De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De verantwoordelijke mens

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De verantwoordelijke mens

Arminiaans denken [3, slot]

8 minuten leestijd

De leer van Arminius is troosteloos, want de mens moet wat, terwijl Gods genade ons leert dat er niets moet, omdat alles reeds gedaan is. Dat laatste sluit onze verantwoordelijkheid niet uit.

De relatie tussen God Die alles doet en onze eigen verantwoordelijkheid blijft spanningsvol. Het is opvallend dat het Arminius onder meer om dit punt ging. Hij vreesde dat bij de Augustijnse/Calvijnse visie op de uitverkiezing de menselijke verantwoordelijkheid in het gedrang zou komen. Hij wilde dat oplossen door de mens een vrije wil te geven.

Herschepping
Arminius ging hiermee in de richting van het vermenselijken van God en het vergoddelijken van de mens. Tegelijk deed hij tekort aan het werk van de Heilige Geest. Die Geest is immers wel bij machte om onze door de zonde gebonden wil te bevrijden. Er is dus geen reden voor de vrees dat de mens zich zozeer voorbestemd gaat voelen dat hij zich gaat verschuilen achter valse lijdelijkheid. Dat iets dergelijks gebeurd is, ligt niet aan de leer van de verkiezing en de doodstaat van de mens door de zonde. Dat ligt aan het fout gebruik ervan. Arminus had een onbijbels geloofsbegrip. Geloof is bij hem een zaak van verlichting door de Heilige Geest. Grondige herschepping door de Geest, waardoor we van dood levend worden, is er niet bij. De Reformatie leert op grond van de Schrift echter dat waar zaligmakend geloof naast verlichting ook herschepping door de Geest kent.

Volharding
In het laatste, vijfde, hoofdstuk van de Remonstrantie gaat het over de volharding in het geloof. Aangehaald wordt de tekst waarin Christus zegt dat niemand de gelovigen uit Zijn hand kan rukken (Joh. 10:28). Opmerkelijk is dat erbij gezegd wordt dat theologen, om hier heel zeker in te kunnen onderwijzen, eerst nog meer studie in de Schrift zouden moeten maken. Er is dus onzekerheid bij de remonstranten op dit punt. Ze leren in dit hoofdstuk dat om te volharden de bijstand van de genade van de Heilige Geest nodig is. Verder schrijven ze dat ‘Christus hen door Zijn Geest in alle beproevingen bijstaat, de hand biedt en staande houdt, zo ze maar enkel tot strijden bereid zijn, Zijn hulp begeren en in niets in gebreke blijven.’ Hoewel er op het eerste gezicht goede en mooie dingen geleerd worden, zit er bij nader inzien een forse adder onder het gras. Hierbij gaat het om de formuleringen ‘bijstand van de genade van de Heilige Geest’ en ‘zo ze maar enkel tot strijden bereid zijn, zijn hulp begeren en in niets in gebreke blijven’. Ook hier gaat het weer om het samenwerkingsverband tussen God en mens. De mens heeft bijstand nodig. Hij kan het niet alleen, maar blijkbaar wel voor een deel. Verder dient de mens bereid te zijn hulp te begeren en niet in gebreke te blijven. het gaat dus weer om de inzet van de mens. De mens wordt in wezen op zichzelf teruggeworpen en niet op God alleen. Het is een wreed, uitzichtloos gebeuren.

Verantwoordelijkheid
De goede bedoeling van de remonstranten was ongetwijfeld om de menselijke verantwoordelijkheid ten volle te honoreren. Hun oplossing ervoor was echter ver onder de bijbelse maat. Immers, wie op bijbels verantwoorde wijze de eigen verantwoordelijkheid overeind wil houden – en dat is een must – mag dat nooit doen door de in zonde gevallen mens op een voetstuk te zetten. Hij dient daarentegen alle accent te leggen op het heilige recht van God. Vanuit dat recht mag God de volle maat van onze verantwoordelijkheid blijven eisen, ook al zijn we door de zonde niet meer in staat er positief aan tegemoet te komen. We moeten met het nemen van onze verantwoordelijkheid dus door het nulpunt heen, waarin we erkennen dat God Zijn eisen niet aan past aan onze (on)mogelijkheden. Het is schuld dat we niet kunnen doen wat God van ons vraagt. Het is ook schuld dat we dat van huis uit zelfs niet willen. Dat betekent dat er van ons zelf niets is te verwachten. Daarom mogen we alles van God verwachten. We worden door het nulpunt heen op God geworpen en dat geeft ons een grandioze verlossing.

