BOEKBESPREKING
Gert van de Weerd: De Profeet Hosea. Uitg. De Bink, Leiden; 459 blz.; € 35,00. Salvador Bloemgarten Hartog de Hartog Lémon, 1775-1823. Joodse revolutionair in Franse Tijd. Uitg. Aksant, Amsterdam, 498 blz.; € 39,90.
Gert van de Weerd:
De Profeet Hosea.
Uitg. De Bink, Leiden; 459 blz.; € 35,00.
Met bewondering voor zijn werklust, hem door God gegeven, mag melding worden gemaakt van de uitgave van een nieuwe bijbelverklaring, inmiddels de zevende al, van Gert van de Weerd. Deze keer schreef hij een verklaring op de profeet Hosea.
We zijn dankbaar dat opnieuw de boodschap van de profeten wordt belicht. Zelf kreeg en heb ik sinds ik kandidaat was een grote voorliefde voor de prediking uit de profeten. Nog steeds preek ik graag over profetische teksten.
De verklaring van de profetie van Hosea is bepaald niet eenvoudig en stelt de uitleggers voor veel moeilijk te beantwoorden vragen. De auteur geeft zijn eigen, vaak originele bijdrage, die van groot belang is, die soms ook aanleiding kan zijn tot discussie of tot verschil van inzicht. Enige aandachtspunten belicht ik. De profeet zet in naam van zijn Zender de tien stammen, Israël, later vooral Efraïm genoemd, resoluut opzij in het oordeel van God over hen. Verstrooid over de hele wereld wonen ze, in familieverband onder vele volken. Inmiddels onderscheidt men twee volksdelen: Joden, het vroegere twee stammenrijk, en Israëlieten, de overige tien stammen. Velen zijn al terug gekeerd en de vereniging van de twee volksdelen acht de auteur al voorzegd in Ezechiël 37:19. Maar het Messiaanse Rijk komt. In onze tijd is er toenemende belangstelling voor de eindtijd.
Van de Weerd hanteert de zogenaamde carnale exegese, waarmee bedoeld is dat de letterlijke betekenis van de tekst leidraad voor de verklaring is. Daarbij heeft de Bijbel altijd het laatste woord. Schrift met Schrift vergelijken, heet de methode. Daarin val ik hem van harte bij. Al te snel liet men vaak de letterlijke zin schieten. De allegorische exegese is daartegenover nog steeds vrij dominant aanwezig. Israël werd, zoals de schrijver vaststelt, vaak geruisloos uit de tekst weggestreept. De allegorische verklaring staat haaks op de joodse uitleg van de Schrift. Alleen waar de carnale aan de allegorische uitleg voorafgaat, acht Van de Weerd die aanvaardbaar. Lange tijd bestudeerden christenen de Bijbel gescheiden van de Joden. Wij moeten, zo stelt deze exegeet, een brug naar het Jodendom slaan door het Oude Testament als hoofddeel van de Bijbel te zien. Het Nieuwe Testament is te zien en te waarderen als een supplement op het Oude. Pas toen Jezus verworpen werd, is het uitgekomen, maar Christus Zelf zou spreken, volgens de auteur, van een al in Zijn tijd voltooide Bijbel, zie Mattheüs 5:17 en 18. Zijn theologie is gebaseerd op het Oude Testament en daarin is Hij toch ons voorbeeld? Maar zegt Christus dat zo, met deze bedoeling?
Wanneer Van de Weerd stelt dat de dogmatiek nooit over de Schrift mag heersen, acht ik dat terecht. Dogmatische exegese kan de Schrift onder een stolp zetten. Maar wanneer hij stelt dat logica steunt op feitenkennis en dogmatiek op persoonlijk inzicht en eigen overtuiging, plaats ik een vraagteken. De rechte geloofsleer doet mijns inziens recht aan wat de Schrift zegt, al moeten we oppassen voor een gekunsteld systeem.
