Emeritus geen uitzondering
Verschuivingen in de verhouding kerk en staat [2]
De verhouding kerk en staat speelt regelmatig een rol in politieke en maatschappelijke discussies. Ook in nieuwe wetgeving doet ze mee. Welke verschuivingen laten zich zien? Een serie van vier bijdragen.
De kerken hebben, gegeven de steeds van mindere betekenis wordende pensioenuitkeringen van staatswege, eigen voorzieningen voor hun emeriti ontwikkeld. Met de kerken voortgekomen uit Afscheiding en Doleantie is dat vanaf het begin van hun bestaan reeds het geval geweest, want voor hen gold de grondwettelijke toezegging niet. Zij wilden van hun kant ook principieel geen banden met de staat. Reeds de Dordtse kerkorde van 1619 bepaalde in artikel 13 over het emeritaat dat: 'Zo het geschiedt, dat enige dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening van hun dienst, zo zullen zij (…) van de kerk, die zij gediend hebben, eerlijk in hun nooddruft (gelijk ook de weduwen en wezen der dienaars in het gemeen) verzorgd worden.'
Aanspraak
De emeritaatskassen of - fondsen zijn waarschijnlijk de oudste vormen van particuliere pensioenen in Nederland. Deze kassen/ fondsen vallen op dit moment niet onder de Pensioen- en spaarfondsenwet (PSW 1954). Dat is logisch, omdat er geen sprake is van een dienstverband in de zin van het Burgerlijk Wetboek tussen de kerkelijke gemeente en de predikant. De emeritaatskassen hebben op dit moment geen kapitaalgefinancierde regeling. Hun financiering berust op een omslagstelsel.
De discussie over de status van de predikantenpensioenen dateert al vanaf de PSW 1954. Destijds was de conclusie dat een emeriteringsuitkering geen pensioen was. De band van de predikant met de gemeente die hem heeft beroepen verdwijnt niet als hij met emeritaat gaat. De predikant heeft zijn gehele leven jegens de kerk aanspraak op een beloning die voldoende is om in zijn levensonderhoud te voorzien, ongeacht de tijd dat hij daadwerkelijk zijn ambt uitoefent.
Naar het oordeel van de Verzekeringskamer (toezichthouder op de verzekeraars) was er evenmin sprake van een verzekering, omdat de uitkering niet geschiedt vanwege het feit dat premie is betaald, maar op grond van een bepaalde kwaliteit van de gerechtigde, namelijk die van predikant.
In de loop der jaren is in de praktijk een aantal veranderingen opgetreden. Zo blijkt dat bij een aantal emeritaatsregelingen wel degelijk sprake is van fondsvorming op basis van premie in enigerlei vorm. Dit is in ieder geval zo bij het pensioenfonds van de Protestantse Kerk. Bij de kleinere kerkgenootschappen verschillen de emeritaatsfondsen in uitwerking en financiering.
Geen uitzondering
Wat wilde de regering met de emeritaatsfondsen? Het kabinet gaf, desgevraagd door de Tweede Kamer, te kennen dat het van oordeel was dat wanneer emeriteringsuitkeringen dezelfde kenmerken hebben als normale pensioenen er geen reden meer is voor een uitzonderingspositie. Kernpunt is de vraag of emeritaatsfondsen onder een vorm van overheidstoezicht moeten vallen. Al naar gelang het karakter van zulke fondsen verschilt het toezichtsregime. Als er sprake is van de uitoefening van een verzekeringsbedrijf, dan valt men onder de Wet financiëel toezicht (Wft). Is het géén verzekeringsbedrijf dan valt men noch onder de Wft noch onder de Pensioenwet (Pw). Wanneer er – derde mogelijkheid – echter sprake is van een pensioenovereenkomst tussen werkgevers en werknemers dan geldt uiteraard het toezicht op grond van de Pw. De vraag of de Pw van toepassing is, is niet afhankelijk van de wijze van financiering, maar van de vraag of er sprake is van een pensioentoezegging in de zin van de Pw. De beantwoording van deze vraag gebeurt door de toezichthouder. Op het moment dat er sprake is van een pensioenovereenkomst in de zin van de Pw, bestaat er geen vrijheid om wel of niet onder de Pw te vallen.
