Wat (Wie) wint het?
Bach en het kerkelijk jaar
Hij zat niet aan de tafel wanneer het Heilig Avondmaal gevierd werd. In zijn hart leefde een sterk verlangen, maar de schroom won het telkenmale. Niet hoorde hij tot degenen die vanzelfsprekend aangingen dan wel bleven zitten.
Bij het horen van Cantate 176 moest ik aan hem denken. Het hart van de mens is zowel trots als verlegen. Met die zin, door tekstdichter Mariane von Ziegler ontleend aan Jeremia 17:9, opent de cantate ‘Es ist ein trotzig und verzagt Ding um aller Menschen Herze’. Daar staat het evenwel eenzijdig negatief. ‘Arglistig is ons hart, meer dan enig ding.’ Trots en verlegenheid, zo luidt het hier.
Zondag van Drie-eenheid
Bach schreef de cantate voor de zondag van de Drie-eenheid, waarop de evangelielezing Johannes 3:1-15 is. Nicodemus gaat in de nacht tot Jezus. Niet vanwege de koelte of uit angst door zijn collega’s gezien te worden. Schroom tegenover Jezus is de drijfveer. Eerbied en zelfkennis weerhouden hem. De werken die Jezus doet, trekken Nicodemus. Trots en verlegenheid strijden met elkaar om voorrang. Louter trots deed Nicodemus bijna vrijpostig gaan, als is het volstrekt vanzelfsprekend om tot Jezus te gaan. Die indruk wordt vandaag de dag nogal eens gewekt. Louter schroom zou Nicodemus weerhouden.
In het openingskoor, een indrukwekkende koorfuga, zingen achtereenvolgens de bassen, tenoren, alten en sopranen, van die trots en verlegenheid. Het contrast tussen beide zielsgestalten klinkt duidelijk door, waarbij de trots door een luider klinkende en stijgende melodie de nadruk krijgt boven de verlegenheid, die zachter en in een dalende lijn klinkt.
Lijn van Luther
In het eerste recitatief wordt Nicodemus als een deemoedig man getekend. Terwijl voor Jozua in de strijd tegen de Amorieten de dag niet lang genoeg kon duren en hij de macht kreeg de zon stil te doen staan, kan voor Nicodemus de zon niet snel genoeg ondergaan. Dan volgt, in tegenstelling tot het wat strenge openingskoor, een vrolijke aria, als een lichtvoetig gavotte. Het helle schijnsel van Christus’ aangezicht moet voor Nicodemus omfloerst zijn. Niemand kan de werken doen die Hij verricht wanneer de Geest des Heeren niet op Hem rust. Bij het woord rusten wordt de toon lang aangehouden. Het volgende recitatief, waarin Nicodemus plaatsvervangend spreekt voor alle aarzelende gelovigen, is een bede tot Christus. ‘Verwonder u, o Meester niet, waarom ik U in de nacht tegemoet treed, ik vrees dat in het licht van de dag ik niet bestaan kan. Ik troost me echter dat u mij zult aannemen, omdat allen die in U geloven niet verloren gaan.’
De laatste woorden, een parafrase van Johannes 3:16, heeft Bach zelf toegevoegd en nadruk gegeven door deze te herhalen in een arioso. Evenals de eerste aria heeft de tweede, troostvol van inhoud, een dansante karakter. De aarzelende gelovige wordt bemoedigd om tot Jezus te gaan, op grond van Diens beloften. Op geloof en belofte wordt de nadruk gelegd. Bach stond duidelijk in de lijn van Luther. Wanneer de aarzelende gelovige het daarop houdt, mag hij Vader, Zoon en Geest daarboven voor eeuwig prijzen. Het is immers zondag Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid. De woorden loven en prijzen krijgen een uitbundige versiering.
De lofprijzing komt terug in het slotkoraal op de melodie van het lied van Luther, ‘Christus onze Heere kwam bij de Jordaan’. Is bij de doop in de Jordaan niet sprake van het werk van de drie-enige God? De gemeente zingt het slotkoraal innerlijk mee.
Tekst en muziek
De musicoloog en Bachkenner Philip Spitta meent dat in deze cantate tekst en muziek op gespannen voet staan. De schroom om tot Jezus te gaan moet nadruk krijgen. De trots stormt echter tegen de hemel in een krachtige fuga. De lichtvoetige aria doet evenmin recht aan de ernst van de tekst, waarin van schroom sprake is.
Albert Schweitzer is daarentegen van mening dat wanneer je een beweging ziet, de tegenstelling tussen muziek en tekst verdwijnt. In het eerste recitatief wacht Nicodemus tot zonsondergang. In de eerste aria gaat hij verwachtingsvol op weg. In het daarop volgende recitatief is Nicodemus bij Jezus. Schroom en moed om tot Jezus te gaan strijden om voorrang. De moed, de trots krijgt de nadruk. Gelukkig maar. Anders was Nicodemus gebleven waar hij was. Dat de moed de voorrang kreeg, kwam door de beloften van Christus. Ik zou niet gekomen zijn, wanneer U mij niet getrokken had.
Hij zat niet aan de tafel wanneer het Heilig Avondmaal gevierd werd. In zijn hart leefde en sterk verlangen, maar de schroom won het telkenmale. Niet hoorde hij tot degenen die vanzelfsprekend aangingen dan wel bleven zitten. Uiteindelijk heeft de vrijmoedigheid het gewonnen, of beter gezegd, de onweerstaanbare kracht van de drie-enige God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2008
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 mei 2008
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's