Van 2 naar 52 zondagen
Bezinning op zending [2]
Her en der in het land houden gemeenten op zondag zogenaamde zendingsdiensten. Eén of twee keer per jaar staat de zending even in het midden van de belangstelling. Uiteraard wordt dan gecollecteerd voor de zending en de voorganger is bij voorkeur een zendingspredikant.
Prachtig. Dat is natuurlijk mooi. Door de week heeft niemand tijd en op zondag is de gehele gemeente erbij betrokken. Zo hoort het ook. Zending is geen liefhebberij van avonturiers, geen klus voor een commissie, maar een zaak van de hele gemeente. Heel het lokale lichaam van Jezus Christus is betrokken bij het mondiale lichaam van Jezus Christus. Het is de taak van alle leden om bij te dragen aan de opbouw en uitbreiding van het Koninkrijk van God, dichtbij huis en wat verder weg, met gebed en met gaven. Alle waardering dus voor deze initiatieven. Mijn collega’s van het veld, het kantoor en ik werken er graag aan mee. En toch, tegelijkertijd aarzel ik altijd even, als ik word gevraagd om in zo’n zendingsdienst voor te gaan. Waarom?
Eerste gemeenten
Mijn aarzeling heeft te maken met wat bezwaren. Het eerste bezwaar heeft te maken met de uitzonderlijke plaats die zending op deze manier krijgt. Zending lijkt iets te zijn waarvoor je (slechts?) één of twee keer per jaar de aandacht vraagt. Vanzelf dringt zich de vraag op: en die andere zondagen dan? Waarover gaat het tijdens de andere diensten? Is zending één van de vele taken van de gemeente naast allerlei andere taken? Anders gezegd: doet de gemeente aan zending of is de gemeente zending?
In het boek Handelingen lezen we over de gemeente van het Nieuwe Testament. Het valt op dat de eerste gemeenten sterk missionair zijn. De leken gaan het land door en verkondigen het Woord (Hand. 8:4) en de verstrooiing versterkt de verspreiding van het evangelie. Bovendien wordt er veel gereisd en geschreven, zodat de gemeenten van meet af aan betrokken zijn op de hele wereld. De eerste christelijke gemeente heeft niet zomaar twee keer per jaar een zendingszondag, maar is vanzelfsprekend en voortdurend betrokken bij de wereld.
Buiten-gewoon
Dat is natuurlijk ook de bedoeling. Wij doen soms net alsof er staat: Alzo lief had God de kerk, maar dat zegt Johannes 3:16 niet. Het gaat God om de wereld. Die had Hij zó lief, dat Hij daarvoor Zijn Zoon schonk. En, zo zegt de Zoon, zoals de Vader Mij gezonden heeft, zó zend Ik jullie (Joh. 20:21). Jullie doen niet zo nu en dan aan zending, jullie zijn zending. Een stad boven op een berg kun je niet verbergen en is dus altijd zichtbaar (Matth. 5:14). Die zichtbaarheid hoort bij de identiteit van de stad. Zo gezien doet de gemeente niet aan zending, maar is ze zending. Dat hoort bij de identiteit van de gemeente. Alleen al op basis van de naastenliefde zijn christenen altijd uit op de heelheid van de schepping. Niet zo maar af en toe, maar overal en altijd, in de kerk en erbuiten.
Daar ligt één van mijn bezwaren. Deze speciale zendingsdiensten kunnen nu zomaar de suggestie wekken dat zending iets uitzonderlijks is, iets voor bijzondere christenen, iets ongewoons, iets extra’s. Buiten-gewoon. Dat is bezwaar nummer één.
Tekstkeuze
Daar komt nog iets bij. Zo’n dienst moet natuurlijk wel over zending gaan. Daarom bestaat bij de voorbereiding van zo’n dienst de verleiding om op zoek te gaan naar bijbelteksten die expliciet de opdracht tot zending verwoorden.
Maar dat is minder eenvoudig dan het lijkt.
Ten eerste ben je aangewezen op een klein aantal teksten, zoals Mattheüs 28:19, met alle voorspelbaarheid van exegese en toepassing van dien.
Ten tweede is het dan nog een hele toer om vanuit die bijbelteksten uit te komen bij de plaatselijke gemeente die een bepaalde zendingswerker heeft uitgezonden of geadopteerd. Zeker als het iemand betreft die betrokken is bij microkredieten of actief is in de gehandicaptenzorg. Hoe kom je van ‘Ga heen en verkondig het evangelie’ tot ‘Ga heen en verleen kredieten’ of van ‘Maak discipelen’ tot ‘Verzorg gehandicapten in den vreemde’? Wat hebben die kredieten of gehandicapten te maken met het uitgaan en verkondigen?
Passen uiteenzettingen om dergelijke complexe verbanden tussen expliciete zendingsopdrachten en huidige werkvelden helder te krijgen wel in zondagse preken? Zijn dergelijke bijbelteksten dan wel geschikt om te gebruiken als uitgangspunt voor een preek tijdens een zendingsdienst?