Ruimere overgangstermijn
De regering vond het wenselijk dat die emeritaatsfondsen die thans het verzekeringsbedrijf uitoefenen – en dus nu onder de Wft vallen – onder de pensioenwetgeving kunnen vallen. Zij zag daartoe twee mogelijkheden. In tegenstelling tot de PSW kent de nieuwe Pw de mogelijkheid om een categorie personen, niet zijnde werknemers, voor de toepassing van de Pw gelijk te stellen met werknemers. Dat zou betekenen dat alle predikanten als werknemer worden beschouwd. De regering erkende intussen wel dat de verhouding tussen de predikant en de gemeente een andere is dan die tussen werkgever en werknemer en dus zijn predikanten geen werknemers in de zin van de Pw. De tweede mogelijkheid die de regering zag, was om predikanten als zelfstandigen te beschouwen en in dat geval zouden zij een verplichtstelling op grond van de Wet verplichte beroepspensioenregelingen (Wvb) kunnen aan vragen.
Of de Pw van toepassing is, is als gezegd niet afhankelijk van de financiering, maar van de vraag of er sprake is van een pensioentoezegging. Maar indien de Pw van toepassing is dan zijn uiteraard ook de vereisten ten aanzien van de financiering van toepassing. Eerder werd al opgemerkt dat de emeritaatsfondsen niet alle een kapitaalgefinancierde regeling
kennen. Daar waar sprake is van onderdekking zal het betreffende fonds dan in overleg met de toezichthouder namens de staat, in dit geval De Nederlandsche Bank (DNB), een herstelplan op moeten stellen. DNB kan daarbij maatwerk leveren, waarbij, zo zegde de regering toe, rekening zal worden gehouden met de specifieke omstandigheden van een pensioenfonds.
DNB heeft alle bekende fondsen reeds voor overleg benaderd. Een belangrijke vraag van de Tweede Kamer (de christelijke fracties) was hoeveel jaren de fondsen de tijd krijgen om kapitaaldekking op te bouwen. Na de inwerkingtreding van de PSW in 1954 hebben de meeste pensioenfondsen er dertig jaar over gedaan om een kapitaalgedekt stelsel op te bouwen. Een motie van Kamerlid Huizinga-Heringa, waarin de Kamer de regering verzocht een ruimere overgangstermijn te gunnen, is door de Kamer aangenomen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zegde toe deze uitspraak naar DNB door te geleiden.
Geen toezicht
Veel minder voorspoedig was het lot van een door de SGP (Van der Vlies) ingediende motie, waarbij de regering werd verzocht de emeritaatsfondsen categorisch uit te zonderen van toezicht door de toezichthouder (waarbij emeritaatsfondsen die dat zelf willen zich onder toezicht kunnen plaatsen). De argumentatie voor dit verzoek bestond in de opvatting
(a) dat, gegeven de onderscheiden domeinen van kerk en staat, kerken een eigen vorm van toezicht kennen,
(b) dat predikanten (veelal) geen werknemer in de zin van het Burgerlijk Wetboek zijn en
(c) dat bij veel emeritaatsfondsen geen sprake is van pensioenopbouw, wel van een toezegging van de zijde van de kerk. Bovendien meende deze woordvoerder te kunnen constateren dat er tot nu toe, ondanks het feit dat er niet van een kapitaaldekking sprake is, geen problemen zijn gerezen, in die zin dat kerken niet aan hun verplichtingen hebben kunnen voldoen.
Het standpunt dat een uitzonderingspositie voor de kerken ten aanzien van verplicht toezicht zou moeten gelden, riep heftig verzet op van de zijde van de PvdA en de VVD. De motie werd op 26 september door de Kamer verworpen.
Het gevolg is nu dat in het overleg tussen DNB en de emeritaatsfondsen van de onderscheiden kerken zal moeten worden uitgemaakt in hoeverre het toezicht op deze fondsen ook op de kerken van toepassing zal zijn. Het overleg is nog gaande.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2008
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 2008
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's