De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een Fries in Noord-Brabant

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een Fries in Noord-Brabant

8 minuten leestijd

Prof.dr. Wim ter Horst gebruikt het voorbeeld van een Fries in Noord-Brabant om aan te geven dat de christelijke opvoeding vandaag niet meer vanzelf gaat. In het blad Opbouw (uitgave die verschijnt binnen de Nederlands Gereformeerde Kerken) van 18 januari wordt hij geciteerd door Henk Algra, orthopedagoog.
Hij schrijft een artikel onder de titel De kerk als opvoedingsgemeenschap.
Ik citeer: ‘Vroeger groeiden kinderen in (het grootste deel van) Friesland op in een omgeving die Fries met elkaar sprak. Het Fries leren spreken ging min of meer vanzelf. Zo ging het ook met de geloofsopvoeding. In grote delen van Nederland was het vanzelfsprekend: je ouders gingen naar de kerk en jij dus ook, net als de buren en de kinderen uit de klas.’ Algra constateert terecht: dat beeld is bijna overal verleden tijd. Een christelijk opvoedingskader is er nauwelijks meer.
Daarom lijkt de geloofsopvoeding tegenwoordig op de situatie van Friese kinderen die in Brabant opgroeien. Niemand in de omgeving spreekt Fries. Geen enkele klasgenoot kent bûter, brea en griene tsiis. Als de ouders toch willen dat hun kinderen Fries leren spreken, dan zullen ze daar doelbewust in moeten investeren.
Zo gaat dat ook met de geloofsopvoeding. Het gaat niet meer vanzelf. Het is niet meer automatisch zo dat als de ouders thuis geen aandacht besteden aan de verhalen uit de Bijbel, de kinderen het dan wel bij de buren of op school horen. Je moet je dus als ouders actief inzetten. Doe je dat niet, dan zal het geloof voor de kinderen weliswaar nog een beetje de nestgeur van vroeger vertegenwoordigen (‘och ja, zo ging dat toen’), maar niet meer dan dat.
Daarbij moet ik denken aan mijn eigen situatie als een in Brabant geboren Fries. De Friese taal klinkt me als muziek in de oren, het is de taal die mijn ouders thuis tegen elkaar spraken. Maar ik heb deze taal nooit actief leren spreken. Behalve thuis hoorde ik de taal nergens. Ik heb er dus ook nooit mee geoefend.

Dr. Ter Horst ziet bij de geloofsopvoeding, aldus Algra, een grote plaats weggelegd voor opvoedingsgemeenschappen en de kerkelijke gemeente heeft een goede structuur om ouders daarbij te helpen. Binnen de gemeente komen ouders die dezelfde normen hebben, al worden die soms wel verschillend uitgewerkt. Je hebt oudere en jongere gemeenteleden. Mensen kennen elkaar en de een heeft een zekere praktische ervaring opgebouwd om daarmee de ander van advies te kunnen dienen.
Wat vragen ouders? In onze kerkelijke gemeente werd een oriëntatieavond gehouden voor ouders van baby’s en peuters. Het bleek dat de vragen legio waren. Ik noem er enkele: Waarom komt mijn kind zo moeilijk in slaap? Wat zijn goede boeken om voor te lezen? Hoe verdeel je gezin en werk? Hoe trek je als ouders één lijn? Wat kan ik doen als mijn peuter zo ontzettend dwars is? Wat is een goede Bijbel voor peuters? Hoe stel ik grenzen? Welke televisieprogramma’s zijn geschikt voor peuters? Hoe verdeel ik mijn aandacht? Hoe ga ik om met de welvaart om mij heen: moet mijn kind ook zoveel speelgoed? Hoe speel je met kinderen? Hoe ziet mijn zondag er met het gezin uit?
Opvallend is het brede scala aan vragen. Een deel is praktisch en alledaags, een ander deel vraagt naar de praktijk van de geloofsopvoeding, maar er zijn ook vragen rond zingeving. Maar het is zelfs zo dat een groot deel van de vragen ook bij ouders van buiten de kerk leeft. Er is wat voor te zeggen om deze bijeenkomsten ook voor andere ouders open te stellen.
Wat een mogelijkheden biedt de structuur van de christelijke gemeente! Opvoeden doe je niet alleen. De structuur ligt al klaar om het samen te doen! Er zijn genoeg onderwerpen om het hele nieuwe jaar te vullen. En dat is ook de wens van de jonge ouders in de gemeente.
Hoe staat het met de begeleiding en opvoeding van de pubers. Een spannende leeftijd meestal. Zeker ook als het gaat over het resultaat van de geloofsopvoeding. Soms hebben ouders het verlammende gevoel dat ze eigenlijk te laat zijn. Ze bereiken hun zoon of dochter niet meer.
Nu zullen er mensen zijn die vinden dat het juist bij pubers er op aan komt. Dán zitten de ouders met de handen in het haar. De kleuter gaat nog wel mee naar de kerk. Hij zegt nee, maar doet uiteindelijk ja. Maar die puber blijft gewoon op zijn bed liggen, hij zegt nee en hij doet nee. Het is waar: pubers laten duidelijk zien en horen wat ze willen.
Tegelijkertijd moeten we niet bij voorbaat zeggen dat de puberteit ‘de’ problematische leeftijd is. Het is ook een boeiende, inspirerende en zeer oorspronkelijke leeftijd. De ene puber geeft daar op een andere manier invulling aan dan de ander.

