De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het geheim van de paradox

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het geheim van de paradox

OMGAAN MET VERSCHILLEN IN DE GEMEENTE [3, SLOT ]

8 minuten leestijd

Heidenchristenen en jodenchristenen naderden elkaar tijdens het apostelconvent uit Handelingen 15. Deze eenparigheid vroeg wel aan beide kanten offerbereidheid. Niet iedereen kreeg zijn eigen zin.

De besnijdenisplicht laten schieten betekende voor de jodenchristen het opgeven van eigen gelijk. De noachitische geboden onderhouden betekende voor de heidenchristenen zonder meer een tegemoetkoming. Wellicht is dat nu precies wat Paulus in Filippenzen 4:5 met het woordje epi-eikès bedoelt: ‘Uw bescheidenheid, mildheid, inschikkelijkheid zij alle mensen bekend.’ Dan kan een mens een stapje terug doen en plaats maken voor de ander.
Tegen het slot van zijn brief aan de Romeinen geeft Paulus zelf het voorbeeld. Gewijd vlees eten? Ik heb er persoonlijk geen enkel probleem mee. Maar zodra ik merk dat dit voor een broeder of zuster aanstootgevend is, zie ik ervan af. De ‘sterken’ dienen de ‘zwakken’ tegemoet te komen. Als ik Paulus goed begrijp, is het zijn bedoeling dat de ‘sterken’ zich de ‘zwakkeren’ betonen door toegeeflijk te zijn.
Niet minder dan deze paradox is het geheim van de christelijke verdraagzaamheid. Dit is dus precies de tegenovergestelde strategie van vandaag: ‘Ik doe wat míj welgevallig is.’ Het is veeleer de gezindheid van Christus, Die nooit Zichzelf behaagde, maar dienstbaar was aan God en mensen, ten koste van Zichzelf.

Heiligschennis
Het is deze verdraagzaamheid in de liefde, waarin we ons volgens de apostel moeten benaarstigen om de enigheid van de Geest te behouden door de band van de vrede. Nogmaals onderstreep ik dat we die eenheid niet hoeven te creëren. Ze ís er al. Ze is immers niet het resultaat van ónze menselijk geest, maar vrucht van de Heilige Geest, Die God is.
Deze eenheid is gegeven om te worden bewaard, bewaakt, gekoesterd. Het is een geschenk om zuinig op te zijn. Je moet er niet mee knoeien en morsen. Daar is ze te teer en te kostbaar voor. Te heilig ook. Want ze is het ene lichaam van het ene Hoofd.
Vandaar dat onze vaderen (zowel kerkvaders als vaders uit Reformatie en Nadere Reformatie) niet aarzelden om van sacrilégie, heiligschennis te spreken als de eenheid van kerk en gemeente werd opgeofferd aan scheuring en verdeeldheid. Hier staat niets minder op het spel dan het ontzag voor ons ene Hoofd en onze enige Heiland. Het gemak waarmee in onze individualistische tijd deze eenheid wordt verwaarloosd en geruïneerd, is ver beneden de maat van de Schrift, en ook van onze reformatorische traditie.
Trouwens, kan de christelijke gemeente, uitgerekend in het culturele klimaat waarin de kerk vandaag wordt belaagd door tal van antikerkelijke en antichristelijke machten, zich permitteren de eenheid in eigen gelederen te verkwanselen door gekibbel over beuzelarijen? Dat zou olie op het vuur van de tegenstander zijn. En de positie van de gemeente raakt er nodeloos door verzwakt.

