En Maria …
Eén van de 120 in de wachtkamer
Daar zit ze dan. In de overvolle wachtkamer. Als één van de 120. Zij is de laatste die een nummertje trok. Komt ze nog wel aan de beurt?
Bij de balie vroegen ze voor de zoveelste keer haar gegevens: Maria, dochter van Joachim en Anna, weduwe van Jozef, timmerman te Nazareth, moeder van Jezus, Jakobus, Judas en nog meer andere kinderen (Joh. 7:1-9), tijdelijk woonadres in Jeruzalem, het huis van discipel Johannes.
Daar zit ze dan, in die wachtkamer ergens in Jeruzalem, kort na Hemelvaartsdag. Wachten om de Trooster te ontvangen.
Daar is ze wel aan toe, na alles wat haar in de afgelopen vijftig jaar overkomen is. De korte, gelukkige jaren thuis. De aangrijpende verschijning van die engel. Voor haar niet de boodschapper van de dood (Richt. 6:22, 23 e.a.), maar van het eeuwen verwachte nieuwe leven. Die moeilijke boodschap over ‘een zwaard door uw ziel’ (Luk.2:35).
Het tere huwelijksaanzoek van Jozef (want anders had ze gestenigd moeten worden, Deut. 22:23, 24). De onvergetelijke bemoediging van tante Elizabeth. De barre tocht naar Bethlehem. De geboorte van de Zoon van God, maar toch ook haar zoon. De weken, de maanden, de jaren daarna. De worsteling om haar plaats te vinden. De laatste jaren zonder de stille, geweldige steun van haar Jozef.
Puzzelstukjes
Daar zit ze nu. In elke wachtkamer vind je wel lectuur, om de wachttijd te doden. Maar in déze wachtkamer leest iedereen zijn Bijbel.
Wat zijn er veel woorden van vroeger, die zij als puzzelstukjes om en om heeft gelegd, voordat zij ze kon plaatsen (Luk. 2:19). Over Abraham en Gods belofte aan hem (Luk. 1:55), over Eva, over haar naamgenoot Mirjam, over Rachab, over Ruth, met wie allemaal ze in de afgelopen jaren zoveel meer verbonden is geraakt. Over Gods trouw aan Israël toch bewaard. De aangrijpende ontmoeting met die engel, met wie zij heeft geworsteld, totdat ze van harte kon zeggen: ’Zie hier, de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw Woord.’
En door de genade van God kan ze vandaag ditzelfde zeggen!
Daar zit ze nu, in de wachtkamer. Van de 120 is zij één van de laatste en van de genoemde vrouwen, de allerlaatste (Hand. 1:14, 15). Dat is even wennen.
Toen Jezus nog maar pas geboren was of toen Hij twaalf was of achttien jaar later op die bruiloft in Kana. Toen had zij nog steeds gedacht één van de eerste te zijn.
Daar zit ze nu, als één van de laatsten mocht ze aanschuiven. Wat moet een mens veel leren, voordat hij zijn plaats heeft gevonden voor God en mensen (Mark. 3:31-35).
Wat hebben ze in Bethlehem, in Egypte, in Nazareth vreemd tegen haar aangekeken. Wat heeft ze veel moeten uitleggen en ook zelf lang niet alles begrepen.
Timmermanswinkel
Daar zit ze nu. Naast zich twee kinderen, die twee jaar geleden (Joh. 7:5) nog niet in Hem geloofden en straks een brief voor de Bijbel gaan schrijven. Oh, wat zou ze dit nu graag aan haar Jozef vertellen. Hij heeft zoveel zorgen gehad over hun ongelovige kinderen. Wat is er in die timmermanswinkel gepraat, gediscussieerd, maar vooral gebeden. Wat zou hij opkijken, als hij over deze verandering van minstens twee van de kinderen zou horen.
Maar het hoeft niet meer. Het huis, dat hij toch nooit zelf heeft kunnen timmeren, was voor hem gereed! God Zelf riep hem. Het Vaderhuis met de vele woningen.
Meer dan een zoon
Daar zit ze nu. Met haar verdriet over de kinderen, die nog steeds niet in Hem geloven. Maar hoeveel moederharten kennen dat niet? Hoe mooi de aardse huizen van je kinderen ook zijn, als ze straks voor eeuwig dakloos zullen worden …
Daar zit ze nu. Vlak bij zich haar ‘nieuwe’ zoon Johannes, die haar zo hartelijk in zijn huis opnam. Twee eigen kinderen, die in deze wachtkamer op hetzelfde wachten. Maar zonder die ene Zoon, Die zoveel meer dan een zoon is geworden: haar Verlosser, haar Heiland, haar Plaatsbereider.
Nee, bij haar thuis, zoals vroeger, zal Hij nooit meer komen. Maar straks mag zij in Zijn hemelwoning voorgoed bij Hem zijn.
Apostolicum
Daar zit ze nu. Voor ons is dit de laatste keer dat we haar in de Bijbel tegenkomen. Alles wat er hierna over haar geschreven of gesproken, getheologiseerd of hagiografisch vastgelegd is, onttrekt zich aan ons gezicht en aan ons geloof, omdat we ons aan de Schriften willen houden. Op onze kalenders komen de data niet voor: 8 september, het feest van haar geboorte, 2 februari, het feest van haar ‘zuivering’ (Maria Lichtmis), 25 maart, het feest van de ontvangenis, 15 augustus, het feest van haar ten hemelopneming, 8 december, het feest van haar eigen ‘onbevlekte ontvangenis’.
