Een gewone organisatie
Verschuivingen in de verhouding kerk en staat [4, slot]
De verhouding kerk en staat speelt regelmatig een rol in politieke en maatschappelijke discussies. Ook in nieuwe wetgeving doet ze mee. Welke verschuivingen laten zich zien? Een serie van vier bijdragen.
Vanouds zijn de kerken gewend aan inmenging van de overheid in kerkelijke aangelegenheden. Ik noem nu slechts de Wet op de kerkgenootschappen van 10 september 1853 en de Zondagswet van 15 oktober 1953. (De eerste is overigens in 1988 ingetrokken; de tweede is, hoezeer ook gewijzigd, nog steeds van kracht.) De scheiding van kerk en staat in staatsrechtelijke zin omvat kort gezegd vier elementen.
1. Zowel de staat als de kerk functioneren als zelfstandige lichamen, die elk voor zich naar eigen inzicht hun institutionele orde bepalen.
2. De kerkgenootschappen dienen door de staat gelijk te worden behandeld – dus mag de overheid geen partij kiezen.
3. Kerken bezitten geen publiekrechtelijke bevoegdheden.
4. Alleen in bijzondere situaties is sprake van een (positieve) zorgplicht van de overheid ten opzichte van kerken en hun leden, bijvoorbeeld de geestelijke verzorging van gedetineerden en militairen en hulp in achterstandsituaties van religieuze groeperingen.
Hieruit vloeit voort dat de overheid een eigen taak heeft ter bescherming van het rechtsverkeer. Dat recht kan – in beperkte mate – eisen stellen aan het optreden van kerken in het rechtsverkeer. Er vloeit ook het principe van gelijke behandeling of non-discriminatie (artikel 1 van de grondwet) uit voort en het grondrecht op vrijheid van godsdienst (artikel 6 van de grondwet).
Bijzonder karakter
Dat kerken en hun leden geen bevoorrechte positie innemen in vergelijking met andere organisaties en andere burgers valt tot op grote hoogte te accepteren. Daarbij moet wel één essentiële voorwaarde in acht worden genomen wat de kerken betreft, namelijk dat de staat het bijzondere karakter van de kerken (als gestalten van de kerk van Christus) onderkent en er rekening mee houdt.
‘Rekening houden met’ kan op twee tegenovergestelde manieren plaatsvinden. Of men kent de kerken bijzondere rechten toe en/of men legt ze bijzondere verplichtingen op. Een bijzondere rechtspositie zou in overeenstemming kunnen zijn met de zelfstandigheid als element van de scheiding van kerk en staat. Een uitzonderingspositie zou strijden met het beginsel van gelijke behandeling.
De zelfstandigheid vindt onder andere uitdrukking in het burgerlijk wetboek, dat de rechtspersoonlijkheid van kerken aanvaardt, ánders dan dit boek doet als het om verenigingen, stichtingen, vennootschappen gaat. Men kan deze uitzondering zien als een concrete uitwerking van de godsdienstvrijheid.
Die godsdienstvrijheid kan krachtens de grondwet aan beperkingen worden onderworpen door specifieke en algemene dwingende wettelijke bepalingen. Dát is wat gebeurt in de in de vorige artikelen behandelde Pensioenwet, de Handelsregisterwet en de Successiewet. De werkwijze van de wetgever komt er dan op neer dat men de kerken aan dezelfde regelingen onderwerpt als andere organisaties en vervolgens op een enkel specifiek aspect van de regeling een alternatieve regeling creëert.
Meer dan één vraagteken
De tendens bij de seculiere politieke partijen is om de kerken net zo te behandelen als civiele, algemeen nut beogende instellingen, terwijl sommige – geredeneerd vanuit de idee dat godsdienst een privé-aangelegenheid is en moet blijven – het algemeen nut van godsdienstige genootschappen betwisten.
