De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Niet zij, maar ik

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Niet zij, maar ik

In poëzie Lievaart valt persoonlijk zondebesef op

6 minuten leestijd

Wij sloegen Hem aan t kruis. Zo luidt de verrassende eerste regel van De soldaat die Jezus kruisigde, een bekend gedicht van Martinus Nijhoff. Zo'n regel zet je als lezer aan het denken en dat is een eigenschap van goede poëzie.

Het hele gedicht is in de ik-vorm geschreven – die ‘ik’ moet, gelet op de titel, de soldaat zijn die de spijkers sloeg – maar toch begint de eerste regel met ‘wij’. Een opvallend voorbeeld van veralgemenisering: het is niet die ene soldaat die Jezus aan het kruis nagelde. De bedoeling is duidelijk. Die ene soldaat staat voor de overige soldaten.
Sterker nog: hij staat model voor de mens in het algemeen. Het is al te gemakkelijk om voor het lijden en sterven van Jezus met de vinger te wijzen naar bepaalde personen rond Jezus. Het is te simpel de schijnwerper te richten op anderen: Judas die Hem voor bloedgeld verried, Pilatus die Hem niet vrij durfde te spreken, de Joden die Hem dood wensten of de soldaten die het vonnis voltrokken. Zo kunnen we zelf buiten schot blijven.

Ik
Wat Nijhoff hier als dichter vertolkt, is in de Nederlandse poëzie van de afgelopen eeuwen helemaal niet nieuw. Ik denk aan de Deventer predikant-dichter Jacobus Revius, die zo’n drie eeuwen eerder leefde dan Nijhoff. Hij wordt thans, zeker buiten het orthodox-protestantse volksdeel, weinig meer gelezen. De taalbarrière speelt daarin zeker een belangrijke rol: zeventiende-eeuwse taal is niet eenvoudig. Maar minstens één gedicht uit zijn Over-ysselsche sangen en dichten heeft wel een grotere bekendheid gekregen, tot op de dag van vandaag: het beroemde gedicht ‘Hij droeg onze smerten’.
In dit lijdensgedicht, in de vorm van een sonnet, stelt hij nadrukkelijk: het zijn niet de Joden, het zijn niet de krijgslui die Jezus kruisigden, maar ik ben de schuldige.
Ik ben 't, o Heer,
ik ben ’t die U dit heb gedaan,
Ik ben den zwaren boom
die U had overlaân,
Ik ben de taaie streng
daarmee Gij gingt gebonden,
Ik ben de schuldige,
want ik ben zondaar en ook om mijn zonden
ging Hij aan het kruis.

De laatste regel, die alles compact samenvat, luidt dan ook: Want dit is al geschied, eilaas! om mijne zonden.

Judas en Petrus
Behalve dichters van naam als Revius en Nijhoff hebben ook minder bekende dichters verzen geschreven die de moeite waard zijn en op treffende wijze fundamentele bijbels-christelijke gedachten verwoorden. Zo werd ik op een gegeven moment getroffen door een gedicht van Harry Prenen. Er zullen niet veel lezers zijn die deze dichter kennen.
Prenen (1915-1992) was in het dagelijks leven historicus, journalist, illustrator en dichter. Hij werkte onder meer als geschiedenisleraar bij het voortgezet onderwijs en als redacteur bij Elseviers Weekblad en de Haagse Post. Haarlem was de stad waar hij woonde en die hij liefhad, net als zijn vriend Godfried Bomans. Ze werden wel aangeduid als de ‘Haarlemse School’. Prenen heeft een groot aantal werken van Bomans van illustraties voorzien en na diens dood, in 1971, heeft hij zich ervoor ingezet om door publicaties en lezingen diens nagedachtenis in ere te houden. Als dichter is hij vrijwel vergeten. Waarschijnlijk is zijn bekendste vers het kerstgedicht ‘Midden in de winternacht’.
Het gedicht van Prenen dat mij opviel, draagt de titel ‘Goede Vrijdag’.
In het eerste deel, twee korte strofen, geeft hij een korte typering van Judas en Petrus, in het langere tweede deel richt de schijnwerper zich net als in Revius’ gedicht op ik en mijn. Daar staat de vraag centraal: ‘Ik zou hun rechter zijn?’

Goede Vrijdag
Toen Judas Jezus had verraden
vond hij geen uitweg dan de strop;
waar alle poorten der genade gesloten zijn,
– en hing zich op.