En of men ook steeds zo’n strikt onderscheid kan maken tussen geïnspireerde en gedicteerde bijbelboeken betwijfel ik. In zijn theologie van de logica ziet hij de gemeente van Christus en het door God verkoren volk Israël verschillende wegen, verschillende heilswegen gaan. Voor mij is de grote vraag of God die wegen ook gaat en wil laten gaan.
Wat ik wel zeer waardeer is dat de auteur onvoorwaardelijk buigt voor het gezag van de Heilige Schrift en heel zorgvuldig aandacht vraagt voor de grondtekst. Door in zijn verklaring de tekst vers voor vers te vertalen en daarbij verschillende vertalingen naast of achter elkaar te zetten, probeert hij de lezers de zin van het Godswoord te doen verstaan. Kanttekeningen en excursen verlevendigen de commentaar.
Zijn er bij mij gemengde gevoelens van hartelijke instemming en op zijn minst ernstige vragen en soms twijfel, toch verrijkt deze commentaar al met al het inzicht in en de kennis van de boodschap van de profeten, in het bijzonder die van Hosea. De zeer verzorgde uitgave is in een woord schitterend te noemen. Het moge de schrijver gegeven zijn om ook de ‘resterende’ profeten nog te ‘behandelen’.
W.Chr. Hovius, Apeldoorn
Salvador Bloemgarten:
Hartog de Hartog Lémon, 1775-1823. Joodse revolutionair in Franse Tijd.
Uitg. Aksant, Amsterdam, 498 blz.; € 39,90.
Hartog de Hartog Lémon was in de zogeheten Franse tijd (1795-1813) een opmerkelijk figuur in de Amsterdamse joodse wereld. Zijn biograaf Bloemgarten omschrijft zijn belangstelling voor hem als volgt: ‘Al jaren intrigeerde mij deze Asjkenazische armendokter door de felheid waarmee hij als Nederlandse patriot zich inzette voor de gelijkberechtiging van zijn joodse geloofsgenoten en tegelijk van leer trok tegen het conservatisme van parnassim en opperrabbijn van de toenmalige Amsterdamse Hoogduitse Joodse Natie.’ Eigenlijk is in deze regel het leven van Hartog samengevat. Heel zijn leven heeft hij gewijd aan de strijd tegen de discriminatie van Joden in binnen- en buitenland. Hij heeft daarvoor de toenmalige politieke context resoluut gebruikt om zijn doel te bereiken.
Gevangenneming is zelfs zijn deel geweest, beschuldigd van mogelijke deelname aan een anti-Frans complot. Toch werd in de dagen van de Bataafse Republiek de burgerlijke gelijkstelling van Joodse ingezetenen met hun Nederlandse landgenoten gedecreteerd. Dat leek het begin te zijn van een geslaagde integratie van Joden in de Nederlandse samenleving, aldus Bloemgarten. Maar hij schrijft in de epiloog van zijn biografie dat de bekende Jacques Presser altijd getwijfeld heeft aan het volledige succes van die Joodse emancipatie en integratie.
Onderhuids is onder ons volk het antisemitisme blijven bestaan, ook onder weldenkende Nederlanders die niet met het nazigif waren besmet. Presser is samen met Theodor Herzl ‘de minderheidspositie van Joden als belangrijkste oorzaak blijven zien van het blijkbaar onuitroeibare antisemitisme ook in Nederland’.
Ten slotte, Bloemgarten besluit zijn studie met de opmerking dat in de loop der tijd door historici veel aandacht is besteed aan de bijdragen van vader en zoon Asser en Jonas Daniël Meijer aan de emancipatie van de Joden in Nederland, en dat terecht. Maar ten onrechte bleef daardoor de bijdrage van Hartog de Hartog onderbelicht. Daar heeft hij voorgoed een eind aan gemaakt met zijn prachtige biografie. Zeer aanbevolen.
J. Maasland, Barneveld
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 februari 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's