Toch zijn er goede redenen om met de gesprekken met ouders veel vroeger te beginnen. Ook in gesprekken tussen ouders onderling geldt: jong geleerd, oud gedaan. Naarmate het meer gewoon is om elkaar te bevragen en te steunen, zal dat gesprek ook later gemakkelijker verlopen. Bovendien wordt het emotionele fundament van het kind al in de eerste drie jaar gelegd. Ook daarom hebben ouders elkaar nodig om in een veilige sfeer met elkaar ervaringen uit te kunnen wisselen.
Terecht pleit Algra voor een pedagogisch reveil binnen de kerken. ‘Te lang is er gedacht dat ieder gezin het zelf maar uit moest zoeken. Het moet weer gewoon worden om met elkaar te spreken over opvoeding.’

In Ambtelijk Contact (Maandblad ten dienste van ouderlingen en diakenen van de christelijke gereformeerde kerken in Nederland, januari) schrijft prof.dr. W. Verboom over het thema Wat willen we met de catechese? Wie zijn publicaties en boeken kent, zal veel herkennen van wat we hier citeren. Hij is niet zonder reden omschreven als de ‘ambassadeur van de catechese’. Maar in aansluiting op het vorige lijkt het me goed om het nog maar weer eens te lezen waar de kerkelijke geloofsopvoeding haar Schriftuurlijke wortels heeft.
Eerst enkele bijbelse uitgangspunten. In het Oude Testament nam het leren van kinderen/jongeren een grote plaats in: zie Deuteronomium 6 en Psalm 78, waarin over de opdracht en over de zegen van de geloofsoverdracht wordt geschreven. Opvallend is het kader waarin dit leren plaatsvindt: het verbond. Dat is de genadige relatie die de Here God met zijn volk aangaat. Tot dit verbond behoren niet alleen de volwassenen, maar ook hun kinderen. Teken en zegel ervan is de besnijdenis. Dat kinderen ertoe behoren, betekent dat God ook aan hen zijn heil belooft, nog vóór ze van iets weten, en hen tegelijk oproept om bij het opgroeien het verbond te beantwoorden, evenals hun ouders. Dat is hen niet aangeboren, dat moeten ze leren. Dat gebeurt in het kader van het verbond en is ten diepste het werk van de Heilige Geest. Maar Hij doet dat gewoonlijk door middel van mensen: allereerst de ouders, maar voorts ook de gemeente. Ook in het Nieuwe Testament neemt het leren een grote plaats in: Mattheüs 28:19 (zendingsbevel), Kolossenzen 3:16 (leren en vermanen). De kinderen van de gelovigen behoren ook bij de gemeente, ze zijn heilig (1 Kor. 7:14). Ouders krijgen in dat kader de opdracht om hen te leren. (Ef. 6:4). In het Oude Testament was het leren er op gericht om het verbond te beantwoorden, in het Nieuwe Testament is het leren er op gericht om als gedoopt mens te leven. Gedoopt worden is een diepingrijpend gebeuren (Rom. 6:3-5). Het is het teken en zegel van het delen in het heil in Christus, het sterven met Hem, het opstaan met Hem. Dat moet je leren. Leren leven als gedoopt mens is inhoudelijk gezien hetzelfde als het leren leven om het verbond te beantwoorden.
Met de Reformatie komt een geestelijke vernieuwing van de kerk. Gods Woord gaat weer open, gericht op een persoonlijke relatie van mensen met God. Het leren krijgt daarbij opvallend grote aandacht. Men begint bij de kinderen van de gelovigen, die ook kinderen van de gemeente zijn. Zij behoren ook tot het verbond. Teken en zegel daarvan is de kinderdoop. Daarin schittert Gods genade: Hij is de eerste. Het geloofsonderricht in de Reformatie staat dan ook in het kader van het verbond. Het is er evenals in Israël op gericht om kinderen te leren als van het verbond te leven, door het geloof in de Heiland.
Men leerde de kinderen evenals in het Nieuwe Testament te leven als gedoopte kinderen. Catechese is daarom doopcatechese. De Reformatie wijst vooral de ouders op hun taak hierin; men denke aan de derde doopvraag: ouders beloven hun kinderen te (laten) onderwijzen. Daarbij valt te denken aan de scholen en aan de kerk zelf. Dit laatste is nieuw. De kerk zelf neemt het geloofsonderricht ter hand. Zo groeit er een infrastructuur voor het leren van een nieuwe generatie: gezin, school en kerk. Het is een grondstructuur van het leren in onze traditie geworden.

Een paar jaar geleden heeft dr. Verboom in een persoonlijk autobiografisch getoonzet boek verteld hoe hij zelf in Kollum in het ouderlijk huis opgroeide waar het geloof beleden en beleefd werd, een echte opvoedingsgemeenschap dus (Het bevindelijk nest, 2002). Over een Fries in Noord Brabant gesproken, ook al woont onze collega sinds enkele maanden in Gelderland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Een Fries in Noord-Brabant

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's