Hulp tegen honger
Stille tijd – geïnspireerd door Theodorus à Brakel [4, slot]
We hebben Theodorus à Brakel horen getuigen van de geestelijke verrukkingen die hij heeft ervaren in de verborgen omgang met zijn God. De vereniging met de hemelse Bruidegom is voor Theodorus soms lichamelijk haast niet te verdragen.
Brakel vertelt ook uitvoerig over hoe deze hoogtijden telkens afgewisseld werden met periodes van geestelijke duisternis, benauwdheden en zware aanvechtingen. Hij heeft deze minder goed onthouden dan de toppen van geestelijke verrukking, maar de realiteit gebiedt hem de dieptepunten niet te verzwijgen:
Soms waren mijn zonden voor mij als grote bergen, ik ging daaronder krom gebukt, ja zij waren mij als een zware last te zwaar geworden; ik zag dat mijn natuur ten enenmale zo verdorven was dat er niets goeds in was en dat telkens opnieuw uit die verdorvenheid van mijn natuur dan deze, dan die zonden voortkwamen, hoezeer ik daartegen zocht te waken en hoe dikwijls ik ook mijn opzet vernieuwde; hieruit rees bij mij de twijfel of ik wel een kind van God was. Ik dacht dat ik, als ik een kind van God was, wel meer kracht zou hebben om de zonde tegen te staan en te overwinnen. Ik zou dan ijveriger wezen om goede werken te doen en mijn geloof uit mijn werken tonen. Dat maakte mij dikwijs zeer twijfelmoedig en verlegen (...) en daarbij was de Heere dan in die grootste benauwdheden dikwijls zo ver van mij dat ik Hem niet gevoelen kon. (...) Het was of alle wegen toegestopt waren, hoe ik mij ook zocht om tot God te komen met het gebed, dan dus, dan zo, dan hiermee, dan daarmee. Zo was er geen echte toegang tot God. Ik kon tot Hem niet komen totdat die duistere nevel vertrok en ik God weer begon te zien en Hij weer over mij uitstortte de Geest van de genade en van de gebeden (Zach.12:10), waardoor ik dan de deur van Gods genade weer open zag en met het gebed toetrad tot de troon van de genade (Hebr. 4:16).
Bijbellezen
Bij het lezen van Brakels getuigenissen vragen we ons soms af welke plek de Schrift in dit alles heeft. We krijgen de indruk dat hij steeds Gods eigenschappen en Gods wezen overdenkt, daarbij ook zeker zijn aandacht richt op Gods handelen in Christus en het werk van de Geest, maar toch niet zozeer in direct verband met studie van de Schrift. Hij citeert wel vele teksten, soms wat op de klank af, maar we horen niet zozeer dat het onderzoek van de Schrift de geestelijke ervaringen direct teweegbrengt. In de dialoog moet dat de zoon ook opgevallen zijn, waardoor deze als vader spreekt over zijn ‘hemelse meditaties van de eeuwige liefde van God en van het ganse werk der verlossing’ de vraag stelt: ‘Had gij ook de gewoonte niet Gods Woord te lezen?’ Het antwoord luidt dan:
Dat is altijd mijn dagelijks werk geweest, dat at ik op, en maakte het mij eigen, het was mij zoeter dan honing en honingzeem, liever dan goud en zilver. Wat zou het mij geweest zijn als ik dat verwaarloosd had. Waarmee zou ik mij getroost hebben, waarmee zou ik mij beschermd, waarmee zou ik mij opgewekt hebben? Gods Woord legde ik niet uit handen.
Voor de praktijk van de dagelijkse omgang met God in deze tijd zou ik sterker dan Brakel doet de centrale plaats van het biddend lezen en overdenken van de Schrift willen onderstrepen. Er zijn allerlei hulpmiddelen op de markt om dieper door te dringen in de betekenis van bijbelwoorden voor ons hart en leven.
Ik denk aan dagboeken, aan geestelijk opbouwende commentaren zoals van Calvijn, Matthew Henry of Spurgeon, aan de Studiebijbel (uitg. Centrum voor Bijbelonderzoek), aan boekjes met bijbelstudies en gespreksvragen, enzovoort. Het is dan van belang de gelezen en overdachte woorden te betrekken op onze persoonlijke verhouding tot God en vervolgens ook op onze roeping te leven tot Zijn eer en tot heil van onze naaste. Brakel legt alle nadruk op de persoonlijke meditatie. Dat is ook zeer waardevol en onmisbaar.
Daarnaast is echter ook te wijzen op het belang van het samen met gezinsleden en ook met gemeenteleden lezen, bestuderen en bespreken van bijbelgedeelten. Waarom zouden we niet de discipline betrachten om in elk geval één avond per week hieraan te besteden?
