De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De WMO en de diaken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De WMO en de diaken

9 minuten leestijd

Volgende week zaterdag 17 november zal de Landelijke Diaconale Dag DV worden gehouden in het Beatrixgebouw van de Utrechtse Jaarbeurs. Thema dit jaar: Diaconaat in de buurt! In Kerkinformatie (november) lees ik over die dag: ‘In de buurt zijn van mensen in de knel is één van de belangrijkste opdrachten van diakenen. Dat kan op allerlei manieren: van kleine initiatieven die nauwelijks opvallen tot grote projecten die de media halen. Het één is niet per definitie beter dan het ander. Belangrijk is dat het gebeurt en dat er mensen zijn en blijven die aandacht vragen voor mensen in het nauw.’
Kernvraag van de dag zal dus zijn: Hoe kunnen we ons als kerken laten zien, zodat mensen die hulp nodig hebben, ons kunnen vinden? Hoe zijn we als diaken in de buurt van mensen die extra aandacht nodig hebben?

De reactie van het blad Opbouw liet onlangs (26 oktober) een themanummer verschijnen met als opschrift Handen uit de mouwen’ In het openingsartikel wordt aangehaakt op de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Zoals bekend wil het kabinet met deze wet vooral een samenhangend lokaal beleid op het gebied van maatschappelijke ondersteuning bevorderen. De wet vervangt een aantal andere sociale wetten en regels. Op termijn zal een wettelijk vangnet overblijven voor verpleging van ernstig en chronisch zieken, dementerende ouderen, ernstig gehandicapten en chronisch psychiatrische patiënten. De burgerlijke gemeente is verantwoordelijk voor de WMO en stelt elke vier jaar plannen op voor de diverse aandachtsgebieden van de wet. Ze is verplicht dat te doen in samenspraak met burgers, vooral de burgers die het aangaat en hun belangenorganisaties.
Daarom liggen hier ook kansen en uitdagingen voor de kerken. Ook de Nederlands Gereformeerde Kerken (in hun kring verschijnt het blad Opbouw) beleggen deze week (10 november) een minisymposium over dit thema.

