Het geheim van de gemeente
Pastoraat – Gemeenschap der heiligen
De massamens van de 21e eeuw gaat aan eenzaamheid ten onder. Uit de nood van de vereenzaming wordt een mens alleen verlost als het komt tot een echte ontmoeting met de Ander. Het geheim van de gemeente is het geheim van de liefde.
In het Nieuwe Testament worden voor de gemeente van de Heere Jezus Christus tientallen verschillende beelden gebruikt: de kudde van de Goede Herder, de ranken aan de Wijnstok, de bruid van de Bruidegom. Een bij de apostel Paulus geliefd beeld is: het lichaam van Christus.
Al die beelden geven een relatie aan. Een rank bestaat niet zonder een wijnstok; een bruid kan niet zonder een bruidegom. Zo kan een lichaam niet bestaan en leven zonder hoofd. Dat hoofd is Christus Zelf. De gemeente bestaat in en door haar Heere. Zijn aanwezigheid en Zijn werking zijn absoluut noodzakelijk voor het leven van al de zijnen. Wordt om de een of andere reden de verbinding tussen hoofd en lichaam verbroken, dan wordt het lichaam een lijk, een dode gemeente, zoals de gemeente van Sardis in het boek Openbaring. Aan deze gemeente schrijft de Heiland: ‘Gij hebt de naam dat gij leeft, maar gij zijt dood.’
Ambten
In 1 Korinthe 12 beschrijft Paulus dat lichaam tot in details. De apostel ziet de ambten die Christus in de gemeente instelde als een ‘hoofdzaak’. Het hoofd regeert de leden van het lichaam door de ambtsdragers. De Heere Zelf heeft drie ambten: profeet, priester en koning. Die drie ambten stelde Hij ook in voor Zijn gemeente. De dienaren van het Woord staan ten diepste in dienst van de mond van het Hoofd. Hijzelf spreekt door hen in de prediking. De ouderlingen zijn meer verbonden aan de oren van het Hoofd. Zij zijn geroepen om in Christus’ Naam goed te luisteren en zo met wijsheid de kudde te leiden. De diakenen zijn Zijn ogen, die zien waar verdriet is of waar hulp nodig is. Zij zijn net als de Samaritaan die Hij in Zijn gelijkenis uittekent: ‘Hij kwam omtrent hem, en hem ziende, werd met innerlijke ontferming bewogen.’ Door de ambten spreekt Christus, luistert Hij en ziet Hij in liefde rond, opdat de gemeente naar Hem horen zal en Hem in liefde dienen, door naar anderen om te zien.
Geloof, hoop en liefde
In het menselijk lichaam wordt de verbinding tussen het hoofd en alle overige organen gevormd door het centrale zenuwstelsel. Dat is voor het lichaam van Christus – zo legt Paulus in 1 Korinthe 12 uit – de Heilige Geest. Door Hem stroomt het leven van het hoofd door naar alle leden. De zenuwprikkels, die de leden tot activiteit aanzetten, gaan vanuit het hoofd het gehele lichaam door. Zo onderhoudt en regeert Christus Zijn gemeente.
Het kanaal, waardoor de Geest Zijn levenwekkende signalen door het lichaam verspreidt – zeg maar: het ruggenmerg van het lichaam – is het Woord. Calvijn noemt de Schrift terecht ‘het voertuig van de Geest’. Zonder dat zenuwstelsel is de gemeente verlamd door onmacht, zelfs dood. Langs dat kanaal stromen de zegeningen van de Borg en Middelaar de gemeente, en de christen persoonlijk, binnen. Laten wij nooit vergeten hoe levensnoodzakelijk het trouw omgaan met het Woord dan ook is.
Waartoe wekt het Hoofd de ledematen van Zijn lichaam? In het gewone lichaam is dat: tot functioneren. De hersens regeren, de ledematen en organen reageren. De reactie van de leden op wat het Hoofd geeft aan het geestelijk lichaam, de gemeente, is drieërlei: geloof, hoop en liefde. Christus geeft in het Woord beloften, die in het geloof omarmd mogen worden. Wie op dat Woord het levenshuis bouwt, mag hoop hebben op een heerlijk Koninkrijk.
