Efficiënt onderwijs telt
Christen & tijdgeest [3]
Altijd heeft de omgeving het onderwijs sterk beïnvloed. School en samenleving zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De school is geen eiland. Ook de christelijk school niet.
We leven in een maatschappij in verwarring. Na de ontzuiling moet die maatschappij opnieuw worden ingericht in de richting van een pluriforme maatschappij. Het lijkt erop dat integratie niet goed lukt en segregatie (scheiding) bevorderd wordt. Tegelijkertijd is een streven naar uniformiteit, om greep te houden op de pluriformiteit. Ook in het onderwijs is die verwarring er. Zo’n twintig jaar is er – zowel programmatisch als in de manier van lesgeven – al vernieuwd. Het blijkt dat onderwijsvernieuwing niet gebracht heeft wat ervan verwacht werd. Hoewel pluriformiteit de norm is, is er ook een streven naar een grote mate van uniformiteit in het onderwijs.
Sociale verband
Voor christelijke scholen is het moeilijk hun plaats in zo’n pluriforme maatschappij te bepalen. Er worden steeds vragen gesteld bij de meerwaarde van het levensbeschouwelijk onderwijs. Het christelijke onderwijs moet dan verantwoording afleggen aan een ieder die hem rekenschap ‘afeist’. De overheid heeft de (christelijke) scholen nodig voor die herinrichting van de maatschappijen en daarom worden ze uitgedaagd om aan het oplossen van fricties in de samenleving bij te dragen. Door het wegvallen van veel andere verbanden is de school bijna het enige sociale verband waarop de overheid nog een beroep kan doen.
Gelijk met het inrichtingsvraagstuk worstelt de overheid met de aansturing van het onderwijs. Komend vanuit de traditie van centrale aansturing met veel regelgeving, maken we de omslag mee naar decentrale aansturing van het onderwijs met minder regelgeving.
Kenniseconomie
Het beleid van de overheid ten aanzien van onderwijs is verwarrend door tegenstrijdigheden. Onderwijs is de pijler onder de beoogde kenniseconomie. Het doel lijkt te zijn leerlingen (individueel) zo efficiënt mogelijk toe te rusten voor die kenniseconomie. Het belangrijkste punt is kwaliteit. Die kwaliteit wordt afgemeten aan de plaats van de Nederlandse leerlingen op ranglijsten met nadruk op ‘harde vakken’: rekenen en taal. In zo’n klimaat staat de (christelijke) vorming van een leerling onder druk. Meer en meer stellen (ook christelijke) ouders als eerste de vraag: ‘U leidt toch wel goed op voor de vervolgopleiding?’ Keuze voor identiteitsgebonden onderwijs is er dan niet direct op grond van identiteit maar van kwaliteit. Dat neemt niet weg dat christelijk onderwijs (adeldom verplicht!) per definitie goed onderwijs is.
Daarmee is er een meer instrumentele visie op onderwijs gekomen. Wat efficiënt is, telt. Wat direct toepasbaar is in de maatschappij of vervolgopleiding, is belangrijk. Het wordt gebaseerd op rendementen en gemiddelden. Het is denken in tekorten. De leerling ‘mist’ nog wat en dat wordt zo efficiënt mogelijk bijgespijkerd.
Dat kan het zicht op leerlingen (en dan vooral de meer kwetsbare) als persoon, als schepsel doen afnemen. Christelijk onderwijs is – oneindig – veel meer dan zo efficiënt mogelijk een leerling toerusten voor een economische bijdrage aan de maatschappij.
Maatschappelijke functie
Tegelijk wordt de school wordt steeds meer aangesproken op de maatschappelijke functie. De overheid vraagt meer participatie van het onderwijs in de samenleving. De overheid kijkt dan (te) gemakkelijk naar het onderwijs. Die uitdagingen mag de christelijke school echter niet uit de weg gaan. Wel vergeet de overheid bij het stellen van dergelijke vragen de bijbehorende bekostiging te geven. Het doet de druk op onderwijs en docenten toenemen. Als voorbeeld mag gelden: de burgerschapsvorming. Die wordt gedwongen aan de scholen toevertrouwd. De school moet daarop niet alleen een (christelijke) visie hebben, maar deze ook toelichten. Dat is op zichzelf niet erg. Christelijk onderwijs heeft leerlingen vanouds geleerd goede burgers te zijn. Maar de visie wordt getoetst op strijdigheid met basiswaarden van de democratie. Welke basiswaarden zijn dat? Ze kunnen op gespannen voet staan met bijbelse uitgangspunten. Er wordt gesproken over een maatschappelijke raad, die voor elke school wordt ingesteld. In die raad moeten allerlei instanties ‘om de school’ vertegenwoordigd zijn.
Deze raad kan bepaalde (inhoudelijke) beslissingen over het onderwijs nemen. In beide gevallen kan de vrijheid van onderwijs onder druk komen te staan.