Toen Petrus driemaal had gelogen
tussen soldaten en een vrouw,
ging hij naar buiten,
in zijn ogen de hete tranen van berouw.

En ik? Ik zou hun rechter zijn?
Ik schonk de beker met venijn;
ik bood voor minder nog Uw leven,
maar heb het geld niet teruggegeven,
en mengde edik in de wijn.
Ik heb U honderdmaal bedrogen,
mijn gal in uw gelaat gespogen,
en duldde dat men U verried;
maar ging weer slapen, zonder zorgen,
de hanen kraaiden elke morgen:
en niettemin, ik weende niet.

De tekening is scherp. Judas is de verrader bij uitstek. Hoewel er ook voor de grootste der zondaren genade is, mits hij berouw kent en zich bekeert, koos hij niet voor bekering maar voor de strop. Petrus was in zekere zin ook een verrader – tot driemaal toe loochende hij dat hij bij Jezus hoorde – maar hij toonde wel berouw. Maar dan krijgen we de wending naar ik en mijn. De dichter wil zeggen: Ik moet ermee ophouden naar anderen te kijken, naar de figuren om Jezus heen. Ik heb niet het recht over hen rechter te spelen. Maar moet de hand in eigen boezem steken. Hier resoneert als het ware de regel van Revius: ‘Ik ben ’t, o Heer’.
De dichter verplaatst zich in de personen rond Jezus die we kennen uit het lijdensevangelie. Wat zij deden, deed ikzelf en zelfs nog in ergere mate. Hij verplaatst zich in de soldaten die Hem wijn met gal te drinken gaven: ‘Ik schonk de beker met venijn’. Hij vereenzelvigt zich met Judas die Jezus voor dertig zilverstukken verried: ‘Ik bood voor minder nog Uw leven, / Maar heb het geld niet teruggegeven.’ Hij herkent zich ook in Petrus: ‘Ik heb U honderdmaal bedrogen.’ De ik steekt de hand in eigen boezem. Wat hijzelf deed, is vele malen erger. Petrus verloochende slechts driemaal, hijzelf wel honderdmaal. Petrus weende toen de haan kraaide, maar de ik zegt van zichzelf: De hanen kraaiden elke morgen: en niettemin, ik weende niet.

Niet ik, maar Hij
Het gedicht van Revius, dat ik aan het begin aanhaalde, bevat méér dan de belijdenis ‘Ik ben ‘t, o Heer’. Er is een gedachte, een diep bijbelse waarheid die daarboven uitgaat. Revius verwoordt die gedachte kernachtig in de titel: ‘Hij droeg onse smerten’. Niet ik, maar Hij. Wij kunnen zelf de straf van God over onze zonden niet dragen, ook niet als wij een diep zondebesef hebben. Ik kan mijzelf niet redden. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem. Johannes schrijft in zijn evangelie: ‘Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.’

Inge Lievaart bedoelt hetzelfde met haar gedicht De nieuwe mens’. In haar poëzie treft ons steeds weer een persoonlijk zondebesef. Ook in ‘De nieuwe mens’, waarin ze spreekt over alles ‘wat wij misdeden’. Wij verkeren zonder Christus in de ‘diepte’, de zonde maakt ‘scheiding’ tussen God en ons. Maar Goede Vrijdag en Pasen verwijzen ons zondaren nadrukkelijk naar Hem, de nieuwe mens, Die zonde en dood overwon en de scheiding opheft.

De nieuwe mens
Christus ging als eerste waar het water stond,
waar de diepte heerste schiep Hij vaste grond.
Christus trok als eerste door de doodsjordaan,
wat als scheiding heerste kan niet meer bestaan.

Christus staat als eerste mens voor Gods gezicht,
waar de doodsnacht heerste wenkt en lacht het licht.
Al wat wij misdeden is met Hem vergaan,
die gelooft is heden met Hem opgestaan.

Christus is de ‘eerstgeborene uit de doden’ (Openb. 1:5).

Ongetwijfeld zinspeelt de dichteres hierop door in de beginregel van de eerste drie strofen het woord ‘eerste’ te gebruiken: Christus is de eerste, de nieuwe mens. Ieder die met Hem door het geloof verbonden is – ‘die gelooft’ staat er in de laatste strofe – mag weten: al wat ik misdeed, is met Hem ‘vergaan’ en ik ben reeds heden met Hem ‘opgestaan’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Niet zij, maar ik

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's