Eenvoudig
Altijd weer blijkt het arminiaanse denken de wilsvrijheid van de gevallen mens hoog te paard te zetten. Dat hangt samen met het daarin gehanteerde onbijbelse Godsbegrip. De eenvoudigheid van God betekent voor arminianen dat God onveranderlijk is naar Zijn Wezen, maar niet naar Zijn heilige wil. Dat geeft ruimte voor de vrije wil van de mens, ook na de zondeval. De gereformeerde theologie houdt op grond van de Schrift vast aan Gods eenvoudigheid en onveranderlijkheid, zowel naar Zijn Wezen als naar Zijn wil. God is de Soevereine. Er is niets in God wat niet wezenlijk God Zelf is. Verder is er bij de arminianen ook een samenhang met hun verstaan van de Schrift. Hielden en houden de rooms-katholieken het op de kerk die boven de Schrift staat, de arminianen plaatsten de ratio recta, het zuivere gezonde verstand, boven de Schrift. De gereformeerden legden terecht alle accent op het getuigenis van de Heilige Geest voor het juiste Schriftverstaan. Het getuigenis wordt alleen maar ontvangen door hen die in geloof radicaal leren buigen voor het Woord van God.

Veenbrand
Samenvattend kunnen we zeggen dat het arminiaanse denken nalaat het anker der hoop buiten ons levensschip te werpen in de vaste grond van Gods verkiezende liefde, van Zijn genade in Christus en van de zekere beloften van de Schrift. Men houdt het anker binnenboord en komt daarom nooit tot geloofszekerheid en vol harding in het geloof.
Het is de vraag in hoeverre het arminiaanse denken (onbedoeld) als een veenbrand ook ons theologisch denken heeft aangetast. Prof.dr. H. Oberman zegt ervan dat het remonstrantse denken zich heeft doorgezet, waardoor de verkiezingsleer van erfgoed tot zwerfgoed is geworden. In het begin van de Reformatie was het onder de van huis en haard verdreven gereformeerde vluchtelingen anders. Zij leefden in de krachtige troost van het evangelie dat rust vindt in het welbehagen van Gods genadige verkiezing in Christus.

Vandaag
Hoe zit het met ons geloof vandaag? Hoe functioneert bij ons de sprankelen de troost van het evangelie en van de uitverkiezing daarin? De geloofszekerheid en vandaar de troost van de verkiezing zijn niet op de juiste toonhoogte. Soms komt het omdat we de zekerheid van het geloof niet meer, zoals tijdens de Reformatie, verstaan als behorend tot het wezen van het geloof. We beschouwen geloofszekerheid dikwijls, net als de remonstranten, als behorend tot het welwezen van het geloof (ons gevoel). Als dat waar zou zijn, spelen we teveel in op de huidige postmoderne gevoelscultuur. Het gebrek aan geloofszekerheid kan ook samenhangen met remonstrantse trekken die er onder ons zouden kunnen leven. Over die remonstrantse trekken heeft prof.dr. A. van de Beek reeds vermoedens geuit. Menige preek houdt Gods soevereine genade en Zijn heilig recht niet genoeg overeind.

Preken
Het is belangrijk te beseffen dat een preek geen waterdichte dogmatische verhandeling kan zijn. Soms kan het nodig zijn de dingen wat scheef te trekken. We mogen ook niet vallen over een ongelukkige woordkeus. Toch dient in iedere preek de soevereine genade van God volop door te klinken. Iedere preek dient glashelder uit te stralen dat God aan de ene kant niets aan ons verplicht is, maar dat Hij aan de andere kant uit pure genade niets liever doet dan ons verlossen van zonde en dood. Deze verlossing is voor honderd procent het werk van God.
Daarom heeft de Vroege Kerk in de tijd van Athanasius en Augustinus tot het uiterste gestreden om helder te krijgen dat naast de Vader ook de Zoon en de Geest God zijn. Dat is in de Reformatie verwoord als de rechtvaardiging van de goddeloze. Alleen God kan verlossen. Van ons is niets te verwachten. De manier waarop wijzelf hierbij ingeschakeld worden kan het best onder woorden gebracht worden met Psalm 81:12: ‘Al wat U ontbreekt, schenk Ik zo gij ’t smeekt, (zelfs) mild en overvloedig.’ God geeft wat Hij vraagt.
Elke preek dient ons geheel op God en Zijn beloften te werpen en in niets op onszelf. Predikanten dienen te preken in betoning van Geest en kracht. Het zwaard van het Woord moet gehaald worden uit de schede van de Geest. Daartoe is een grondige exegese nodig, evenals oefening in godzaligheid, geloof en gebed, opdat de Heilige Geest ons in alle waarheid zal leiden. Dan zullen ze geestelijk gezag uitstralen. Geestelijk leiderschap waarin het ambt goed functioneert zal dan gegarandeerd zijn. Arminiaans denken, met de mens op een voetstuk, steekt ons als het goed is. We reageren als gestoken door een wesp wanneer we het ontdekken. We doen er alles aan om op het protestantse kerkelijk erf elke vorm van arminiaans denken te ontmaskeren. Het geldt niet alleen voor protestanten. Ook de Rooms-Katholieke Kerk moet breken met arminiaans denken van semi-pelagiaanse snit, opdat de volle genade van Christus met niet te stuiten kracht volop zal doorbreken tot rijke zegen voor heel Nederland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De verantwoordelijke mens

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's