Augustinus over God
Dr. Paul van Geest (1964) is sinds 2001 hoogleraar Augustijnse studies aan de KTU (faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg) en vanaf 2005 bekleedt hij deze functie ook aan de theologische faculteit van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Vorig jaar publiceerde hij een alom geprezen studie: Stellig maar onzeker. Augustinus’ benadering van God. In dit boek toont Van Geest aan dat ook Augustinus’ spreken over God doordrongen was van de overtuiging dat de mens in woorden Gods werkelijkheid meer niet dan wel benadert.
In VolZin, opinieblad voor geloof en samenleving van 16 mei, staat een vraaggesprek met prof.dr. Van Geest te lezen. Actueel is de vraag die aan hem wordt voorgelegd: ‘Was Augustinus een ietsist? ‘Wat heb ik lief als ik u liefheb?’, vraagt hij aan God. Het antwoord is: ‘Geen schoonheid van een lichaam, geen geur, geen omhelzing, maar niettemin zoiets als een licht, zoiets als een stemgeluid, zoiets als een geur, zoiets als een omhelzing …”
Van Geest reageert op deze vraag als volgt:
Je moet bedenken welk publiek hij probeerde te bereiken. De ontmoeting met een persoonlijke God was in bepaalde neoplatoonse kringen onmogelijk. Om te zorgen dat die neoplatonisten toch hun oren spitsten, had hij het over het goddelijke, een ‘iets’. Vervolgens komt hij met een omschrijving van menselijke kwaliteiten: stemgeluid, geur, omhelzing. Dan zegt hij: ‘Nee, het is geen ontmoeting met een iemand zoals ik een ander ontmoet, het is een ontmoeting met iemand die onbeschrijflijk en onherkenbaar is. Maar wel met een ‘iemand’.’ Hij spreekt in de tweede persoon tot God. Maar ook tot de zee, en de bomen. In de natuur voelt hij iets van God, maar het is God niet. Maar als hij in het tiende boek van de Belijdenissen tegen Christus zegt: ‘Tu medice meus intime’: ‘Jij, mijn innerlijke geneesheer’, dan is dat in een dialoog-verhouding met een persoon. Hij sluit wel aan bij de gedachtewereld van zijn toehoorders, maar hij neemt ze mee, heel slim, naar zijn levensbesef en levenshouding. En daarin merk je duidelijk dat hij God als persoon wil ontmoeten. Hij vindt hem niet, maar dat wil hij wel. En naarmate hij ouder wordt en door zijn preken en studeren meer vertrouwd is geraakt met de evangeliën, zegt hij steeds duidelijker: God is mens geworden. Iets in een hogere zijnsgraad heeft zich verlaagd door toetreding tot de materie: het Woord is vlees geworden. Daardoor wordt de mens vergoddelijkt. Alleen is dat nog niet helemaal gebeurd voor de hele mensheid, het staat nog uit. Maar de eerste christenen hebben het al ervaren, in Christus. Het programma van wat de mens staat te gebeuren, hebben wij in Christus geopenbaard gekregen. God wordt mens, hij leeft, hij lijdt, hij sterft, en hij verrijst. Dat is ook het programma van het mens-zijn. Wij leven, wij lijden, wij sterven – en het laatste stuk hebben wij in Christus al gezien: wij zullen verrijzen. Hoe? Onuitsprekelijk, onherkenbaar. Wij zijn als kleine kinderen, wij kunnen nog geen vast voedsel verdragen, alleen melk: de Schrift is melk voor kleine kindjes. Maar die verrijzenis blijft voor ons uitstaan. Niet in tijd en ruimte, onverklaarbaar, maar die hoop is er bij Augustinus.
