Het licht gezien
Dood is dood, lijkt het levensdevies van velen te zijn. Maar of dat wel zo zeker is voor iedereen, is de vraag. Ik baseer deze overweging op de hausse van aandacht voor wat heet de bijna-doodervaring ofwel BDE. De Arnhemse cardioloog Pim van Lommel schreef er een boek over: Eindeloos bewustzijn. Een wetenschappelijke visie op de bijna-doodervaring. Stapels liggen er van in de boekwinkels en ze blijken als warme broodjes over de toonbank te gaan. In drie maanden tijd werden er vijftigduizend exemplaren van verkocht en intussen ligt de negende druk in de winkel.
Van Lommel beweert dat de BDE van alle tijden is. Hij verwijst naar wat Paulus in 2 Korinthe 12:1-4 over zichzelf vertelt. Dat zou volgens hem ook een BDE hebben kunnen zijn. Ook wordt naar Dante Alighieri verwezen, die in zijn La Divina Commedia een tocht van zeven dagen beschrijft, door hel en vagevuur naar de hemel: iemand met een bijna-doodervaring wellicht. Van Lommel concludeert dat de BDE meer dan ooit in onze tijd voor komt. Hij schrijft dat toe aan de ontwikkelingen in de medische wetenschap. Er sterven ieder jaar in ons land veertigduizend mensen aan een hartstilstand, maar door de veel ruimere mogelijkheden van reanimatie overleven steeds meer mensen zo’n levensbedreigend gebeuren.
Inventarisatie
Cardioloog Van Lommel vraagt al meer dan twintig jaar aan zijn patiënten die in het verleden een hartstilstand hebben overleefd, of ze nog een herinnering hebben aan de periode dat ze bewusteloos waren. Uit een inventarisatie onder leiding van dokter Van Lommel blijkt: Van de 344 Nederlandse patiënten die na een hartstilstand met succes waren gereanimeerd, herinneren 62 zich een bijna-doodervaring. Van hen heeft ruim de helft prettige gevoelens gehad, een derde heeft een tunnel gezien, een kwart heeft het gevoel gehad uit het lichaam te treden, 14 procent zag een intens licht en 13 procent had het leven aan zich voorbij zien trekken. Ik ontleen deze gegevens aan een artikel in de Volkskrant van 16 februari.
De conclusie van dokter Van Lommel komt hier op neer. Ons persoonlijk bewustzijn is een individueel aspect van een oneindig bewustzijn, het ‘non-lokale’ bewustzijn, waarmee BDE’ers tijdelijk in contact komen. De dood is niet veel meer dan een overgang naar een andere staat van bewustzijn. Want er is, aldus Van Lommel, ook een universeel of collectief menselijk bewustzijn, dat elk individu met al het bestaande verbindt of met alles wat ooit heeft bestaan of nog zal bestaan.
VolZin
In VolZin, ‘opinieblad voor geloof en samenleving’ (8 februari), schrijft prof.dr. Auke Jelsma een bijdrage waar hij boven zet: ‘Een oude kwestie: geloven in een ziel die niet bestaat’. Hij haakt in op het zojuist genoemde boek van Pim van Lommel, Eindeloos bewustzijn. Hij schrijft hoe de kerk in de vijftiende en zestiende eeuw met heel veel klem de leer van het vagevuur als waar vaststelde. Dat de ziel na de dood voortleeft en bewustzijn behoudt, mocht absoluut niet betwijfeld worden. Dat synodes deze uitspreken noodzakelijk vonden, had te maken met ontwikkelingen in de medische wetenschap van die dagen.
Voor het eerst sinds eeuwen werd het ontleden van het menselijk lichaam als methode in onderzoek en onderwijs gehanteerd. Bij deze anatomische lessen werd ijverig gezocht naar de plaats in het lichaam waar de menselijke ziel zich opgehouden kon hebben. Er werden verschillende mogelijkheden opgesomd, zoals de hersenholte, de ruimte tussen de ogen, het hart of het bloed. De medici die zich met dit onderzoek bezighielden, kwamen tot de conclusie dat zo’n plek nergens gevonden kon worden. Daarmee veranderde hun levensbeschouwing. Een eeuwige ziel bestaat niet, constateerden zij. Dit tot grote verontrusting van de kerkleiding. In deze periode deed het spreekwoord opgeld: ubi tres medici, duo athei: op elke drie medici tref je twee atheïsten aan. Een bewust en zelfstandig voortleven van de ziel na de dood van het lichaam werd door de medici steeds vaker op wetenschappelijke gronden onmogelijk geacht. Er was geen reden om bang te zijn voor wat de mens na zijn sterven nog te verduren kon krijgen. Als bij het sterven ook ziel en bewustzijn ophielden te bestaan, kon er immers geen sprake zijn van hel en vagevuur.
Woede
Kerkelijke autoriteiten, aldus Jelsma, reageerden woedend. ‘Begrijpelijk: een belangrijke bron van inkomsten dreigde verloren te gaan. Maar gevreesd werd ook dat het volk hierdoor elk gevoel voor moraal verliezen zou.’ Als er geen eindgericht meer was, waarom zou je je dan immers in dit leven inhouden? In die dagen werd de leer van het vagevuur ook nog van een andere kant bedreigd: de 95 stellingen van Luther waren in eerste instantie immers ook tegen de aflaathandel gericht.
