De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

‘Gooi het Woord er maar in’

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

‘Gooi het Woord er maar in’

Preken – ambacht en opdracht [ 3, slot ]

8 minuten leestijd

Naar aanleiding van ‘Dichtbij de hoorder’, van drs. W. Dekker en dr. J. Douma, valt er veel over de prediking te zeggen. Maar wat als de predikant zich aan alle regels der kunst houdt en toch niet dichter bij de hoorder komt?

M et het hoofdstuk over de intro van de preek uit Dichtbij de hoorder kan ik niet zo goed uit de voeten. Als voorbeeld geeft de schrijver, drs. Y. Horjus, zijn begin van een paaspreek: ‘Direct na de grote tsunamiramp op tweede kerstdag vorig jaar in Zuidoost Azië kwamen de vreselijke beelden op de tv van de verschrik kingen die daar hadden plaatsgevonden.’ Even later valt de uitdrukking ‘broodje aapverhaal’, wat staat voor een onwaar maar mooi verhaal. Is het verhaal van Jezus’ opstanding zo’n verhaal?

Hier haak ik af. Dat is enigszins te wijten aan de te lange openingszin, en vooral aan het relatief lange relaas over de tsunami. Zo’n inleiding wekt niet mijn nieuwsgierigheid, maar zet het paasgebeuren op afstand. Bij de woorden ‘broodje aap’ wordt die afstand nog groter. Hier lopen twee taalvelden door elkaar, waardoor de communicatie stokt. Is Mattheüs niet veel spannender, juist ook in de Statenvertaling: ‘En laat na de sabbat, als het begon te lichten, tegen de eerste dag der week...’?

Het hoofdstuk van ds. Horjus bevat zonder meer waardevolle adviezen. Het belang van een goede intro onderschrijf ik. Zelf span ik me er ook voor in. Is er echter geen sprake van een theologisch manco wanneer zozeer de kaarten worden gezet op een pakkend en attractief begin? Het vervolg lijdt daar ook aan: ‘Een preek moet eigenlijk een stuk entertainment bieden en een voorganger dient in sommige opzichten een christelijke conferencier te zijn.’ Ook als ik deze zin zo positief mogelijk uitleg, zeg ik toch hartgrondig: Nee! Liever een steile theologie van het Woord. En als mensen dan op de loop gaan? Dan is er voor hen slechts één remedie: bekering.

Herdersstaf

Daarom ben ik bijzonder te spreken over de bijdrage van CHEdocent dr. H. Bakker, ook al botst die in de ogen van communicatiedeskundige drs. Jaap Versluis met de moderne communicatievisie, omdat Bakkers visie te ‘zendergericht’ is en niet dynamisch genoeg. Wanneer we echter niet vanuit de opdracht van de Zender denken, ook in de overdracht van de preek, gaat er van alles mis. Het schrijven van deze artikelen deed me dat opnieuw ontdekken.

Verder schrijft Bakker dat liturgie en gebed evenzeer helpen om de hoorder op te halen en zijn horizon met die van de Schrift te laten versmelten. Een preek begint immers niet zomaar ergens. ‘Er is dus hoop, ook voor predikers die minder interessant voor de hoorder zijn.’

Wel lees ik Bakker sterk vanuit mijn eigen context. Ik kan namelijk niet meemaken wat hij vertelt over de dienst waarin hij preekte over de Goede Herder. Hij liet een schaap en een lam binnenbrengen, die de kinderen mochten aanraken. Verder stond er op het podium een herdersstaf van twee meter met talloze spijkertjes. Daaraan konden de mensen die dat wilden, een kaartje hangen waarop ze hadden geschreven wat voor hen de troost was van Christus’ herdersstaf. Terwijl de gemeente Psalm 23 zong, kwam men naar voren. De troost van dit liturgische moment ging lang mee.

Verkinderlijking

Ik kan me voorstellen dat mensen hier iets aan beleven. Het etiket ‘goed’ of ‘fout’ wil ik er niet op plakken. Symbooltaal heeft haar eigen waarde. Maar ook haar grens. Het gebeuren met de herdersstaf roept bij mij een vervreemdingseffect op. Is dit niet de ‘verkinderlijking’ waaraan sommige kerkdiensten lijden? Komen we door symboolgebruik echt dichter bij de hoorder? Moeten we ons niet beperken tot de door Christus ingestelde tekenen en zegelen? Heeft het Woord niet een armoede aan zich, die het best tot haar recht komt in een sobere, calvinistische eredienst? Of past zo’n dienst niet bij ieder mens? Hoewel... Vragen genoeg.

Geen recept

Er zijn diverse raakvlakken tussen de bundel Dichtbij de hoorder en de brochure van de Gereformeerde Bond over de prediking, Naar Christus toe. Ik signaleer die ook tussen het artikel van dr. H. de Leede en de brochure. Passie om te preken valt geen van alle te ontzeggen.

Wel dacht ik al schrijvend: in hoeverre klinkt de verlegenheid uit Naar Christus toe in dr. De Leede’s bijdrage en in de bundel Dichtbij de hoorder door? Nee, de scribenten beweren geen van allen hét medicijn in de huidige hoor- en preekcrisis te verstrekken. Onder die crisis hoor ik collega W. Dekker in zijn boekje Langs de rand (2000) zuchten. We weten ons allen verantwoordelijk voor de prediking, of we nu tot toerusting geroepen zijn of betrokken bij de opleiding van predikanten of gewoon in een gemeente werkzaam. Pas op voor verwijten over en weer, waarschuwt dr. P.J. Visser in Theologia Reformata. En stop, zo roept hij terecht op, met tobberige en klagerige schrijverij.