Handen en voeten
Het is waar dat de eenheid niet verankerd ligt in onze subjectieve gevoelens maar in de objectieve werkelijkheid van Christus’ ene lichaam. Het is ook waar dat deze van Godswege geschonken eenheid wel subjectief wil worden beleefd. Ze wil worden beoefend in een geest van eensgezindheid, die handen en voeten krijgt in de praktijk van het gemeenteleven. Ik wil maar zeggen: de eenheid van Christus’ lichaam (de gemeente) en die band van de vrede blijven geen verre, vreemde klanken, maar nestelen zich in het hart en bepalen gedrag en gezindheid.
Tot de beoefening van deze eensgezindheid roept Paulus ons op. Het is precies op dit punt waar geen verscheidenheid geoorloofd is. De van God geschonken eenheid krijgt haar beslag in een gelijkgezindheid die ieder en allen in dezelfde mate aangaat. Paulus zegt het in Filippenzen 2 zo: ‘Dat gij moogt eensgezind zijn, met dezelfde liefde, één van ziel’ (letterlijk vertaald). Waarom is dit onopgeefbaar? Omdat het de gezindheid van de ene Christus is. ‘Laat dat gevoelen in u zijn dat ook in Christus Jezus was.’ Het is die innerlijke houding van ootmoed en zelfverloochening waarin Christus ons voorging.
Dit vergt een leven dicht bij de Bron. Hoe meer we ons laven aan de bron van het Woord en hangen aan de lippen van Christus en hoe hechter we aan Zijn hart verbonden raken, hoe fijngevoeliger we worden om te onderscheiden waar het op aankomt.

Viervoudige kern
Waarop komt het aan? De vraag is te beantwoorden met het drievoud van de Reformatie, waarin de apostolische boodschap kort is samengevat: sola scriptura, sola gratia, sola fide, en deze alle drie geschaard rond het hart: solo Christo. Over deze viervoudige kern kan in de christelijke gemeente geen verschil van mening geoorloofd heten. Het inzicht erin, de ervaring ervan kan gradueel verschillen, maar de zaak zelf is principieel onopgeefbaar.
Zo-even markeerde ik de grenzen van de verscheidenheid in de onderlinge liefde. Dat houd ik vol. Maar ik zeg er nu wel nadrukkelijk bij dat deze liefde zich niet alleen naar de broeder en de zuster uitstrekt, maar allereerst naar Christus Zelf (solo Christo), naar Zijn Woord (sola scriptura) en Zijn genade (sola gratia). Het is een liefde die gevoed wordt door het allerheiligst geloof (sola fide). In deze viervoudige kern is niet alleen de vitaliteit, maar ook de identiteit van hervormd-gereformeerden gelegen.

Aangeslibd
‘Identiteit’ is in dit verband een veel gebezigd woord. Naar mijn besef gebruikt men deze term niet zelden ondoordacht en ongepast. Om het eigen karakter, de eigenheid, van onze gereformeerde sector te typeren, verwijst men nogal eens naar (vooral liturgische) kenmerken, die veeleer tot een bepaalde traditie behoren dan tot zaken die er echt en beslissend toe doen. Eigenaardigheden, hoe respectabel ook, moet men niet verwarren met eigenheid. Ik zou ervoor willen pleiten de term identiteit te reserveren voor wat ons fundamenteel en wezenlijk bepaalt.
Onze identiteit ligt in Hem, Die al onze eigenaardigheden, voorkeuren en verschillen ver te boven gaat: in Christus en in Hem alleen. In Hem is ons eigen karakter gelegen. En om dit ene en eenkennige belijden te onderstrepen, zeggen we erbij: de Schrift alleen en geheel, genade alleen en totaal, geloof alleen en louter. Alles wat om deze kern is aangegroeid of ook aangeslibd, moet in dit licht bijzaak heten. Bijzaak die soms te bagatelliseren is, soms te respecteren, maar nooit als hoofdzaak te verabsoluteren.