Nu zijn er tal van andere bijbelteksten die nadrukkelijk spreken over de komst van het Koninkrijk van God in deze wereld, over het heil voor alle mensen of over de lof op de Naam van God door alle volken. Passende teksten die christenen motiveren om in deze wereld betrokken te zijn bij de verkondiging van het Koninkrijk lezen we in de Bijbel vanaf Genesis 1. Maar het vraagt wel veel van spreker en luisteraar om op basis van bijvoorbeeld het eerste vers van Genesis een zendingszondag te vieren.
Daarnaast is het de vraag of de plaatselijke zendingscommissie dat nu bedoelde. De tekstkeuze is dus het tweede bezwaar op grond waarvan ik aarzel als ik word gevraagd om een zendingsdienst te leiden.
Kerkorde
Maar goed, wat dan? Helemaal geen zendingsdiensten meer? Of in ieder geval niet naar de GZB bellen om mee te denken over zendingsdiensten? Dat kan de strekking van mijn betoog natuurlijk niet zijn. Ik pleit voor iets anders. Aan de hand van een aantal vragen wil ik iedereen vragen om naar zijn of haar gemeente te kijken. Daarna doe ik een voorstel.
Om officieel te beginnen: Waar gaat de meeste aandacht van de kerkorde naar uit? Ik geef alvast een hint. Alleen al als het gaat om het aantal bladzijden, blijkt dat zo’n 25 procent van de ruimte besteed wordt aan de predikantsplaats, de ambten en ambtelijke vergaderingen en zo’n 3 procent aan missionaire onderwerpen in de breedste zin van het woord. Zegt dat iets over onze verdeling van aandacht en energie?
Neem het kerkblad en tel de activiteiten in de wijk. Hoeveel activiteiten, vergaderingen, verenigingen en clubs zijn gericht op kerkmensen en hoeveel op de wereld? Wat valt op grond van het kerkblad te vertellen van de inspanningen om het Koninkrijk van God uit te breiden?
Discussies
Luister eens naar de discussies die de kerk(enraad) voert, als het gaat om besluiten in de kerk. Willen kerkenraadsleden tegemoetkomen aan vraagstellers, gaat het ze om de rust in de gemeente, hebben ze theologische vragen of denken ze in de eerste plaats vanuit het bereiken van de wereld? Als het gaat om veranderingen in de liturgie welk soort argumenten telt dan? In welk hoofdstuk van het beleidsplan komt de missie in beeld?
Wat is de doelgroep van de preek? Is deze uitsluitend gericht op kerkgangers en hun geloofsleven, of zou een buitenkerkelijke zich ook aangesproken voelen? Zijn het taalgebruik en de voorbeelden van de kerkdienst op zondag ook te gebruiken in gesprekken met collega’s van het werk op maandag?
Dichterbij huis
Nu wat dichterbij huis. Hoe vaak spreekt u met niet-christenen? Bestaat uw familie- en kennissenkring uit gelijkgestemden of ontmoet u regelmatig andersdenkenden? Gaat u vertrouwelijk om met mensen die God niet kennen?
Volhardt u in het gebed voor uw ongelovige buurvrouw of onkerkelijke collega?
Hopelijk bent u mijn vragen nog niet moe en neemt u het mij niet kwalijk dat ik nog persoonlijker word. Luister eens naar uw gebed. Bidt u voor het werk in de kerk en daarnaast ook voor evangelisatie en zending? Als het gaat om concrete voorbeden voor mensen: bidt u vooral voor kerkmensen of voor niet-gelovigen? Bidt u voor mensen die naast u wonen en voor (of met?) collega’s?
Onbegrijpelijk
Als u nadenkt over antwoorden op deze vragen, dan ontdekt u waarschijnlijk een bepaalde eenzijdigheid. In zijn algemeenheid gesproken zijn wij in de kerk gericht op onszelf. Velen van ons zijn opgevoed in een verzuilde maatschappij met een vriendenkring ‘van de kerk’. Heel wat mensen werken in de vertrouwde sfeer van christenen. Ook is onze leef- en woonomgeving voor een groot deel gerelateerd aan onze gemeente. In dat alles is veel wat we niet genoeg kunnen waarderen.
Maar er is ook een keerzijde, een rekening. Die rekening wordt betaald door de wereld. We zijn eerst op onszelf georiënteerd en de wereld komt daarna in het vizier. Als het gaat om inhoud en vorm of om aandacht en energie komt onze naaste tekort. En goed beschouwd is dat onbegrijpelijk.
Als u en ik ervan overtuigd zijn dat we maar op één manier rust kunnen vinden, als u en ik God en onze naaste liefhebben, als er buiten onze kerk zoveel mensen dwalen zonder God, als dat allemaal zo is, dan is het onbegrijpelijk dat we zo gericht zijn op onszelf.
Pleidooi
Daarom pleit ik voor een uitbreiding van het aantal zendingszondagen: van twee naar 52. Diensten, gericht op de wereld. De wereld in het perspectief van het Koninkrijk. Dan komt de buitenlandse zending vanzelf wel een paar keer voorbij. Waarschijnlijk vaker dan twee keer per jaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 januari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's