Er zit spanning in het overheidsbeleid. De overheid neemt meer afstand door vermindering van de regelgeving en laat meer ruimte aan de scholen. Tegelijkertijd is er soms een krachtig en uniformerend optreden waaruit gebrek aan vertrouwen in het onderwijs spreekt. Wel zal de overheid – blijvend – moeten erkennen dat levensbeschouwelijk onderwijs ‘eigen’ inhouden en een ‘eigen’
De serie Christen & tijdgeest brengt in kaart wat op diverse levensterreinen in onze samenleving gaande is, wat de positie van het christelijk geloof is en welke invloed antichristelijk gedachtegoed heeft. Een poging om de tijdgeest te verstaan.
Volgende keer spitst mr. D.J.H. van Dijk het thema Christen & tijdgeest toe op rechtspraak en wetgeving.
inkleuring van het onderwijsproces heeft. Vrijheid van onderwijs is een voorwaarde voor kwaliteit in een pluriforme samenleving. In de aansturing gaat meer ruimte voor de scholen ook gepaard met het streven naar uniformiteit (zie de 1040-uren-norm). In die zoektocht naar evenwicht maakt de overheid veel pendelbewegingen: soms meer vrijheid voor de scholen en soms krachtig en diep ingrijpen. Dat kan de vrijheid van onderwijs onder spanning zetten.
Discussie over identiteit
Het voortgezet onderwijs is (nog) voor een groot deel bijzonder onderwijs. Veel leerlingen (en hun ouders) geven echter aan geen binding (meer) met het christelijke gedachtegoed te hebben. Dat geeft op veel scholen een discussie over de identiteit – zowel over het omschrijven als over het bewaren van de christelijke identiteit. Als je zegt een christelijk school te zijn, moet je het ook zijn.
In de maatschappij is een toenemende irritatie merkbaar over het hebben van een absoluut waarheidsbegrip (zoals een christelijke school dat heeft). ‘Tolerant participeren’ scoort hoger. Daarom is er ook telkens discussie over bijzonder onderwijs. Soms lijkt alsof christelijk onderwijs nog bij gratie van uitzonderingen (in de wetgeving) kan bestaan.
Er is door de individualisering minder sociale samenhang in de samenleving. De christelijke school merkt het, doordat er minder een beroep gedaan kan worden op gezamenlijk gedragen waarden en normen. ‘Dat is uw mening op school, maar onze ideeën daarover zijn heel anders’. Dat horen scholen ook van christelijke ouders die de grondslag van de school hebben ondertekend. De vanzelfsprekende support voor de school door ouders staat onder druk.
Slecht imago
Alle negatieve verhalen leveren het onderwijs een slecht imago op. Het lijkt wel of onderwijsgevenden de meest beklagenswaardige groep in Nederland is. De school heeft ook vele concurrenten in onderwijsaanbod en tijd. De school is niet meer de informatie- en kennisbron, het leerdomein bij uitstek. Andere plaatsen om te leren zijn er genoeg. Zaken als baantjes, geld en andere vormen van aanzien zijn voor leerlingen belangrijker dan school.
Deze desinteresse voor schools leren maakt het werk van docenten niet gemakkelijker. De bezieling van veel (christelijke) docenten kan eronder lijden. Het vinden van docenten wordt daarom moeilijker. Ook bij christelijke scholen is dat merkbaar. De kwaliteit van het onderwijs is er niet mee gebaat. Vandaar de recente oproep om meer aandacht voor het werken in het christelijk onderwijs. De staatssecretaris sprak laatst van ‘fiere docenten’ in het christelijk onderwijs.
Jongeren leven in veel verschillende werelden (school, thuis, straat en digitale werkelijkheden) en moeten constant ‘schakelen’ tussen de soms compleet tegengestelde patronen van waarden en normen in deze werelden. Daardoor vervallen ze gemakkelijk in een ‘alles moet kunnen mentaliteit’. Wanneer jongeren worden aangesproken op uitlatingen over docenten op internet die alle fatsoensnormen te buiten gaan, zeggen leerlingen: Is dit zo erg? Ook sommige ouders zeggen dat.
Tegen de stroom in
Het christelijk onderwijs heeft in deze tijd geen gemakkelijke positie: het gaat vaak tegen de stroom in. Dat is wel een teken van leven. Daarbij moet het christelijk onderwijs niet defensief zijn. Het mag als het goed is een fiere houding, met een helder geluid hebben. Dat gebeurt door docenten die vanuit hun roeping om docent te zijn, dag in dag uit leerlingen vormen in hun vak en voor het leven. Van wezenlijk belang is ook de – blijvende – aansluiting tussen de toerusting thuis in het gezin en die op school. Voor christelijk onderwijs geldt: 'En zie, Ik ben met u, al de dagen van uw leven.' Dat geeft echte, gegronde hoop voor de toekomst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's