Zelfs de plaats die zij in de Koran (Sura 19) heeft, zegt ons weinig. De uitbundige manier waarop ze door de eeuwen heen door de kunst is ‘versierd’ en voor inspiratie heeft gezorgd als ‘moeder van God’ en als ‘koningin des hemels’ ontkennen we niet. Maar we weten: vanaf het kruis geeft Jezus haar weer een bescheiden plaats (Joh. 19:26 en 27) en bij Zijn wederkomst geeft Hij wel een aparte plaats aan Zijn twaalf discipelen, maar niet aan haar (Matth. 19:28).
Voor ons is het genoeg elke week haar naam met ere te horen in het apostolicum.
Groepsconsult
Daar zit Maria met al haar gedachten en herinneringen. In de wachtkamer van Jeruzalem. Wanneer is haar beurt? Er zit weinig schot in dit keer. Zo kan het nog wel uren gaan duren.
Maar dan gaat plotseling de deur open. Geen assistente, maar de Dokter Zelf. Is er een spoedgeval? Wordt het wachten tevergeefs? Moeten ze allemaal op een ander spreekuur terugkomen?
Daar heeft Hij het niet over. Hij heeft wel een receptenboekje in Zijn Hand. Hij zal toch niet zomaar voor iedereen wat gaan uitschrijven? Het wordt toch niet een soort ‘groepsconsult’, alsof je hier allemaal voor hetzelfde naar dit spreekuur kwam? Er is toch ook zoiets als ‘privacy’ en ‘onder vier ogen’ en eerst ‘je eigen verhaal mogen doen’?
Blijkbaar zijn er wachtkamers waar mensen met dezelfde ‘kwaal’ zich verzamelen.
Het zijn de mensen van Psalm 130, die samen met Maria en al die anderen ‘vanuit de diepte’ leerden roepen tot God. Het zijn de mensen die meer dan van medische wachtkamers in groepspraktijken al hun heil verwachten van de Ene Naam, Die balsemt de wonden en heelt elke smart.
Het zijn de mensen die aan het glinsterpapier van de kerstcadeaus niet genoeg hebben, maar die op een ander Woord wachten, op Zijn Woord ‘waarop Gij mij verwachting hebt gegeven’ (Psalm 119).
En ik?
Daar zit ik dan. Vermoeid van alle voorbereidingen voor Kerst en al verzadigd voordat het kerstmaal begint.
Daar zit ik. Mijn zoveelste kerstviering achter de rug en nog een enkele vóór me? Mijn zoveelste ‘ere zij God’, maar hoeveel daden gaan zich met mijn kerstliederen paren? Daar zit ik dan, al heel wat kerstjaren achter me en steeds minder vóór me.
Daar zit ik dan te midden van de welvaart hier en zoveel ellende elders. Wat zijn de verschillen groot en je mag toch het ‘slechte nieuws’ niet blijven wegdraaien? Ik word steeds stiller. In de verte zingt een jonge vrouw. Ik herken haar heldere stem. Is dat niet Maria? (Luk. 1:53). Haar lied doorbreekt de stilte van mijn wachtkamer.
Dat is toch voor mij advent: in de wachtkamer van Zijn tweede Komst de lamp brandend houden? Dat is toch voor mij advent: wachten op mijn beurt, als Hij mij roept voor het meest ingrijpende slechtnieuwsgesprek van mijn leven? Of wordt het een goednieuwsgesprek?
Zingen
Ik hoor zingen. Een bekende stem. Meer dan alleen om de wachttijd te doden.
‘Rijken heeft Hij met lege handen weggezonden, maar hongerigen met goederen vervuld’. Kerst-goederen. Dat zijn niet mijn kerstgeschenken, kerstkaarsen, kerstkaarten.
Kerst-goederen. Dat gaat over Zijn genade, Zijn vergeving, Zijn liefde, Zijn vrede.
Al ging er dit jaar ‘een zwaard door mijn ziel’, al kon ‘Kerst 2007’ me gestolen worden. Uit deze wachtkamer ga ik niet weg ‘tenzij Gij mij zegent’.
Er gaat een bel: volgende patiënt. Nog persoonlijker: mijn naam wordt genoemd. Ik mag in de spreekkamer komen. Wonder boven wonder wordt het een goednieuwsgesprek! Het lied uit de verte krijgt antwoord van dichtbij. Ik mag uit de wachtkamer het leven in.
Zoals Maria: begenadigd
Echt Kerstfeest vieren is: erkennen dat, ook al ben je nóg zo sterk je tóch jezelf niet kunt verlossen. Bekering is geen mensenwerk! Wie machteloos zijn handen uitstrekt en schuld erkent, die zal verstaan dat ook vandaag alléén in Jezus de grond ligt voor een nieuw bestaan. Wie als de herders leert geloven, wie als de wijzen zoekt en vindt, die zal verwonderd gaan ervaren dat ook vandaag: Gods trouw het wint!
(Truus van der Roest, in Geleid door een verheven hand)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 december 2007
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's