Danken bij het altaar
Meditatie: Deuteronomium 26:1-11
Als je kinderen vraagt: Waar zullen we in de kerk voor danken? , dan worden vaak allereerst dingen genoemd om voor te bidden. Danken moet je leren. Misschien wordt juist daarom in Deuteronomium 26 heel precies beschreven hoe Israël moest omgaan met de eerstelingen van de oogst.
‘Zo zult u nemen van de eerstelingen van de vrucht van het land …’
Mozes zegt, op de drempel van het beloofde land: ‘Nog even en we zijn in Kanaän. Jullie mogen daar aan het werk gaan: het land bewerken, ploegen, inzaaien, oogsten. Maar áls je de oogst hebt binnengehaald, vergeet dan niet te danken. Houd dankdag.
En doe het op de volgende manier. Neem een mand en vul die met het beste van de opbrengst. Kom daarmee vervolgens naar heiligdom, ga naar de priester en zeg: ‘Ik belijd vandaag voor de Heere uw God dat ik gekomen ben in het land waarvan Hij aan onze vaderen gezworen had dat Hij het ons zou geven.’
Daarna zal de priester de mand met vruchten van het veld van u overnemen, en hij zet die mand voor het altaar neer.
Daarna zul je een belijdenis uitspreken, neerknielen, en vervolgens feestvieren over Gods goedheid, samen met Leviet en de vreemdeling. Dit zul je doen, jaar na jaar. Na een goede oogst, maar ook als je een minder jaar achter de rug hebt.’
Geen heldhaftige verhalen
Staande bij het altaar klinkt een belijdenis. Mijn voorvader was een ‘bedorven Syriër’. Je kunt ook lezen ‘een rondtrekkende of ten dode gedoemde Arameeër’. Aram is het gebied waar de aartsvaders vandaan kwamen. Abraham is er uit weggetrokken. Jakob, op de vlucht geslagen voor Ezau, werkte er bij Laban.
Direct wordt duidelijk: op deze dankdag is er geen ruimte voor heldhaftige verhalen over de vaderen. Abraham was nergens echt thuis. Jakob moest vluchten door zijn eigen schuld. En ook in Egypte verkeerde het volk als vreemdeling. Ze werden mishandeld en verdrukt. Het was, in één woord: duisternis.
‘Maar,’ zegt de Israëliet bij het altaar, ‘vanuit de verdrukking in Egypte steeg onze klacht omhoog om van God redding te ontvangen. En … de Heere heeft onze stem gehoord! Met sterke hand en uitgestrekte arm heeft Hij Israël uit Egypte gevoerd.
Als God er niet geweest was, zou er niets van ons volk zijn geworden. Het is alleen aan de genade van God te danken dat Israël is bevrijd uit Egypte. Het is Zijn eeuwige trouw dat wij in het beloofde land mochten komen wonen, dat ik nu met deze mand vol vruchten bij het altaar sta.’
Heilsgeschiedenis
In Deuteronomium 26 klinken dus geen woorden over de regen die viel, over de zon die scheen, over de vruchten die groeiden. Dat God de Schepper en Onderhouder is van al wat leeft, treedt hier niet zo op de voorgrond.
De zegen van het land wordt hier allereerst in verband gebracht met de weg die God met Zijn volk is gegaan: de heilsgeschiedenis. Je ziet in de woorden van deze boer een rechte lijn lopen van Jakob, die schamele voorvader, naar de verlossing uit Egypte en zo naar het heiligdom, naar het altaar. De plaats van de verzoening. De plaats die spreekt van Gods vergevende liefde.
Dicht bij het altaar
Waarom juist deze belijdenis op Dankdag? Omdat deze boer heel goed weet dat hij nergens recht op heeft. Wie zou zich niet herkennen in de schuld van de vaderen? De weg via Egypte en de woestijn naar het beloofde land, het was van begin tot eind genade. Steeds opnieuw is de Heere met dat volk begonnen. Dat belijdt deze Israëliet in het heiligdom.
Ondanks alle zonden, ondanks alle kleingeloof, ondanks alle tekort … tóch is God goed voor Zijn volk. Want het altaar is hier.
Alleen dicht bij het altaar leer je de zegeningen van God echt waarderen. Om het nieuwtestamentisch te zeggen: zonder Jezus Christus in je overwegingen en in je dank te betrekken kun je niet echt spreken van zegeningen. Zonder Hem kun je niet echt dankdag houden en kunnen volle schuren tot een vloek worden. Want zonder Hem ontgaat je het allerbelangrijkste. Gods goede gaven komen naar ons toe vanuit de doorboorde handen van onze Heiland.
Feestvieren
Wie uit dat geloof leeft, kan ook feestvieren. De boer en zijn gezin en hun naaste familie, ze vieren het aanbieden van de veldvruchten (vs 11). Er wordt genoten van de gaven die God geeft. Eten, drinken en vrolijk zijn, want … God schenkt ons Zijn goede gaven! Er wordt feestgevierd, samen met de Leviet en de vreemdeling. Ook voor hen moet ruimte worden ingeruimd aan tafel. Over diaconaat gesproken: de vreugde over Gods gaven reikt ver. Wie dicht bij het altaar leeft, heeft ook veel te delen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's