De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zekerheid

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zekerheid

Openingswoord predikantencontio 2008

9 minuten leestijd

Ook in een domineeshart is veel ónzekerheid. En een aangevochten geweten. Alleen God weet ons daaruit te halen. Omdat Zijn Zoon in Zijn dood de dood voor ons verslagen heeft.

Onze gemeenteleden zijn dikwijls op zoek naar zekerheid. Dat geldt zowel de wat meer piëtistischen als de meer modernen en postmodernen onder hen. Alleen al psychologisch gezien is dat verklaarbaar. Want hoe zouden zij kunnen leven, hoe zouden zij hun werk kunnen doen, hoe zouden zij een gezin kunnen vormen, hoe zouden zij allerlei gebeurtenissen onder ogen kunnen zien en tegemoet kunnen treden, wanneer ze niet zouden beschikken over een stukje basisvertrouwen? Maar hebben ze dat altijd? Meer dan eens begeleiden we hen op de zoektocht daarnaar. Dat is het agogische moment in ons werk, waarop soms gewezen wordt.
Naast dit zoeken naar bestaanszekerheid is er het zoeken naar geloofszekerheid. Die twee zoektochten lopen dikwijls door elkaar heen. Ze zijn verstrengeld.
Dat kan ook niet anders. Het geloof is immers geen apart compartiment in ons leven, maar bepaalt als het goed is al ons doen en laten, ons denken en voelen. Sommige gemeenteleden kunnen ons goed duidelijk maken welke vragen ze op dit vlak hebben. Bij anderen liggen deze meer verscholen of worden ze weggeduwd en gecamoufleerd. Een groot deel van ons pastoraat cirkelt in elk geval om deze problematiek.

Behoefte
Niet alleen onze gemeenteleden zijn op zoek naar zekerheid, het geldt ook van ons als voorgangers. Zijn we daarmee niet bijna dag en nacht bezig? En dan doel ik in dit verband niet zozeer op onze inzet met het oog op de kudde die aan onze hoede is toevertrouwd, maar op onze eígen zoektocht. Juist in ons ambt hebben wij grote behoefte aan zekerheid. Op allerlei terrein: ik denk aan het beleid in onze gemeente, aan de aanpak van de catechese en de catechisanten, aan onze houding tegenover evangelicale invloeden of ten opzichte van ultra-rechts, aan onze politieke opstelling, aan wat prioriteit moet hebben in ons werk en onze tijdsindeling. Wie verlangt op al zulke terreinen niet naar een zekere (weloverwogen) beslistheid?
De behoefte aan zekerheid wordt nog groter als het om onze theologische habitus gaat: zit ik goed, wanneer ik Augustinus en Calvijn als mijn Leitsterne beschouw, of – twee totaal andere namen – Lewis en Packer? Of zou ik de moed moeten opbrengen veel van zulke namen als ballast aan de kant te schuiven? En waar doe ik wat betreft mijn prediking goed aan: een meer bevindelijke insteek of heb ik meer voor het objectieve te gaan?

Eentje van u
Ik wil nog een laag dieper boren: hebben wij ook niet meer dan eens onze vragen aangaande ons eigen kind-zijn van God? We verkondigen anderen het heerlijk evangelie, maar hoe heerlijk vinden we het zelf?
'k Las in de afscheidspreek van ds. Frans Breukelman (1916-1993) bij zijn vertrek uit Simonshaven (in de bundel Dominee of tentenmaker? ): Die man hier op de kansel, achter de geopende Schrift, ‘is een zeer middelmatige man, helemaal niet uitzonderlijk begaafd, eigenlijk zomaar eentje van u, net zo eentje als u zelf bent: even opgejaagd, even onrustig, even angstig, even ongelovig, twijfelend, heen en weer geschokt – hoe kan het ook anders – door wat je zo van week tot week meemaakt; even zoekend en tastend, even dwaas, even zondig – en nog zondiger misschien dan u allen – even ongehoorzaam; net zo één als u.’
We herkennen zijn verzuchting. De ene keer worden we daar bovenuit getild. Gebeurt dat niet meestentijds al prekend? Maar er zijn ook ogenblikken genoeg dat je aan de grond blijft zitten en dat zelfs twijfel aangaande het Godsbestaan je kan aanvreten.