Vanuit de grondwettelijke en internationaal erkende vrijheid van godsdienst bezien mag van wetgever en bestuur verwacht worden dat inperking van de bestaande vrijheid van de kerken niet maar in algemene termen maar specifiek wordt gemotiveerd. Of dit vereiste in voldoende mate in acht is genomen bij de besproken nieuwe wetgeving kan van meer dan één vraagteken worden voorzien.
Publiek geheim
De ontwikkelingen met betrekking tot de Pensioenwet, de Handelsregisterwet en de Successiewet zijn een uitdrukking van de tendens om kerken gelijk te schakelen met andere organisaties. Dat is in beginsel al begonnen toen in artikel 6 van de grondwet van 1983 de levensbeschouwing gelijkwaardig werd verklaard met godsdienst.
Weliswaar heeft dit er tot dusver niet in geresulteerd dat genootschappen op geestelijke (levensbeschouwelijke) grondslag in alle opzichten werden gelijkgeschakeld met kerkgenootschappen.
Los hiervan kan echter aan de hand van allerlei nieuwe wetgeving de conclusie worden getrokken dat de tendens tot gelijkschakeling van de kerken met willekeurige andere maatschappelijke organisaties zich doorzet. Zonder hier nu verder op in te gaan zou ook de Wet identificatie bij dienstverlening en de wellicht komende nieuwe aftrekregeling voor giften aan goede doelen, waaronder die aan kerken, genoemd kunnen worden.
Die gelijkschakeling is een vorm van rechtsgelijkheid, overigens zonder dat de noodzaak daarvan wordt aangetoond. Want het is een publiek geheim dat het streven om het handelen van de kerken aan meer voorwaarden te binden en dus meer plichten op te leggen niet los gezien kan worden van de opkomst van nieuwe religies en de organisaties daarvan in ons land.
Omdat daar nu en dan onwettige en soms criminele praktijken worden geconstateerd, worden deze organisaties aan een strak wettelijk regiem onderworpen. Om niet te discrimineren wordt ook de traditionele kerken dat juk opgelegd.
Te negatief ?
Zijn we in onze conclusies niet te negatief, zou men kunnen vragen. Is er niet juist onder het huidige kabinet weer meer positieve belangstelling van overheidszijde voor de kerken dan in het verleden wel het geval was? We konden vernemen dat het kabinet overleg met de kerken wenst te voeren. De invalshoek van het overleg is de rol die de kerken kunnen spelen in de dialoog tussen het kabinet en de samenleving over de doelstellingen van het coalitieakkoord. Partijen zullen met elkaar spreken over wijkverbetering en integratie, maar ook vraagstukken op Europees en mondiaal niveau komen aan de orde. In het verleden werden de kerken ook al eens bij de waarden- en normendiscussie betrokken.
De kerken doen er goed aan op de uitnodiging van regeringszijde in te gaan. Elke mogelijkheid om zich te laten horen in de publieke discussie moet met beide handen worden aangegrepen. Niettemin ontkomen we niet aan de gedachte dat het de regering is die support voor haar doelstellingen van de kerken verwacht. Als dat lukt, is dat mooi meegenomen voor een kabinet dat bij velen het imago heeft kerkvriendelijker te zijn dan een reeks voorgaande kabinetten. Of er ook ruimte en wederkerige support van de overheid bestaat voor de inbreng en wensen van de kerken, staat nog zeer te bezien.
Harde constatering
Of is dat opnieuw te negatief gesteld? Wat er ook zij van de recente beweringen dat de religie terug is in onze samenleving, we kunnen niet om de harde en teleurstellende constatering heen dat de betekenis van de religie voor het publieke leven in Nederland nog steeds afneemt. Het vorig jaar gepubliceerde onderzoek God in Nederland toonde opnieuw aan dat het niet goed gaat met de kerken wat betreft ledenaantallen en kerkbezoek. En ongeorganiseerde religiositeit kan wel invloed hebben, maar is geen gesprekspartner voor de overheid.
Echt verbazen kan het ons niet dat de overheid de bijzondere gestalte van de kerk niet (meer) onderkent, aangezien zij zichzelf al lang niet meer als een instelling Gods beschouwt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's