GLOBAAL BEKEKEN
In de vrijgemaakte Gereformeerde Kerkbode voor het Noorden gaf Nelleke Kemps-Stam een aantal fragmenten door uit andere publicaties over ‘de aloude traditie van het preken’. Hier volgen er enkele.
• In het begin van de christelijke kerk mocht iedereen preken. Algauw begonnen mannen die de Griekse retoriek beheersten het over te nemen. De preken waren daardoor ook op de meer intelligente hoorder gericht. Geen wonder dat mensen soms tijdens de dienst met elkaar gingen praten of wegliepen als de preek hen niet boeide. Een goede prediker kon op applaus rekenen of een huilbui indien hij de harten wist te raken. Het gebruiken van andermans preken vond men niet erg: het kwam toch immers allemaal van God!
• Er had eens een predikant gepreekt over de vogelen des hemels. Er kwam na die tijd iemand naar hem toe en zei: ‘Ga naar je kamer en kijk twee uur lang door het raam naar buiten.’ Dan kon hij zien wat de vogelen des hemels waren! ‘Aanziet de vogelen des hemels, en niet: lees wat over hen in een boek.’ Een predikant die vond dat Markus beter kon preken dan hij, las het hele evangelie van Markus op in plaats van een preek. Het werd echter niet gewaardeerd door de gemeente. W. Kremer zei ooit: ‘Er is in Nederland heel wat opgeknapt en opgeschilderd op een preekstoel.’ Inderdaad zijn de preken van J.J. Knap en K. Schilder door talrijke domineeshanden gegaan!
• Van menig dominee moet gezegd worden: hij is uitgegaan, niet wetende waar hij komen zou (de ‘abramitische methode’). Er was eens een prediker die al improviserend maar moeilijk aan het eind kon komen. Hij volgde namelijk de methode om elke nieuwe volzin te beginnen met het laatste woord van de voorgaande zin. Was hij geëindigd met het woord ‘zonde’, dan begon de nieuwe alinea met: ‘Ja, die zonde mijn toehoorders’. De hoorders waren door deze kettingmethode al lang onder zeil geraakt. Nicolaas Beets noemde het ‘alles uit de mouw schudden’ verkeerd: ‘Dat is anders niet de plaats waar de preken geboren worden. Het komt misschien wel warm op tafel, maar is niet altijd even gaar.’
• In kerkelijk Nederland was de situatie in de 19e eeuw als volgt: wekelijks werden er 4000 preken gehouden (alleen al in de protestantse kerken). Preken werden vaak uitgegeven op verzoek van de hoorders. Allard Pierson zegt hierover: ‘Preken, niet aangehoord maar gelezen, zijn vrij dorre geraamten. Met de voordracht wijkt een grote hoeveelheid van het leven, dat zij mogen behelzen.’ Franciscus van Assisi preekte voor vogels. De achtjarige Jan Polman koos de koeien uit tot zijn gehoor; hij hield een preek over Joh. 16:33. Hij dacht dat alleen de koeien het hoorden. Toen hij dertig jaar later intrede deed als christelijk gereformeerd predikant te Aalten, kwam een oude boer naar hem toe en zei: ‘Ik heb je eerste preek nog gehoord, in het weiland!’
• Het oeuvre van sommige dominees schijnt niet bijzonder groot te zijn. Zo was de gereformeerde professor Geesink een bekend voorbeeld van iemand die wel eens een oude preek uit zijn binnenzak haalde. Er was ook een predikant die werd genoemd ‘de man van de dertig preken’. Degenen die hem geregeld hoorden, wisten precies welke tekst er aan de beurt zou komen. In Makkum was aan het eind van de 19e eeuw een predikant die precies één jaar rond kon komen met z’n preken; begon een nieuw jaar ‘dan keerde hij de pannenkoek om’. Toen de gereformeerde ds. H. Brouwer in 1917 voor de tweede maal in Westerbork intrede deed, begroef hij zijn voorraad oude preken in de tuin!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's