INGEZONDEN
Christen en homoseksualiteit
Het standpunt van prof.dr. G. van den Brink over homoseksualiteit en christen-zijn in deze tijd (geciteerd in de rubriek Uit de pers van ds. J. Maasland in De Waarheidsvriend van 24 januari) verontrust mij.
1. Voorzichtigheid in het trekken van conclusies met betrekking tot standpunten in een bepaalde culturele context is zeker geboden. Ik vind dat elke generatie de vertaling van de vaste bijbelse principes naar de praktijk opnieuw moet maken.
2. Als je kijkt hoe het de SGP is vergaan met de positie van de vrouw, stemt dat tot nadenken en noopt dat tot voorzichtigheid. Eerst stond in het beginselprogram dat vrouwenkiesrecht strijdt met de roeping van de vrouw. Nu kunnen vrouwen ook lid van de partij worden. Misschien kunnen op den duur vrouwen de partij zelfs vertegenwoordigen, als je kijkt naar de mening van de SGP-jongeren.
3. Volgens mij komt dat vooral doordat men de conclusies met betrekking tot een bijbels principe teveel voor altijd vast wil leggen. Het principe is duidelijk: God schiep de mens als man en vrouw, wel gelijkwaardig maar niet gelijk. Bovendien heeft de vrouw in de regering van de kerk beslist niet dezelfde plaats als de man. De man is het hoofd van de vrouw; dat kun je niet omkeren. Een en ander staat natuurlijk wel haaks op het enorme gelijkheidsstreven van deze tijd. Het christelijke gedachtegoed is anders. En dat levert discrepantie op, alhoewel ook christenen in deze tijd vaak meer door de tijdgeest beïnvloed zijn dan ze zich bewust zijn.
4. Het standpunt van dr. G. van den Brink met betrekking tot homoseksualiteit lijkt mij meer ingegeven door de problemen van de ChristenUnie met deze zaak. Je kunt zeker niet spreken van theologische gefundeerdheid. Wat de Bijbel ervan zegt, is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Maar van burgers in de samenleving wordt door de overheid gevraagd dat ze homoseksualiteit als gelijkwaardig accepteren. En dat kan en mag een christen niet. Dan verbannen we het spreken van de Bijbel uit de samenleving. En ook wat de vertegenwoordiging van een christelijke partij door een praktiserend homoseksueel persoon aangaat: je kunt dat mijns inziens absoluut niet aan iedereen zelf overlaten; sommige mensen hebben een erg ruim geweten.
5. Nu dan de intentie. Stoot het benoemen van het verkeerde van homoseksualiteit niet zodanig af dat de mensen niet meer met het wezenlijke van de boodschap van het evangelie te benaderen zijn? Eerlijk gezegd vind ik dat een foute tegenstelling. Het evangelie is juist voor zondaren. Maar als zondaren bij Jezus komen, zegt Hij: ‘Ga heen en zondig niet meer.’ We moeten ons nooit boven anderen verheffen, want wij zijn van dezelfde lap gescheurd. Als christenen laten merken dat ze hun naaste lief hebben, dan mogen ze ook zeggen dat God de zonde haat.
6. Christenen moeten niet bang zijn om de smaad van Christus te dragen. Als het dragen van regeringsverantwoordelijkheid inhoudt dat het christelijk getuigenis monddood wordt gemaakt, dan moet je je afvragen of je wel op de goede weg bent. Ik weet best wel dat niet iedereen alles op elk moment kan zeggen; ‘de rechtvaardige kent tijd en wijze’, zegt de Schrift. Ook is de ruimte die je hebt soms beperkt. Maar het gaat er vooral om Wie wij willen dienen. Als wij Hem dienen, laten we Zijn Woord staan.
Het niet communiceren van een niet populair standpunt over homoseksualiteit zal de bereidheid om het evangelie te geloven echt niet bevorderen.
J. ten Hove, Wezep
Reactie
Ik ben br. Ten Hove erkentelijk voor zijn ingezonden tekst. Op verzoek van de redactie licht ik mijn schrijven graag nog met een enkel woord toe. Ik nam in de bewuste rubriek in Theologia Reformata feitelijk geen standpunt in, maar stelde enkele vragen en maakte een paar denkbewegingen, in overeenstemming met de naam van de rubriek (‘Reflexen’). Ik deed dat juist vanwege hetgeen br. ten Hove zelf in zijn schrijven aandraagt onder punt 1, 2 en de eerste regel van punt 3. Dat zijn mijns inziens. zeer behartigenswaardige overwegingen. Hoe die zich precies verhouden tot het vervolg, is mij niet helemaal duidelijk. De parallellie tussen de vragen die de SGP bezighouden rondom de positie van de vrouw en die waarvoor de CU zich gesteld ziet inzake homoseksualiteit, is immers opmerkelijk. Maar de omslag binnen de SGP die Ten Hove beschrijft, kan hij blijkbaar meemaken, terwijl wat hij onder 6 schrijft daar toch ook tegen ingebracht zou kunnen worden. Zou het dan niet beter zijn om de overeenkomst in de vragen waarvoor SGP en CU zich geplaatst zien te erkennen, en van daaruit over en weer begrip te tonen voor de worsteling die het vergt om daar goed mee om te gaan? Beslissend is natuurlijk in beide gevallen hoe we vandaag in gehoorzaamheid aan de Schrift invulling geven aan wat God van ons vraagt. Dat is, zoals de door Ten Hove genoemde verschuivingen in de opvattingen over de plaats van de vrouw laten zien, nog niet altijd zo eenvoudig als het soms lijkt. Ik heb dan ook vooral beoogd aan de bezinning daarop op het punt van homoseksualiteit een kleine bijdrage te leveren, zonder daarmee overigens het laatste woord erover te hebben willen spreken.
G. van den Brink, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's