Rijk gebedsleven
Van Brakel leren we dat ook voor ons gebedsleven oefening en discipline van groot belang zijn. Lijden vele gelovigen in onze tijd niet aan gebedsarmoede en daardoor ook aan geestelijke bloedarmoede? Brakel kan ons leren dat het gebed een vertrouwelijk gesprek met God is. Het gaat niet alleen om een vraaggebed alsof we bij God aan het loket komen met een concreet verzoek en daarna onmiddellijk weer vertrekken. De Heere wil met ons contact onderhouden. Daar dienen we dan ook de nodige tijd voor uit te trekken en stilte voor te creëren.
We mogen dan ons hart voor Hem uitstorten, onze nood, maar in de voorbede ook de noden van anderen bij Hem brengen en pleiten op Gods beloften. Het gebed is echter ook bedoeld om God te verheerlijken. Bidden gaat dan zomaar over in aanbidden en lofprijzing. Brakel schrijft over de kracht en vrucht van het gebed:
Daarbij met een oprecht nederig hart aan te houden in het gebed tot God is zeer voordelig voor de ziel, het verkwikt en verheugt de ziel, en doet haar als gedurig leven in de gemeenschap met God, en maakt een goed geweten. Och geschiede het maar wat meer! Maar weet, zoon, dat ik in mijn oefeningen niet altijd woorden des gebeds gebruikte, maar daarbij hemelse meditaties had van de eeuwige liefde Gods, van het ganse werk der verlossing, enzovoort.
Er kan dus ook een woordeloos bidden zijn, een stil bij God verkeren in volle vrede van het hart en in blijdschap om wie God is en om wat Hij voor ons heeft gedaan.
Nergens om
Door dit zicht op gebed als omgangsvorm met God wordt ons nog weer eens duidelijk dat het geloof de Heere God ‘nergens om’ dient (tegenwoordig spreekt men wel van religion without ulterior motive, het dienen van God dat niet een middel is tot een ander doel). Het gaat niet om een goed leven op aarde of genezing van ziekte of wijsheid in allerlei situaties op zich. Ook niet om de hemel te verkrijgen en aan de hel te ontkomen. Dat alles mag gevraagd worden, maar ten diepste gaat het in het gebed om het toegroeien naar God, het meer en meer op Hem afgestemd raken.
Het is het geloof om God Zelf begonnen. Daarom is het geen goed teken wanneer we alleen echt van harte gaan bidden als bepaalde omstandigheden ons daartoe drijven. Wanneer we zielsveel van iemand houden, zoeken we hem of haar toch ook niet alleen maar bij bepaalde gelegenheden op wanneer we iets speciaals van hem of haar nodig hebben? Een biddend leven in dagelijkse omgang met God vloeit voort uit de liefde tot Hem Die door de Geest in ons hart is uitgestort. Of anders gezegd uit wederliefde tot Christus Die ons als eerste en onnavolgbaar heeft liefgehad.
Inspirerend
Nadat we in een kring van studenten gedeelten uit het boek van Brakel gelezen hadden, gaf één van hen de volgende evaluatie:
Werkelijk een getuigenis voor onze tijd! Van christelijke lauwheid is hier geen sprake. Met grote bewogenheid en diepte spreekt Brakel over zijn omgang met God. Hij laat zich in het hart kijken en schroomt niet zijn zwakten open en bloot op tafel te leggen. Met een pastorale toon richt de vader zich tot de zoon wanneer hij bijvoorbeeld zegt: ‘Blijf niet te zeer op uzelf en op uw heiligmaking staan om al te zeer terneergeslagen te worden (...) maar ga buiten uzelf in Gods eeuwige liefde en ontfermen, en in Jezus Christus uw gerechtigheid, opdat u uzelf daarmee ophelpen en troosten mag als de enige oorzaak van alle genade en zaligheid.’ Hieruit blijkt dat de rechtvaardiging primair is en van daaruit de heiligmaking. Toch is mijn vraag bij dit alles wel hoe wij Brakel doorvertalen naar nu. Bovendien vraag ik mij af of hij zich niet te veel op het innerlijke richt, de eigen geloofsrelatie met God, en daarbij voorbij gaat aan de medemens. Niettemin een inspirerend persoon die ons wijst op het belang van een voortdurende omgang met God.
Anorexiaverschijnselen
We hebben ons nu vier weken lang geconcentreerd op het getuigenis van Theodorus à Brakel. Hij is echter slechts één stem uit een wolk van getuigen. Het loont zeer de moeite om de geschriften van reformatoren en nadere reformatoren (‘oude schrijvers’), waarvan er vele in hedendaags Nederlands verkrijgbaar zijn, te lezen en ons door hen te laten gezeggen. Alleen tot onze schade laten we deze werken links liggen, en dat terwijl wij ze misschien wel in onze boekenkast hebben staan.
Vooral hebben we dagelijkse bekering nodig en voortdurende kritische bezinning op de prioriteiten die we stellen en de keuzes die we maken bij onze dag- en weekindeling. Laten we ons afvragen of we onszelf niet moedwillig op een hongerdieet zetten en daardoor aan geestelijke anorexiaverschijnselen lijden doordat we onszelf eenvoudig de tijd niet gunnen om de omgang met God te zoeken en zo te groeien in vertrouwelijkheid en verbondenheid met Hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's