Dat neemt niet weg dat je toch stuit

op de vraag hoe het komt dat je niet zelden op de preekstoel staat met een doorwrochte, gereformeerde, eigentijdse preek, sensitief, vol verbeeldingskracht, rekening houdend met trends, wetend dat je door de ‘vertolking van de argwaan’ heen gekropen bent naar de ‘vertolking van het vertrouwen’, dat de taal haar eigen werkelijkheid schept, dat God ons verontrust en onder kritiek stelt en dat je de uitdaging van dr. De Leede aangegaan bent.

Volgens de regels

Maar het lukt niet. Op het moment dat je de gemeente vermaant, zijn er die een pepermunt nemen. En vertroost je haar, dan wordt er op het horloge gekeken. Terwijl de preek volgens de regels der welsprekendheid gehouden wordt. Met andere woorden: hoe goed we ons ambacht ook beoefenen, hoe spiritueel we ons ook gedragen, de prediking komt niet dichter bij de hoorder.

Voor dat ambacht draagt de Gereformeerde Bondsbrochure overi-

gens genoeg aan: voorbeelden van eigentijds levensgevoel, analyse van onze tijd, oog voor ’s mensen behoefte aan een ‘ambtsdrager’ die rituelen voor hem kan voltrekken, momenten van doorvertaling als het gaat over wet en evangelie en over de rechtvaardiging van de goddeloze enzovoort. Wat dat aangaat komt de brochure dicht genoeg bij de hoorder.

Ik weerspreek dus enigszins de kritiek van collega Dekker op deze uitgave. Maar inderdaad, ze levert niet het recept waardoor het te allen tijde lukt met dat ‘dicht(er) bij’.

Optimisme

En als collega De Leede aangeeft dat hij het ‘en toch preken’ uit de brochure als ultieme remedie te kort door de bocht vindt? Laat ik daarop twee dingen antwoorden. Allereerst dit: de aanzetten die hij in overzeese theologie heeft aangetroffen, vind ik ook bij de reformatoren, op een nog diepere wijze. Of is het een kwestie van vocabulaire? Ten tweede is onze brochure – bij alle theologische bezinning en positiekeuze die erachter zit – aan alle bezinning voorbij. Niet omdat bezinning er niet toe doet of niets oplevert. We zullen ons blijven bezinnen, ademend in de gereformeerde belijdenis, in de Schrift zelf. En toch, ook dan krijgen we de prediking niet in de vingers. Moeten we niet nog dieper leren dat zij in de aanvechting geboren wordt?

Onbekommerder moeten we zijn, heb ik de laatste tijd meer dan eens

gezegd en geschreven. Of à la Luther en Kohlbrugge: Gooi het Woord er maar in! Maar ik ontdek ook dat ‘onbekommerd’ toch nog te veel mank gaat aan optimisme. Wanneer Luthers kruistheologie wordt ingeschreven in het leven van voorganger en gemeente, houden zij bitter weinig over. Met andere woorden: ook na de (gewaardeerde!) aanzet van dr. De Leede, kom ik – ondanks zijn kritiek – opnieuw uit bij ‘en tóch preken’. En dat tegen de klippen op.

Als ambacht is de prediking enigszins maakbaar, als opdracht allerminst. Wie het tweede niet doorheeft, is over het eerste te optimistisch.

Steensjouwer

‘Het roer moet om, ’ schreef collega Visser in Theologia Reformata. Hoe? Is het niet door het juist uit handen te geven? Wellicht bedoelt hij dat ook. Laat ik wat ik bedoel, illustreren met woorden van twee mannen uit ons recente verleden, die helaas niet meer onder ons zijn. Ds. G. Boer schreef (in zijn bekende briefwisseling met dr. H. Berkhof ) dat wie de huidige cultuurfase en de vragen van de moderne mens te veel eer aandoet, buiten de centrale vraag naar de schuld van de mens tegenover God om, de wortel van het Evangelie kwijtraakt. Mijn vraag is of we dat gevaar niet lopen als we al te zeer onder de indruk zijn van de nieuwe vragen van onze tijd.

Dr. S. Gerssen sprak in zijn Grensverkeer tussen kerk en Israël over Jeremia, die met zijn prediking een zogenaamde ridder van de droevige figuur werd. ‘Met het woord van zijn God is hij te schande geworden en hij kan zich alleen maar terugtrekken, wachtend op het ogenblik dat God hem opnieuw zijn woord zal schenken. (...) Zo weerloos is de ware profeet, die zijn profetie geheel moet overlaten aan God in de hemel in de verwachting, dat Hij het door alle beschaming heen waar zal maken. Zo volstrekt geldt het, dat de profeet niet over zijn eigen boodschap kan beschikken (...) Daar is niets heroïsch aan, daar is alleen zwakheid en armoede.’

Is er dan geen belofte voor de prediking, voor de gemeente die ernaar luistert, voor de prediker die haar houdt? Jazeker, maar daar moet in het geloof om geworsteld worden. Soms ben je daar echter zo moe van dat je met Luther verzucht dat je liever steensjouwer zou worden.

H.J. Lam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

‘Gooi het Woord er maar in’

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 december 2007

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's