Niet alleen
Waar deze eenkennige, maar viervoudige kern van de Schrift (die meteen ook de hartslag van ons belijden vormt) wordt verduisterd, genegeerd of geschonden, daar houdt de eenheid op. Wie zich daaraan schuldig maakt, plaatst zich buiten de gemeenschap van de kerk. Bijbelse eenheid is immers altijd eenheid in de waarheid van het evangelie, in de waarheid die Christus Zelf is.
Omgekeerd: waar deze kern in prediking, onderricht en zielzorg wordt geëerbiedigd en in het persoonlijke leven wordt beleden en beleefd, daar wordt de eenheid bewaard en de gemeente gebouwd in geloof, hoop en liefde. Nooit in je eentje. Niet zonder reden schrijft Paulus in Efeze 3 dat we slechts met alle heiligen de breedte en de lengte, de diepte en de hoogte van Christus’ liefde kunnen bevatten.

Kerkenraad
Wat is kerkenraad nu geboden? Allereerst dat ieder persoonlijk zich van dag tot dag oefent in de verborgenheid van de godzaligheid die in het evangelie is geopenbaard. Die oefening betekent concreet dat we geen dag beginnen of beëindigen zonder biddende lezing en overdenking van het Woord Gods. Daar alleen doen we energie en inspiratie op om met wijsheid, bescheidenheid en toch ook met vastberadenheid ons ambt in gezin en gemeente te vervullen. Wie zo de geloofsvereniging met Christus beoefent, zal het meest vruchtbaar dienstbaar zijn aan de eenheid van de gemeente en leert hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden.
In de tweede plaats is het nodig dat elke kerkenraadsvergadering begint met een korte bijbelstudie, waarbij de woorden worden gespeld en de actuele zin ervan wordt toegelicht. Als het even kan, dienen kerkenraadsleden dit niet aan de predikant over te laten, maar dat om beurten zelf voor hun rekening te nemen.

Beleidsplan
In de derde plaats is het geboden dat het kerkenraadsbeleid steevast blijft afgestemd op het viertal genoemde kernen. Dat dit beleid ook moet resulteren in een schriftelijk vastgelegd beleidsplan, is in de kerkorde geregeld. Zo’n formulering zal voor de praktijk inderdaad zinvol zijn. Het kan eindeloze herhaling van discussies over dezelfde items voorkomen. Toch is er ook een keerzijde. Een gefixeerde formulering kan het gevaar in zich bergen van een zekere verstarring. Als een beleidsplan gaat fungeren als een soort wetboek van regelgeving, waarin allerlei kwesties kant en klaar van oplossingen zijn voorzien, lijkt voortgaande bezinning bij voorbaat geblokkeerd. En dat is ongewenst.
Het gaat er veeleer om dat de vragen die zich voordoen rond huwelijk en gezin, rond doop en liturgie, rond evangelicale invloeden, rond prediking en geloofsbeleving telkens in de veranderende situaties worden doordacht en tegen het licht van de Schrift worden gehouden. Niet omdat de Schrift aan verandering onderhevig zou zijn, maar omdat onze kerkelijke en culturele context zich voortdurend wijzigt.

Loods
Elke gemeente bevindt zich midden in deze wervelende maalstroom. Ze vormt geen geïsoleerd eilandje in een windstil merengebied, maar heeft veel meer weg van een schip op een rumoerige zee waar het geducht kan spoken. In deze kwetsbare situatie is ze geroepen om waakzaam te zijn – stuurlui en bemanning – en om bij alle verschillen de eenheid te bewaren en vooral om met liefdevolle aandacht op de Loods te letten. In het verlengde van deze beeldspraak geef ik ter bemoediging een citaat van de Schotse zeventiende-eeuwse godgeleerde Samuel Rutherford (1600-1661) door: ‘Bent u in zorg over de toestand van de kerk? Weet dan dat onze Heere haar steeds tussen verdrinken en zwemmen zal houden. Dit gebroken schip zal aan land komen. Want Jezus is de Loods.’
Graag wil ik eindigen met de bekende lijfspreuk van Herman Witsius (1636-1708): ‘Eenheid in het noodzakelijke, vrijheid in het niet-noodzakelijke, in beide de wijsheid en de liefde, in alles een onergerlijk geweten tot de dag des Heeren.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Het geheim van de paradox

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 november 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's