Nu er nog steeds een discussie gaande is over het boek van ds. K. Hendrikse (Geloven in een god die niet bestaat) over de vraag hoe we over God al dan niet hebben te spreken, zijn de gedachten van Augustinus over dit thema zeer de moeite waard. Hij werd er zich bij het ouder worden steeds meer van bewust dat God niet in woorden kan worden gevat. Naarmate hij ouder werd, groeide zijn onzekerheid. Steeds gaf hij te kennen liever in de stilte ‘de onuitsprekelijke God’ te zoeken dan en publique over God te willen spreken. Prof. Van Geest merkte dat de kerkvader al zeer vroeg een al te concrete lichamelijke voorstelling van God radicaal afwees. De Schrift en de dogmatische formules bevatten voor Augustinus weliswaar geen onwaarheden, maar de woorden zijn wel aangepast aan het uiterst beperkte menselijke bevattingsvermogen en dus daarom ontoereikend om Gods mysterie tot uitdrukking te brengen. Augustinus: ‘Als je denkt iets van God begrepen te hebben, dan heeft wat je begrijpt niets met God van doen.’ Van Geest stelt dat de kerkvader zich in zijn spreken over God heel kwetsbaar durfde op te stellen. Als bepaalde ketterse stromingen weersproken moesten worden, deed hij dat in stellige verklaringen. Tegelijk deed hij ‘haast dramatische pogingen iedereen ervan te doordringen dat God onkenbaar, onbegrijpelijk en onuitsprekelijk is’. Samenvattend, aldus nogmaals Van Geest, ligt de kracht van Augustinus niet alleen in zijn fascinerende denken over God, maar ook in zijn vermogen om onzekerheid over en vertrouwen op God tegelijk aan te wakkeren. Als hem daarom gevraagd wordt in het hier geciteerde gesprek, of Augustinus lezen voor ons, nu en vandaag, nog nuttig kan zijn, antwoordt Van Geest:
Ja, absoluut. Tegenwoordig wordt er constant geappelleerd aan je eigen kracht, waarin je moet geloven. Dan denk ik: ja, hartstikke mooi, maar dat is maar een deel van de waarheid. Ook in mij schuilt egoïsme, en daarvan moet ik me bewust zijn. Kijk, mensen van zestig of zeventig hebben al genoeg zelfbeschuldiging meegekregen in hun jeugd. Voor hen zijn sommige preken heel uitnodigend. Maar voor de jongeren van vandaag zijn de ‘Belijdenissen’ verplichte lectuur. Anders worden ze hoogmoedig.
Is hij dan niet lichaamsvijandig, zoals het gangbare beeld wil?
Totaal niet. In zijn kloosterregels schrijft hij: jongens, zorg voor je persoonlijke hygiëne, ga naar een badhuis. Ben je ziek, ga naar een dokter, want je hebt maar één lijf. De erfzonde staat in het kader van de verlossing door Christus. Als ik hoogmoedig ben, valt er niets te verlossen. Als ik competitief ga denken, zegt Augustinus, verstik ik mezelf. En dan raak ik privatus – geïsoleerd. Als je ook kunt genieten van de voorspoed van anderen, dan ben je vrij. Dat is diepgevoelde nederigheid. Ik ben ook af en toe behoorlijk privatus … dan moet je papa zo nodig een boek scoren. Dat is óók de erfzonde, zou Augustinus zeggen. Met het besef van je onvolmaaktheid kun je best gelukkig leven, maar je moet het wel onderkennen. Sommige jongens van mijn leeftijd zijn veel knapper dan ik. Ik word geacht daar jaloers op te zijn, maar dat ben ik niet. Ik heb in Rome gestudeerd en werd daar uitgenodigd door een titulaire aartsbisschop die mij een carrièrepad voorschilderde … heel redelijk. Mijn verstand zei: ik kan carrière maken in de kerk. Maar er was iets in mij, een intuïtie of roeping, waardoor mij duidelijk werd dat dit pad niet van mij gevraagd werd. Toen ik dat onderkende, heb ik tegen mezelf gezegd: nu moet ik ook nooit meer zeuren over carrièrekansen. En toen was ik vrij. Het was een soort bekering zoals Augustinus die in zijn tuin had. Er zouden er nog vele volgen.
Toen ik vier jaar pastoraal werker was geweest, bijvoorbeeld, in Rotterdam Ommoord, heb ik pas begrepen wat Augustinus bedoelde toen hij schreef: ‘Als wij liefhebben, worden we mooi’. Ik sprak een stel toe dat vijftig jaar getrouwd was. Hij zat in een rolstoel, met een dichtgeplakt oog, en zij daarnaast. Hij zocht haar hand – en ik brak, want ik wist ineens wat Augustinus bedoelde. Die mensen waren biologisch-technisch gezien aan het aftakelen, maar hun huid glansde. Ik dacht: dat is het enige dat een mens in het leven te zoeken heeft: de liefde, de caritas, als mooiste en meest mysterieuze kracht in de geschiedenis van mensen. Dat is een bekeringservaring. Noem het maar genade. Mijn boek ‘Stellig maar onzeker’ is ook een persoonlijke zoektocht naar God geweest. Ik ben wetenschapper, maar ook gelovige. Ik leef in het besef dat ons dingen worden doorgegeven vanuit die eerste christusgemeenschap waaruit wij een onverklaarbare hoop kunnen putten.
Treffend is de eerbied en de voorzichtigheid in het spreken van Augustinus over God, gecombineerd met een innige en diep doorleefde verbondenheid met Hem. Toen hij na een diepe crisis in 387 werd gedoopt, zei hij: ‘Nu is het genoeg, ik word servus Dei, dienaar Gods.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 mei 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's