Het is vooral Calvijn geweest die het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel met klem verdedigde. Hij wijdde diverse studies aan dit onderwerp. Volgens hem waren in zijn geboorteland Frankrijk duizenden de overtuiging toegedaan dat met het sterven van het lichaam ook de ziel ophield te bestaan. Hij legde de schuld hiervan vooral bij artsen die hij bij name noemde. Eén van hen was de Spaanse medicus Michael Servet. Doorgaans wordt verondersteld dat het conflict tussen de beide mannen, en dus ook de reden waarom Calvijn op de dood van Servet aandrong, veroorzaakt werd door de kritiek van Servet op de leer van de Drie-eenheid. Dat was ook een belangrijk geschilpunt. Maar er was nog een reden waarom Calvijn hem bestreed. Hij verweet Servet ook dat die door zijn opvatting over het sterven van de ziel het onderscheid tussen mens en dier uitwiste. Bij zijn arrestatie in Genève werd als aanklacht tegen Servet ingebracht dat hij de overtuiging koesterde 'dat de ziel van de mens even sterfelijk was als het lichaam', kortom dat de ziel met de dood van het lichaam niet langer over bewustzijn beschikte. Zijn leven lang heeft Calvijn zich met het eeuwige voortbestaan van de ziel beziggehouden. Dat de mens beelddrager van God genoemd kon worden, gold zijn ziel, niet zijn lichaam. Met deze zienswijze bleef hij de traditionele rooms-katholieke kerkleer trouw, zij het dan dat hij de leer van het vagevuur volstrekt van de hand wees en dus ook niets van dodenmissen, gebeden voor de gestorvenen en de aflaatcultus weten wilde. Waarom dan toch die nadruk op een voortbestaan van de ziel? Als mensen daar niet meer in geloofden, leidde dat, meende hij, tot verlies van religieus gevoel, tot syncretisme (versmelting van verschillende godsdienstige opvattingen, red.) en uiteindelijk tot atheïsme. Dan zouden mensen de angst voor het laatste oordeel verliezen, vreesde hij.
Aantasting
Botsing dus tussen wetenschappelijk onderzoek en geloof. Dat zou niet tot de zestiende eeuw beperkt blijven, zoals we intussen weten. Jelsma constateert dat toen, in de zestiende eeuw, maar eigenlijk nog altijd in de discussie de vrees wordt geuit dat wetenschappelijk onderzoek uiteindelijk het religieus besef aantast. Hij haakt dan in op het thema dat Pim van Lommel en anderen vandaag aan de orde stellen: hoe zit het met de ziel van de mens, met het bewustzijn, ook als de dood is ingetreden of dreigt in te treden?
Sinds de zestiende eeuw wordt in de medische wetenschap dus over het algemeen aangenomen dat hartstilstand en hersendood elke vorm van bewustzijn onmogelijk maken. Juist daarom is het des te opmerkelijker dat het geloof in een voortbestaan van de ziel los van het lichaam toch weer springlevend is geworden. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de reacties die readings van het televisiefenomeen Char oproepen. (Het Amerikaanse spiritistische medium Char maakt contact met overleden dierbaren, red.) In haar kijkjes achter de schermen van de dood heeft het middeleeuwse vagevuur plaats moeten maken voor een speeltuin en oefenplaats waarin de zielen van de gestorvenen nog naar hartenlust van elkaar kunnen genieten. Maar ook in de wetenschap dringt het besef door dat de materialistische opvatting van weleer misschien toch niet afdoende antwoord biedt op verschijnselen die zich voordoen op het raakvlak tussen dood en leven. Zo heeft de cardioloog Pim van Lommel op grond van bijna-doodervaringen de conclusie getrokken dat het menselijk bewustzijn kennelijk ook los van het lichaam functioneren kan. Eindeloos bewustzijn noemde hij zijn boek, waarin hij verantwoording van zijn onderzoek aflegt.
Antwoord
In de gereformeerde confessie staat een antwoord te lezen op de vragen die hier aan de orde zijn. Ik denk aan Zondag 22 met antwoord 57, als daar gevraagd wordt naar de troost van het artikel uit het credo over de ‘opstanding des vleses’: ‘Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus haar Hoofd zal opgenomen worden (…)’ Niet dat daarmee gezegd is hoe dat dan precies zal zijn. Beleden wordt dat voor een gelovige de dood een overgang betekent naar een volledig in Christus geborgen zijn. Het genieten dus van het volmaakte heil, ons hier in de belofte van het evangelie geschonken en dan in al zijn compleetheid ontvangen.
Dit is niet bedoeld als een wetenschappelijk bewezen feit, maar als een belijdenis van geloof dat de Schrift probeert na te spreken. De apostel Johannes erkent in zijn eerste zendbrief heel eerlijk: ‘Het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen.’ Dat moet ons voorzichtig maken met al te opzichtige voorstellingen. Wij weten meer niet dan wel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 maart 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's