De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GLOBAAL BEKEKEN

4 minuten leestijd

Op 4 april trad ds. K. van der Kamp aan als secretaris van de Raad van Kerken. Een moment uit zijn overdenking:

Het is niet verwonderlijk dat veel mensen (…) kritisch zijn over de zichtbare kerk. Ik herinner me mijn periode als voorlichter bij de kerk. Het viel me op dat er bij journalisten achterdocht bestond. Zelfs bij evident zuiver beleid, bleven ze maar zuigen en nog op de deurmat sisten ze je toe: ‘Voorlichters zijn oplichters’. Later deed ik als bijbeluitgever een heel andere ervaring op. Toen bleek dat journalisten zelfs fouten accepteerden. De conclusie is duidelijk: De Bijbel geniet in onze samenleving meer krediet dan de kerk.

De dag- en kerkbladen hebben al uitvoerig bericht over de benoeming van dr. A.J. Plaisier als scriba van de Protestantse Kerk. Hier volgen enkele fragmenten uit zijn toespraak tot de synode direct na zijn benoeming:

• Ik heb natuurlijk de taakomschrijving gelezen en kreeg bij alle moois dat daar geschreven was toch ook enkele duizelingen. Wie is tot deze dingen bekwaam? Ontnuchterend was wat dr. A.A. Spijkerboer recent schreef: ‘een secretaris-generaal is in principe iemand die het notulenboek bijhoudt en de ingekomen stukken in mappen doet’. Tussen deze uitersten sprak mij de beschrijving van Guido Gezelle het meest aan. In zijn gedicht ‘Het schrijverke’ (het scribaatje) beschrijft hij een glimmende kever, die zijn rondjes trekt over het water. Gevraagd naar het waarom antwoordt de kever: ‘Wij schrijven al krinklend af, het gene onze Meester, weleer, ons makend en leerend, te schrijven gaf.’ Oftewel: ‘Wij schrijven, herschrijven en schrijven nóg den heiligen Name van God!’ Ik hoop dat mijn scribaat enige gelijkenis met de waterkever van Gezelle heeft.

Waar wil ik als scriba de komende jaren voor staan? Allereerst voor een kerk die weet dat ze bestaat bij de gratie van God. De kerk bestaat omdat de Geest van Christus onophoudelijk instroomt in de wereld. Eén dood en één opstanding is genoeg voor een kerk tot aan het einde van de tijden. We mogen als Protestantse Kerk een gestalte zijn van die kerk. We zijn geen zender die onszelf in de lucht houdt. Het is goed om vanuit dat besef kerk te zijn. We maken veel en geloven in de maakbaarheid van alle dingen, maar de kerk maken wij niet.

Ten slotte nog dit. Ik heb als gemeentepredikant het wonder van de plaatselijke gemeente mogen ervaren. Het geheim van de kerk ligt in de plaatselijke gemeente. Daar is een landelijke kerk dienstbaar aan. Daar is dus ook een scriba dienstbaar aan. De plaatselijke gemeente is de plek waar mensen samenkomen rond Woord en Sacrament, in de naam van de Heer. Waar mensen, ook als ze elkaar niet zo aardig vinden, weten dat ze elkaar gegeven zijn. We hebben volwassen voorgangers en christenen nodig, die leven uit het geloof en bereid zijn zich te verantwoorden.

In de recente uitgave De geschiedenis aan het volk verteld (uitg. Verloren, Hilversum) staat ook een bijdrage over G.J.D. Schotel (1807-1892). Hij schreef ooit een boek over Kerkelijke en wereldlijke kleding, waar onder andere de toga aan bod komt.

De laatste dertig pagina’s gaan over de voor- en nadelen van het gebruiken van de toga als ambtsgewaad in plaats van de mantel en bef. Volgens de auteur wilde hij ‘slechts een eenvoudig en beknopt overzigt (…) geven van de voornaamste kleedingstukken die door de beschaafden Europeanen zijn gedragen, ten einde den lezer alzoo op den oorsprong der kerkelijke kleeding te wijzen’.

In de opdracht aan de Lutherse hoogleraar F.J. Domela Nieuwenhuis was hij zelf sceptisch over de invloed van zijn betoog. Bij elke verandering in de kerk ontstonden steeds heftige ruzies, zoals bij de invoering van de psalmberijming van Datheen, de Statenvertaling, de nieuwe psalmberijming en de Evangelische gezangen. In zijn memoires, dertig jaar later, was hij ervan overtuigd dat zijn boek wel degelijk invloed had op de invoering van de toga. Tevens karakteriseerde Schotel zijn boek in de opdracht aan Domela Nieuwenhuis als ‘geen geleerd en diep onderzoek maar slechts een luchtige schets’ en ‘met enige haast gemaakt’.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

GLOBAAL BEKEKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 april 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's