Ds. J.M. Mudde (Haarlem) schrijft een inleidend artikel onder het opschrift Hoe relevant is de kerk en hoe is de kerk relevant? Om te beginnen stelt hij de vraag: Waarom zouden we als kerk van Christus gebruik maken van de (diaconale) mogelijkheden die de WMO biedt?
Omdat er een rechtstreekse lijn loopt van het hart van God naar het diaconale werk van de kerk. De diaken staat voor een van de hoogste en mooiste taken die er te bedenken valt: het brengen van een stukje gerechtigheid op aarde. Zeker, het diaconaat is ook een gestalte van Gods barmhartigheid en bewogenheid met kwetsbare en gekwetste mensen, maar meer nog een gestalte van de gerechtigheid die God op aarde brengen wil.
In het Oude Testament kwam Gods diepe drive om gerechtigheid te brengen onder meer tot uiting in de wet die hij Israël gaf. Een wet met sabbatten, sabbatsjaren, jubeljaren. Een wet vol verlossende momenten voor slaven en slavinnen, weduwen en wezen, ontheemden en aan lager wal geraakten! In het Nieuwe Testament wordt Gods gerechtigheid zichtbaar in Jezus Christus. Hij kondigt een genadejaar af, brengt armen goed nieuws, maakt gevangen hun vrijlating bekend, geeft blinden het zicht terug en verschaft onderdrukten vrijheid. Jezus brengt gerechtigheid in allerlei gestalten. In de gestalte van verzoening en vergeving, van genezing en bevrijding, en van omzien naar weduwen en wezen in het bijzonder. Ja, dat laatste ook. Zo beschikten de discipelen over een aanzienlijk geldbedrag, dat beheerd werd door Judas (Matth. 26:9 en Joh. 12:4 e.v). Het was bestemd voor de armen. Toen de discipelen apostelen werden, zetten ze het diaconale werk dat Jezus hun eerder al te doen had gegeven gewoon voort. Ze steunden de behoeftige in de gemeente van Jeruzalem (Hand. 4:35) en zorgden voor de gemeenschappelijke maaltijden (Hand. 6:2). Het diaconaat is dus geen bijkomstige zaak, maar een gestalte van het evangelie zelf, een gestalte van Gods bewogenheid met en liefde voor deze wereld, in het bijzonder de kwetsbare daarin.
En daarom, als de WMO christenen en kerken extra kansen biedt om vorm te geven aan Gods liefde en bewogenheid in deze wereld, laten we die kansen dan met beide handen grijpen.
Zo wordt inderdaad iets van de relevantie van het evangelie zichtbaar in deze wereld. Er is – blijkens Handelingen – zelfs een rechtstreeks verband tussen kerkgroei en diaconaat. Nadat in Handelingen 6 de wat haperende zorg voor de weduwen is gereorganiseerd, lezen we: “Het woord van God vond steeds meer gehoor …!” Ook uit de kerkgeschiedenis blijkt hoezeer werfkracht en diaconaat hand in hand gingen. Een van de meest zegenrijke predikers uit de kerkgeschiedenis, Johannes Chrysostomus, was ook een van de meest diaconaal ingestelde dienaren van de kerk. Hij leefde zelf als een arme, maar onderhield van zijn inkomen twee ziekenhuizen met 7700 armen en zieken!
Ds. Mudde wijst echter ook op een valkuil die de combinatie van diaconaat en werfkracht kan hebben. In die valkuil vallen we ‘als we diaconale projecten opzetten om relevant te zijn voor deze wereld. De barmhartige Samaritaan hielp niet uit strategische overwegingen, maar uit bewogenheid.’ Doel en middel mogen we nooit door elkaar halen, aldus ds. Mudde. Als kerken en vooral diaconieën moeten we helder houden welke eigen agenda Christus ons heeft gegeven. ‘De kerk is immers geen verlengstuk van de overheid, maar het verlengstuk van Gods liefde voor deze wereld.’ Daartoe brengt hij een aantal aandachtspunten naar voren die ons kunnen helpen bij de vraag waarom het ons als gemeente van Christus te doen moet zijn, ook wanneer we WMO-kansen grijpen.

Het eerste aandachtspunt is de heel eigen aard die de diaconale zorg in het licht van het evangelie heeft. De diaken is niet slechts een hulpverlener, hij of zij is een evangelist! Want degenen die in Handelingen 6 worden aangesteld om ‘de tafels te bedienen’ worden geen diaken, maar ‘evangelist’ genoemd (Hand. 21:8). Zij hadden een diaconale taak, maar waren tegelijk uiterst krachtige predikers van het evangelie, dat Christus in de wereld predikt.
Op zijn mooist komt dat hierin tot uiting, dat de apostelen – en later de diakenen – in dubbele zin de tafels bedienden. Het liefdemaal en de viering van het avondmaal, het leven uit genade en het geven uit genade vloeiden in elkaar over!
De eenheid van diaconaat en evangelieprediking klinkt ook nog door in het klassieke formulier voor de bevestiging van ambtsdragers. ‘De diakenen behoren’, zo zegt het formulier, ‘de gemeenteleden die Christus’ liefdegaven ontvangen, met Gods Woord te bemoedigen en te vertroosten.’
Ik denk dat de kerken dit eigen karakter van het diaconaat helder voor ogen moeten houden, zeker nu zij bij de uitvoering van de WMO een rol mogen spelen. Kerk en overheid hebben beide immers een heel eigen agenda. En het is maar de vraag of de overheid het de kerken zal toestaan op basis van haar eigen agenda gebruik te maken van gemeenschapsgelden. Ik denk dat de lokale overheden op dit punt – om zeer begrijpelijke en alleszins plausibele redenen – uiterst terughoudend zullen zijn. Misschien zullen zij er zelfs bij de kerken op aandringen diaconaat en evangelieprediking te ontkoppelen.
Omgekeerd zullen kerken en – zo mogelijk meer nog – christelijke instellingen er voor moeten waken om niet omwille van de subsidie het evangelische karakter van de hulpverlening te verdoezelen of te minimaliseren.
Wanneer diaconaat en evangelieprediking ontkoppeld worden, wordt in één klap de kerk een stuk minder relevant voor de wereld. Immers, de grootste dienst die de gemeente van Christus de wereld kan bewijzen is, dat door de volle prediking van het evangelie mensen aangeraakt worden door de liefde van Christus!

