel alsof ik de hemel heb willen bestormen en de wereld in brand zetten.’ Dat was allerminst zijn bedoeling.
Hij voelde zich door pastorale motieven tot stellingname tegen de aflaat gedwongen. Onbedoeld zijn de 95 stellingen aan de deur van de slotkapel te Wittenberg het begin geworden van een beslissende historische wending. Luther eindigt zijn stellingen met (94): ‘Men moet de christenen aansporen om hun Hoofd Christus graag te volgen door straf, dood en hel heen’ en (95) 'dat zij geloven mogen eerder door veel verdrukkingen in het hemelrijk te zullen binnengaan, dan door de gerustheid van een valse vrede.’
Deposito’s van gerechtigheid
Middenin zijn 95 stellingen tegen de aflaathandel staat die 62e, de niet ten onrechte meest geciteerde these: ‘De werkelijke schat van de kerk is het heilig Evangelie van de eer en de genade van God’. Dat wil dus zeggen: de schat van de kerk is natuurlijk niet haar geld, goud en goed.
Dat waren uiteraard zeer veel geestelijken en gelovigen ook in die tijd wel met Luther eens. Maar Luther zegt vlijmscherp: óók niet die zogenaamde geestelijke rijkdom aan wat men religieuze verdiensten noemt, die schat aan goede werken van Christus en de heiligen. Want hierin ligt de diepste zin van zijn protest. De kerk beschikt niet over deposito’s van gerechtigheid en certificaten van heil. De genade is niet in aandelen splitsbaar en verhandelbaar.
De ware schat van de kerk is het evangelie van Gods eer en genade, de boodschap van het kruis van Christus. Iets anders heeft de kerk niet, meer kan ze niet bieden.
Maar dat is dan ook alles wat het hart van de mens en de wereld voor zijn toekomst nodig heeft, voor deze tijd en voor de eeuwigheid.
Armen
Wat is dus de schat van de kerk? Er zijn mensen die zeggen: ‘Dat zijn de armen’. Ze maken van het evangelie een sociale boodschap, het social gospel.
Heel anders deed diaken Laurentius, die in 258 de marteldood stierf te Rome, tijdens de heftige christenvervolging onder Decius en Valerianus. Toen van hem geëist werd het vermogen van de kerk dat hij beheerde uit te leveren, toonde hij aan de rechter de armen en de zieken die hij verzorgde en hij zei: ‘Ziedaar de schatten van de kerk!’ Laurentius was er heel dichtbij. Hij wilde zeggen: ‘De grote, onpeilbare nood van de mensheid is de grond van het bestaansrecht van de kerk, daar ligt haar schat, in haar solidariteit met de verworpenen, de medemenselijkheid.’ Zoals de Heere Jezus zei: ‘De armen hebt u altijd bij u.’
Luther neemt in zijn 95 stellingen dit antwoord van Laurentius zeer serieus. In de stellingen 42 en 43 zegt hij: ‘Men moet de christenen leren dat wie aan een arme geeft of het zijne deelt met een behoeftige beter doet dan wie voor zijn geld aflaten koopt. Daden van barmhartigheid gaan ver uit boven het verwerven van aflaatbrieven.’ Luther stelt de diaconie van de kerk hoger dan wat zij ook doet of is. Maar de schat van de kerk? Nee!
Eer en genade
De schat van de kerk is alleen het allerheiligst evangelie van de eer en de genade van God. Gods eer en genade. Gods eer gaat voorop. Vaak wordt gezegd: ‘Het verschil tussen Luther en Calvijn was dat het bij Luther allereerst ging om Gods genade en bij Calvijn om Gods eer.’ Dat is niet zo. Ook bij Luther gaat de eer van God voorop. Evenals voor Calvijn de genade van God het hart van de theologie vormt. Er bestaat wat deze centrale dingen betreft geen verschil tussen Luther en Calvijn. Trouwens ook niet op andere punten, waar dat vaak gezocht wordt. En dan: de eer van God is op het nauwste verbonden met het heil van de mens. Ook daarin zijn Luther en Calvijn volstrekt geestverwant.
Het evangelie van Gods eer en genade. Dat is de boodschap van Christus, die de reformatoren weer opnieuw in de kerk met klaar geluid hebben laten horen. Het bevrijdende woord van gerechtigheid en vergeving, dat ons mensen een nieuwe levensmogelijkheid biedt. Dat is de schat van de kerk. Die rijkdom deelt zij uit in de Naam van Christus, uit genade, om niet. En dat strekt tot de eer van God.