Onheilszekerheid
Zelf kijk ik dan altijd wat jaloers naar Paulus, die het in Romeinen 8 uitbazuint: ‘Want ik ben verzekerd.’ En naar David met zijn krachtige est-zinnen (zinnen waarin een belijdenis geponeerd wordt): ‘In God ís al mijn heil, mijn eer.’ En niet te vergeten naar Luther met zijn uitspraak: ‘Het geloof is een levendig en ongeschokt vertrouwen op Gods genade, dat daarvan zó zeker is dat het duizendmaal daarvoor zou sterven.’
Nu heeft de reformator maar al te zeer geweten van ónzekerheid, met name toen hij in het klooster zat en daar zijn bittere strijd voerde om heilszekerheid. Het eerste gebod drukte hem op de onontkoombare eis God boven alles te vrezen en liefhebben en vertrouwen. Maar tot zijn grote schrik ontdekte hij dat onze liefde tot God nooit ongedeeld en zuiver is, omdat wij – niet 't minst in onze vroomste uitingen – bezig zijn onszelf te zoeken. Diep in ons hart wensen wij zelfs zélf God te zijn. Zo kras zag hij dat. Dat levert, ook in een domineeshart, veel onzekerheid op, ónheilszekerheid. En een aangevochten geweten.

Toegezegd
Alleen God Zelf weet ons daaruit te halen. En wel door Zijn Zoon in deze tohoewabohoe, deze woestheid en ledigheid te zenden. Midden in die zondige chaos behaalt Hij de overwinning. ‘Het was een wonderlijke strijd, die dood en leven streden, ’ dichtte Luther. We kennen wellicht Bach z'n triomferende toonzetting van deze woorden in een paascantate. 'Zo heeft Christus,' herdichtte Ad den Besten, 'in Zijn dood de dood voor ons verslagen.' Het is in de verkondiging dat dit ons toegezegd en geschonken wordt. En wij mogen nota bene steeds weer de eersten zijn die het te horen krijgen, en dan ook geschonken krijgen.
Hier ontstaat de zekerheid van het heil. Het is de zekerheid dat God ons liefheeft, ons die Hem van huis uit niet liefhebben. Deze zekerheid is het geloof, het (naakte) vertrouwen. En God liefhebben houdt in: zich door God laten liefhebben. En je door Hem laten liefhebben, loopt uit op het Hem leren liefhebben.

Pijlen
Actueel, deze wijze van denken? Aansprekend? Van belang lijkt mij het axioma (onomstotelijke vooronderstelling, red.) dat geen mens los is van God. Bovendien geeft Hij Zichzelf te kennen onder andere door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld. Prof.dr. G. van de Brink prentte ons dat vorige maand nog in zijn oratie in naar aanleiding van artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. En het atheïsme, of dat nu van theoretische of praktische aard is, is een bewijs van de onzekerheid die ook de geavanceerde mens anno 2008 heeft aangaande God: hoe zit het nu precies met Hem? Welke kloof gaapt er tussen mij en Hem? In dit verband krijgen Romeinen 1 en 2 (daarover gaat het ook in artikel 2) hun gewicht, waar Paulus spreekt over het goddelijk gericht. Op dat gericht schieten mensen hun pijlen af door God voor hun eigen gericht te trekken. Omgekeerd schiet God Zijn pijlen op de mens af. Om hem te verwonden, opdat deze zich aan Zijn liefde gewonnen zal geven. Door middel van Zijn Woord doet Hij dat. Want zoals vertrouwen en zekerheid onder ons mensen door middel van woorden ontstaan, woorden van sympathie en genegenheid, zo ontstaat onze zekerheid aangaande Gods genade aan het Woord van Zijn beloften.