Ds. Mudde onderstreept dat de zorg voor de samenleving nooit ten koste mag gaan van gemeenteleden die zorg en aandacht nodig hebben. Ook wijst hij er terecht op dat de nood elders in de wereld vaak veel groter is dan die in eigen land. Als de overheid via de WMO de kerken daarom bepaalt bij de nood dichtbij, mogen we als kerken nooit de nood ver weg daarbij uit het oog verliezen. Aandacht voor het werelddiaconaat en voor de nood in de wereldkerk blijven voor de gemeente van Christus een hoge prioriteit houden. En over prioriteiten gesproken:
Een heel ander aandachtspunt is het volgende. Ruim anderhalf jaar geleden luidde ds. At Polhuis, de diaconaal predikant van de Hervormde Gemeente in Rotterdam-Zuid, de noodklok over de kerk in zijn stad. Zijn voorstel was wel heel tegendraads. Gegeven de dramatische situatie van de kerk in de grote steden pleitte hij ervoor de kaarten even helemaal op prediking, catechese en gemeenteopbouw te zetten. Een diaconaal predikant dus, die er voor pleit helemaal te stoppen met diaconaat vanuit de kerken. Met als argument: ‘Wij moeten ons eerst weer richten op kerkopbouw en daarom álle mensen en middelen inzetten voor evangelisatie.’ Waar leggen we de prioriteiten? Die vraag zal niet elke gemeente op dezelfde manier beantwoorden. Sommige gemeente kunnen mogelijk enorme krachten voor de diaconale taak mobiliseren. Elders kan dat echter anders liggen.
Eén ding zou ook ik willen verdedigen: de voortgang van de woordbediening moet de hoogste prioriteit hebben. Een aanwijzing hiervoor levert – opnieuw – Handelingen 6. Toen de apostelen niet in staat waren hun diaconale taak te combineren met de verkondiging en de gebeden, legden ze de prioriteit overtuigd en beslist bij de verkondiging van Gods Woord. Dit betekent allerminst, dat diaconaat en de opzet van diaconale projecten van secundaire betekenis voor de kerk zijn. Maar in de vele taken die de kerk heeft, moet het meest relevante wat wij deze wereld de bieden hebben worden veiliggesteld: de prediking van Gods liefde in Jezus Christus!

Als laatste aandachtspunt sta ik nog één keer stil bij de nadruk die tegenwoordig op de relevantie van de kerk wordt gelegd. Ik begrijp die heel goed en deel het verlangen naar een voor de wereld relevante kerk! Tegelijk voel ik me er – net als ds. Bert Lakerveld op de Landelijke Vergadering dit jaar – wat ongemakkelijk bij. Wie beslist eigenlijk wanneer en hoe de kerk relevant is? Moet je niet gewoon zeggen: God is relevant en de prediking van en het leven naar het evangelie zijn relevant, ongeacht wat de wereld daarvan vindt? Ik moet in dit verband denken aan Anna, die 84 jaar in de tempel verbleef, wachtend op de Messias, biddend en vastend. Erg relevant leek dat niet, maar mede om Anna besloot de hemelse Heer zijn Zoon naar de aarde te zenden.
Kortom, soms zit onze relevantie in een hoek waar niemand die zoeken zou! Er is daarom geen reden ons het hoofd op hol te laten brengen door het beroep dat overheid en samenleving op de kerken doen. Grijp van harte en weloverwogen de kansen die er zijn, maar blijf jezelf en houd je grenzen en boven alles Gods eigen agenda in de gaten.

Kerken en gemeenten in steden en dorpen mogen present zijn om gerechtigheid en barmhartigheid te beoefenen juist onder de kwetsbaren van onze samenleving. Ieder zal zich hebben af te vragen: Waar heeft God ons nodig? Waarin en waardoor gehoorzamen wij aan Zijn wil? Bezinning op die vragen blijft onze opdracht. Handen uit de mouwen, zeker, maar dan vanuit het hart van Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De WMO en de diaken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 november 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's