De derde reactie werkt Paulus nader uit in het erop volgende hoofdstuk. De liefde is immers van deze drie de meeste. De gemeente mag leven in de belijdenis: ‘Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.’
Verbondenheid
Die liefde is allereerst liefde tot het Hoofd, Jezus Christus Zelf. Dat is tegelijk ook liefde tot de Vader, Die Zijn Zoon gegeven heeft. Dat is dankbaarheid voor het wonder van Gods genade. In 1 Korinthe 13 bezingt de apostel deze liefde: ‘Al ware het dat ik de talen der mensen en der engelen sprak en de liefde niet had, zo ware ik een klinkend metaal of een luidende schel geworden (…)’ Die liefde is ook de drijfveer voor de onderlinge liefde in het lichaam van Christus. Alleen samen kunnen de leden in de gemeenschap der heiligen één lichaam zijn. Zij hebben elkaar hard nodig en zijn op elkaar aangewezen. Zij lijden met elkaar mee. Dat is iets anders dan ‘medelijden hebben’. Meelijden is: met de ander verdriet delen. Een splinter in je vinger betekent pijn voor het hele lichaam. Het omgekeerde geldt ook. Gedeelde vreugd is immers dubbele vreugd. De Heidelbergse Catechismus zegt over die eenheid van de gemeenschap der heiligen: ‘Elk moet zich schuldig weten zijn gaven ter nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewillig en met vreugde aan te wenden.’
Talenten
Talenten, op welk gebied dan ook, mogen en moeten met elkaar gedeeld worden. De ledematen hebben elkaar hard nodig. Een duim alleen is niets, maar samen met de tegenovergestelde vingers vormt hij een sterke hand. Een hand alleen is ook niets, die heeft een arm nodig en ook voeten om daar te komen waar hij nodig is. Van de lidmaten van Christus geldt het: alleen samen en eendrachtig zijn ze sterk. Verdeeldheid werkt letterlijk en figuurlijk verlammend.
Vergeten
Door het beeld van het goed functionerend lichaam werkt Paulus een gedachte uit die de kerk in de loop der eeuwen helaas erg vergeten is: ‘De leden geven elkaar gelijke zorg’ (1 Korinthe 12:25). Of, zoals in de Nieuwe Bijbelvertaling staat: ‘Alle delen omringen elkaar met dezelfde zorg.’ Dat wil dus zeggen dat wij elkaar binnen de gemeente heel hard nodig hebben en dat niemand gemist kan worden. Het betekent ook dat er binnen de gemeente geen sprake kan zijn van welke vorm van standsverschil dan ook. Alle leden van het lichaam zijn principieel gelijk, in de zin van: gelijkwaardig. In de gemeente van Korinthe wilden mensen graag met de hun geschonken genadegaven boven anderen uitsteken en met hun talenten pronken. Dat is in de loop der eeuwen niet veranderd. Het gebeurt vaak dat predikanten, ouderlingen of welbespraakte gemeenteleden zichzelf overschatten en menen dat zij de pilaren van het gebouw van de gemeente zijn. De apostel is er zeer radicaal in: jong/oud, blank/bruin, man/vrouw, gezond/ziek, verstandelijk gehandicapt/verstandelijk begaafd, in de gemeente zijn ze allemaal gelijk en hebben ze elkaar allemaal nodig om samen dat ene lichaam te zijn. Niemand mag iets anders willen zijn dan medelidmaat van de gemeente, waarvan Jezus Christus het Hoofd is.
Zwakste
Paulus gaat zelfs nog een stap verder als hij betoogt dat de zwakste leden, in de ogen van de wereld niet geacht en gewaardeerd, het hardste nodig zijn. Een gemeente waarin lichamelijk of verstandelijk gehandicapte leden geen volwaardige plaats hebben, kan geen goede gemeente van Hem zijn, Die op iedere bladzijde van het evangelie Zich juist heel nadrukkelijk tot hen wendt. Ik las ergens: ‘De ander, die geholpen wordt, heeft een even belangrijke inbreng als degene, die helpt. Door ons helpen en zorgen kunnen wij de ander tot zijn recht laten komen.’ In de wereld om ons heen geldt het recht van de sterkste. In de gemeente van Jezus Christus geldt het voorrecht van de zwakste: de liefde. Die liefde vormt een zeer hechte gemeenschap: een vriendenkring.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's