Onderscheid
Het is goed in dezen Luthers onderscheid tussen certitudo en securitas voor het voetlicht te halen. Certitudo is de van God geschonken zekerheid, securitas zelfverzekerdheid, in de negatieve zin van het woord. Certitudo, de positieve zekerheid, heeft te maken met een relatie, in dit geval die tussen God en mens; de securitas, de negatieve zekerheid, betekent dat díngen betrouwbaar zijn: een bepaalde constructie moet daarvoor zorgen. Hebben wij, ook als voorgangers, er niet meer dan eens last van onze verhouding tot God te zien als een zaak van securitas? Dan is God een zaak, een ding, waarop we beslag willen leggen. En dienen Zijn gaven als steigerwerk voor ónze theologie, ónze prediking. Dat zit behoorlijk diep in een predikantenziel. Echter, hoe meer ik op zoek ben naar securitas, hoe meer God mij ontglipt. Anders: hoe meer securitas, hoe minder certitudo.
Soms moet God mij zelfs de gereformeerde theologie uit handen slaan, opdat ik ontdekt word aan mijn hang naar securitas, naar zelfverzekerdheid. En lijkt dat niet heden ten dage te gebeuren? Want hoevelen worden er door de gereformeerde theologie verslagen? Duizenden. En door andere theologieën? Tienduizenden. Wij moeten steeds opnieuw leren dat onze methode het niet doet en dat wat onder ons volkomen zekerheid heeft, slechts worstelend verworven wordt.

Vreze des Heeren
Daarom gaat de ware zekerheid altijd vergezeld van de vreze des Heeren en de schrik des Heeren. Paulus spreekt daar indringend over: ‘Wij dan, wetende de schrik des Heeren.’ Christus Zelf zei eens: ‘Vreest veel meer Hem Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.’ En van Luther is het onlutherse woord bekend dat ook de grootste heiligen hun beste werken deden uit vrees anders de genade te verliezen en het heil te verspelen.
Maar juist zo, in deze gestalte, wordt de certitudo, de zekerheid geboren, waarin wij ons verlaten op God alleen. Hoe minder securitas wij overhouden, hoe meer certitudo wij ontvangen. Die twee zijn net de schalen van een ouderwetse weegschaal: wanneer de een stijgt, daalt de ander, en omgekeerd.
Wíj lopen elke dag gevaar de certitudo te verliezen. Van de weeromstuit meten we ons dikwijls een houding van securitas aan. We móéten immers wat! Zou men daarom in onze gemeenten soms niet bezig zijn met vernieuwingen? Terwijl anderen niet beter weten te doen dan het oude vast te houden. In hoeverre heeft dat alles te maken met securitas, waarin we ons verschansen tegenover God? Want de door Hem gegeven zekerheid komt wel erg ‘afsnijdend’ op onze oude mens over.

Verzekerd
Totdat we er erg in krijgen dat slechts het coram Deo overblijft, het staan voor Gods aangezicht. En weer: dat wordt ons enkel en alleen in en door het evangelie geschonken, elke dag opnieuw. En slechts in de mate waarin wij zelf het evangelie omhelzen en de zekerheid vastgrijpen, zullen wij het aan anderen kunnen doorgeven. Zij zullen het ons dan nazeggen dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden en eeuwig heil geschonken is.
Het is vooral de reformatorische theologie die ons zo leert denken en geloven. Zij weet als geen andere uit de Schrift datgene naar voren te brengen wat de heilszekerheid ten goede komt. Laten onze gemeenteleden maar steeds naar die zekerheid vragen. En laten wij doorhebben dat achter veel van hun vragen déze vraag schuilt.
Maar laten we niet schromen hun ook het nodige te vragen, vooral aan de hand van onze Catechismus: Wat is je enige troost in leven en sterven? Hoe sta jij recht tegenover God? Zal men ook de jonge kinderen dopen? Waarom noemt u Hem ‘Onze Vader’? Met name zulk vragen doet groeien in het geloof. En ruimt de securitas aan de kant. En leidt, met vreze en beven, naar de certitudo, waardoor we getuigen, meer dan eens tegen onszelf in: ik ben verzekerd dat niets mij kan scheiden van Christus’ liefde. Dankzij Hem durven we de aloude vraag of ook een dominee zalig kan worden, te beantwoorden met ‘ja’. En leven wij vroom en vrolijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Zekerheid

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's