Groter dan het hart
Daaruit volgt dan dat andere, het is er mee verbonden, het is daarin besloten als een vrucht: naastenliefde en medemenselijkheid, bereidheid om te dienen. Want een mens die weet dat hij uit de dood gered is, wiens zonden zijn vergeven, een mens die weet dat God groter is dan zijn hart, zo iemand mag en kan en wil niet anders in de wereld staan dan in het besef van verbondenheid met allen naast hem en om hem en na hem.
Calvijn zegt: God is groter dan ons hart in gerechtigheid. Luther zegt: groter in barmhartigheid. Ze hebben allebei gelijk en ze hebben samen gelijk. Ze verstonden dat Gods goedheid elke morgen nieuw over ons is en zo is ons leven in beweging gezet naar een nieuwe toekomst, naar het rijk van gerechtigheid en vrede, door de activiteit van geloof en liefde. Maar die activiteit is niet de schat. Nee, dat is het evangelie zelf.
Kerstnacht
Die schat van de eer en de genade van God heeft Luther voor de dag gehaald en die stelde hij in het volle licht. Die schat, dat is om nooit uitgedacht over te raken. Het evangelie is vol van Christus en Zijn heil. ‘Wij behoeven niet naar boven te klimmen. Het evangelie wordt zichtbaar in de Kerstnacht.’ Luther heeft de genade verstaan als het komen van Christus Zelf, als adventus Christi. Gods genade verschijnt in Hem. Dat is Gods welbehagen. Daarvoor wordt God de eer en de dank toegebracht. Gloria in excelsis. Christus, Die mens wordt en geboren wordt onder de wet, en dan die wet doorbreekt om ons tot vrije mensen te maken in Zijn dienst. Zoals Christus naar de mensen kwam, zo moeten en mogen wij ons richten op onze medemens.
Het is Luthers en Calvijns levensarbeid geworden om die schat te ontdoen van alles wat haar glans verduistert en zo hebben zij de kerk teruggeroepen tot haar roeping: de schat van het hoogheilig evangelie bewaren. Zij waren goede instrumenten in Gods hand. Wat was er een vreugde in de tijd van de hervorming onder de eenvoudigen en onder de voornaamsten. Dat nu weer het evangelie van de eer en de genade van God verkondigd werd. De kerkgangers vonden er een vreugde, vrede en zekerheid in. Zo rijk als wij ons nauwelijks meer kunnen voorstellen.
Opdracht
Wij staan voor de vraag: Waar is de schat van de kerk gebleven? Wat is er een ontstellende armoede in de kerken der Reformatie. Waar is haar schat gebleven, bedolven onder eigen meningen en vreemd vuur in de kerkelijke politieke strijd? Acht hebben op die schat is niet gelijk aan conserveren en het talent begraven. Dan wordt God niet geëerd en Zijn genade niet geprezen. Door de schat van het evangelie wordt de kerk hervormd en opgebouwd.
Luther houdt ons voor: Gods Woord kan niet zonder Gods volk zijn en omgekeerd kan ook Gods volk niet zonder Gods Woord zijn. Wie zou het anders prediken of horen prediken, als er geen volk Gods was? En wat zou Gods volk kunnen en willen geloven, als Gods Woord er niet was? En dit is de waarheid, die alle wonderen verricht, alles terecht brengt, alles in stand houdt, alles in orde maakt, alles doet en alle duivelen uitdrijft. Maar dat laatste gaat niet zonder geschreeuw en stuiptrekkingen zoals blijkt bij die arme mensen in Markus 1:16 en 9:26. Met gebrul en geruk moet hij uitvaren en dat zien wij nu ook bij alle soorten van duivels om ons heen. Maar er is niets aan te doen, hij moet er uit, hij kan de kracht van het Woord niet weerstaan.
En Luther bidt: Ach, lieve Heer Jezus Christus, verlos de uwen door uw heerlijke wederkomst. Help ons armen en ellendigen, die tot U zuchten en U zoeken met ernst, naar de genade die Gij ons gegeven hebt door Uw Heilige Geest, Die met U en de Vader leeft en regeert en in eeuwigheid geprezen zij! Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's