Voorkeur voor eenzijdigheid
GENEEFSE PSALMMELODIEËN [1]
Waarom worden bepaalde psalmen bijna nooit gezongen, terwijl een klein aantal overbekende psalmen bijna wekelijks terugkeert? Is dat eenzijdigheid van de predikant of ligt dat aan de melodie?
‘Dan zingen we nu uit de Avondzang de verzen 1 en 6. En, organist, ik stel voor dat we dat doen op de wijs van Psalm 134.’ Het overkwam me kortgeleden: die prachtige melodie van de Avondzang, teruggaand op de oud-kerkelijke hymne Christe qui lux es et dies, werd zomaar ingewisseld voor een psalmmelodie.
Zo kan het ook gebeuren dat een organist eigener beweging nummer 446 uit Johan de Heer inzet als de predikant Psalm 146 heeft opgegeven. Waarom toch?
Geen straatdeuntjes
De Geneefse psalmmelodieën zijn in ons land geïntroduceerd door Petrus Datheen, samen met zijn psalmberijming uit 1566. Daarvoor zong men de Souterliedekens (Souter = Psalter) van Willem van Zuylen van Nyevelt, een psalmberijming uit 1540 die gezongen werd op volksmelodieën. De melodieën die Datheen naar Nederland bracht, zijn ontstaan in de directe invloedssfeer van Calvijn.
Het verhaal dat de psalmmelodieën afkomstig zijn van straatdeuntjes en volksliedjes is tachtig jaar geleden al ontzenuwd en mag voorgoed naar het rijk der fabelen worden verwezen. Wel is van een beperkt aantal psalmmelodieën aangetoond dat ze teruggaan op oud-kerkelijke hymnen of sequensen. Zo is bijvoorbeeld in de melodie van Psalm 80 de Gregoriaanse paassequentie Victimae Paschali Laudes nog goed herkenbaar. Voor een goed begrip van de waardering die psalmmelodieën wel of niet oogstten, is een muziektheoretisch intermezzo onvermijdelijk. De musici die zich in opdracht van Calvijn hebben beziggehouden met het toonzetten van de psalmen, lijken daarbij bewust te hebben gekozen voor een muzikale taal die op dat moment eigenlijk al ouderwets was.
Tot in de vijftiende eeuw werd bij het componeren van muziek gebruikgemaakt van de zogeheten modi, ook wel kerktoonsoorten genoemd. Het zijn de toonreeksen met namen die we kennen uit ons psalmboekje: in veel uitgaven staat boven elke psalmmelodie een woord als Dorisch, Phrygisch, Mixolydisch, Aeolisch of Ionisch. Deze karakteristieke toonreeksen leverden het materiaal waaruit de psalmmelodieën zijn opgebouwd. Langzamerhand werden deze toonstelsels in de ‘wereldse’ muziek echter verdrongen door de twee moderne toongeslachten: majeur en mineur. We weten het niet zeker, maar het heeft er alle schijn van dat de psalmcomponisten Loys Bourgeois, Guillaume Franc en Pierre Davantès met hun keuze voor die oude kerktoonsoorten wilden onderstrepen dat kerkmuziek uit een andere muzikale bron put dan de muziek van de wereld dan wel de ‘kunstmuziek’.
Bede- en boetepsalmen
De kerktoonsoorten hebben ieder een specifiek karakter. De phrygische toonladder (op de piano te horen als we van e naar e alle opeenvolgende witte toetsen spelen) kenmerkt zich door de overgang van de eerste naar de tweede toon, van e naar f: dat klinkt ons onwennig in de oren. Deze toonreeks werd geschikt geacht voor bede- en boetepsalmen (zoals 51, 83, 102).
Maar waarom klinkt die toonladder ons nu zo vreemd in de oren? Wel, ons gehoor is helemaal gevormd door alle muziek die sinds de barok is gecomponeerd, in majeur dan wel in mineur. De kerktoonsoorten behoren nu eenmaal niet tot onze normale muzikale leefwereld. Onze oren en onze muzikaliteit voelen zich niet zo op hun gemak in toonreeksen die aanzienlijk afwijken van dat majeur en mineur.
Nu zijn er ook kerktoonsoorten die zich niet zo nadrukkelijk onderscheiden van het moderne majeur en mineur: het verschil tussen dorisch en mineur is niet erg groot, aeolisch komt zelfs helemaal overeen met mineur, zoals ionisch met majeur overeenkomt. En juist de psalmmelodieën die het dichtst bij de moderne muzikale taal blijven, blijken zich te mogen verheugen in grote waardering.
De kerkmusicus Wim Kloppenburg meent overigens dat het niet zozeer de verwantschap met majeur of mineur is die een psalmmelodie populariteit bezorgt, maar de verwantschap met het volkslied.
Sommige melodieën zijn van meet af aan geliefd geweest. De hymnoloog dr. Jan R. Luth, die in 1986 promoveerde op een proefschrift over de Nederlandse gemeentezang, heeft onderzocht welke psalmen tussen 1750 en 1850 werden vermeld in de Boekzaal der Geleerde wereld in berichten over de ingebruikneming van kerkorgels. Het specifieke karakter van deze bijeenkomsten zal er ongetwijfeld toe hebben bijgedragen dat Psalm 150 het hoogste scoorde. Maar ook 33, 98, 100, 92, 84, 138, 81 en 122 werden vaak vermeld.
Anderzijds zijn er door de eeuwen heen steeds weer voorstellen geweest om het aantal verschillende psalmmelodieën terug te brengen van de huidige 124 tot bijvoorbeeld 40, om aldus een aantal melodieën kwijt te raken die men ‘stroef en niet zoo gemakkelijk of aangenaam om te zingen’ vond.
Goed, dragelijk, verwerpelijk
In de negentiende eeuw schreef de gezaghebbende muziekcriticus en arts dr. F.C. Kist veel over kerkmuziek. De beste psalmmelodieën waren in zijn ogen 25, 26, 38, 42, 65, 66, 81, 84, 119, 134 en 150. Toen in de beginjaren van de negentiende eeuw de bundel Evangelische Gezangen ontstond, heeft een aantal gecommitteerden de psalmmelodieën beoordeeld op hun geschiktheid om in die nieuwe gezangenbundel te worden hergebruikt. Men rangschikte de melodieën daarbij in de categorieën ‘beste’, ‘goed’, ‘dragelijk’ en ‘verwerpelijk’.
Tot die laatste groep rekenden deze deskundigen onder meer de melodieën van de psalmen 8, 32, 49, 54, 79, 85, 124, 136 en 149, psalmen die wij nu toch nog regelmatig zingen. Maar ook psalmen als 6, 33 en 92, die in andere lijstjes juist als veel gezongen en/of als uitstekend werden aangemerkt, kregen van deze gecommitteerden de beoordeling ‘verwerpelijk’. De musicus François Hageman (1864) vond zelfs maar tien melodieën bruikbaar. De meeste psalmen maakten volgens hem de indruk ‘alsof men eene menigte noten door elkander geschud en vervolgens over den vijflijnigen balk heeft neêrgeworpen, aan het toeval overlatende welke plaats zij aldaar zouden innemen’.
Haaks
Door de eeuwen heen is er dus steeds weer discussie geweest over goede en minder goede psalmmelodieën, maar al die historische lijstjes leveren geen eenduidig beeld omtrent de positieve of negatieve waardering van de psalmwijzen. Integendeel: de beoordelingen staan niet zelden haaks op elkaar. Waarmee is aangetoond dat het beoordelen en waarderen van psalmmelodieën een uiterst subjectieve aangelegenheid is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 november 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's