De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gods Ik of mijn ik

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gods Ik of mijn ik

Meditatie: Exodus 20:2

4 minuten leestijd

Waarom moest de Heere Zich nog bekendmaken in Exodus 20? De Israëlieten wisten toch wel wie Hij was: die HEERE, Die een pad maakte door de Schelfzee en door een sterke hand Zijn volk verloste uit de hand van Farao en zijn leger?

Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.'

Het was inderdaad niet nodig dat de Heere Zichzelf introduceerde. Wel dat het volk en ook wij voortdurend bepaald moeten worden bij Hem, ons voortdurend op Hem moeten richten. Hij zegt ook hier als het ware: Ik ben er, zie op Mij! De schrijver aan de Hebreeën, waarschijnlijk Apollos, een leerling van Paulus en een begaafd prediker, zegt later: ‘Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken’ (11:6). Gods Ik is de sleutel tot de zaligheid, tot het houden van de geboden en hun vervulling. Zonder het ‘Ik ben’ van God, kan niemand Hem behagen, noch de geboden onderhouden. Kortom, de voorwaarde voor het houden van Gods geboden is Hijzelf. Hij is het Die Zichzelf eerst bekendmaakt, alles meebrengt, alles werkt, alles doet, en ons ook in de heiligmaking voortdurend en allereerst bepaalt bij Wie Hij Zelf is. Daar ligt immers de sleutel. ‘Ik ben’, opdat er ook mag en kan volgen: ‘en gij zult.’ Voordat Hij ons aanspreekt op ons ik, ons vraagt iets te doen, spreekt Hij over Zijn Ik. We mogen hier ook denken aan Leviticus 19:2: ‘Gij zult heilig zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig!’ Christus heeft ook gezegd: ‘Zonder Mij kunt gij niets doen.’ (Joh. 15:5)

Egyptische ik
Nu is het eigenaardig dat het woordje voor Ik, Anochi, hier afwijkt van het gewone woord in het Hebreeuws, Ani. Het laat volgens één der rabbijnse verklaringen het Egyptische ik zien. Ditzelfde woordje voor ik wordt door Adam gebruikt, als de Heere hem roept nadat hij zich verscholen heeft. Door Kaïn, als hij ter verantwoording wordt geroepen voor zijn begane moord. Door Jakob, als hij zich tegenover zijn blinde vader voor Ezau uitgeeft. Door Mozes, als hij weigert om aan Gods roeping gehoor te geven en tal van uitvluchten zoekt.
Hoe kan de Heere dit nu doen? Juist dit woordje voor ik te gebruiken, terwijl Hij toch immers de Heilige is, Die geen gemeenschap met de minste zonde of onvolmaaktheid kan hebben? Wat heeft Hij gemeen met Egypte? Toch immers niets?! Het antwoord is dat Hij afgedaald is in Egypte om Zijn volk te verlossen. Egypte staat model voor de zelfhandhaving van ons eigen ik tegenover God. In Egypte ging het om de eerstgeborene, de machtigste, de grootste. De farao was de eerstgeborene der eerstgeborenen. De allerlaagste rang van de bevolking kon haar macht uitoefenen door er slaven op na te houden. Egypte zag alleen op het natuurlijke verloop en bouwde daar haar hoop op. De Heere wil dat Zijn verbondsvolk hun Egyptische ik laat vervangen door Zijn Ik, Die boven al het natuurlijke en beperkte uitstijgt, om Hem te erkennen als het allerhoogste en eeuwige Goed. Israël had Egypte dan wel verlaten, maar had Egypte Israël ook verlaten?

Ons ik
Zo is de Heere Jezus afgedaald in ons ‘Egypte’, in ons bestaan los van God, wat in werkelijkheid een diensthuis der zonde is, opdat Hij ons verlosse van ons ik en opdat Zijn Ik de plaats van het onze zou innemen, ‘want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem’ (2 Kor. 5:21). De Heere Jezus is aan het kruis gestorven, opdat ons (Egyptische) ik zou sterven. Hij is opgestaan, opdat Zijn Ik in ons leve.
Blijft het geen voortdurende strijd om zowel in tijdelijk als in geestelijk opzicht in steile afhankelijkheid van Hem te leven? Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren. Dat is nu het geloof, het volhardend aankleven van die Heere, Die het gezegd heeft: ‘Het is volbracht’, opdat wij als een in onszelf verloren volk met Paulus mogen nazeggen: ‘Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.’ (Gal. 2:20)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Gods Ik of mijn ik

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 april 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's