De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Herdoop en geloofsverdieping

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Herdoop en geloofsverdieping

6 minuten leestijd

Waarom beleven weinig mensen hun doop en zoeken ze hun aparte doopbeleving in een nieuwe doop? Is gedoopt te zijn door onderdompeling van essentieel belang om de echtheid van je doop te ervaren?

Een teken en zegel [2]

We kunnen ons terecht zorgen maken over de ontwikkelingen rondom het propageren en stimuleren van de herdoop en over het feit dat doop- en gemeenteleden – en niet alleen jongeren – voor die praktijk in zijn of in raken. Niet minder zorgelijk is dat soms blijkt dat er binnen hervormd-gereformeerde kring tendensen leven die wijzen naar min of meer acceptatie van de herdoop.
Wanneer mensen uit innerlijke overtuiging, langer of zelfs korter na hun belijdenis voor God en Zijn gemeente, daar behoefte aan hebben, moet de kerk daar dan richtlijnen voor opstellen? Moeten er kerkorde-artikelen voor in het leven worden geroepen, waarmee kerkenraden en predikanten worden geholpen om nog niet meer betrokken gemeenteleden te zien uitzwermen?
Dat lijkt me een soort welwillendheid die het gebrek aan kerkelijk besef in de hand werkt. Ik geloof ook niet dat dit de weg is om meer saamhorigheid in de gemeente te creëren.

Niet versimpelen
Je kunt het verschil van onderling inzicht in geloofszaken zomaar niet versimpelen tot de kwestie van kinderdoop en volwassen- of herdoop. Als het er op aankomt, schuilt het verschil in een prediking – en dienovereenkomstige ervaring – van een vanzelfsprekend geloof aan de ene kant en van een geloof als Gods gave aan de andere kant.
Dat verschil zit in twee kleine woordjes ‘toch’ en ‘nochtans’. Het geloof dat de Heilige Geest door het Woord in je hart werkt, zegt nooit: ‘Ik geloof toch’ – einde tegenspraak. Het blijft tot de laatste snik ‘nochtans’ zeggen. Niet ik, maar de genade van God, Die met mij is. Het zoekt zijn houvast, zijn zekerheid, klassiek gezegd: zijn zaligheid, niet in welke geloofservaring ook, maar buiten zichzelf in Christus.
Het gebrek aan dát geloof is oorzaak van alle verwarring rondom allerlei doopvragen, die de onrust vanwege doop, buiten en binnen de kerkelijke verbanden, levend houdt. Het is niet zo dat het gevoel van er helemaal bij te horen en je binnen een gezellig groepsgebeuren happy te weten, staande houdt bij tegenvallers of tegenslagen, geloofsbeproevingen en aanvechtingen. Dat doet wel het vertrouwen op de verzegelde belofte van mijn Vader, de God van mijn doop. Dát is, volgens Jesaja 50:10, de man of vrouw, het kind, de jongen of het meisje, die de HEERE vreest. Niet herdoop maar kinderlijk geloof leidt tot verdieping van de geloofsbeleving.

Pot en ketel
Weten we nog wat dopen in werkelijkheid is? Deze vraag is uiting van de grootste zorg die ons rondom de doop bezighoudt. Waarom beleven weinig mensen hun doop en zoeken zij hun aparte doopbeleving in een nieuwe doop? Zijn we als kerk niet ernstig in gebreke gebleven – en blijven niet we nog steeds in gebreke? – als het gaat om het leven uit de inhoudsvolle betekenis van de kinderdoop? Raakt de kritiek op het opnieuw dopen niet in de eerste plaats de kerk in haar geheel? In het bijzonder de kerkelijk meelevende ouders, die er niet over peinzen hun kinderen ongedoopt te laten? Niet eens omdat de grootouders dat nog graag willen, maar omdat zij terecht vinden dat hun kinderen ‘behoren gedoopt te wezen’ (doopformulier).
Tot het kerk-zijn behoort als eerste opdracht om onze kinderen van het ene geslacht op het andere de hooggeloofde daden van de HEERE, Zijn kracht en Zijn wonderen te vertellen. Wij hebben hen die er gewoonweg van uitgaan dat God bij je doop zonder meer zegt: nu ben je Mijn kind, en daarop zonder geloof, levensvernieuwing en het bijbelse vrezen en beven doorgaan, niets te verwijten.
Zeker niet zolang we onze kinderen wel laten dopen, maar er verder hun leven lang niet meer met hen over praten. Als we hoogstens meegeven: je bent wel gedoopt, maar daarmee ben je nog geen kind van God, om het vervolgens daarbij te laten. Dat is rampzalig oppervlakkig. Hier zet de ene oppervlakkigheid zich af tegen de andere vanzelfsprekendheid. Een verwijt van pot en ketel. Want het wordt wel anders gezegd en het klinkt ook veel behoudender, maar diep in het hart wordt ook gedacht: gedoopt zijn is klaar. Ik heb mijn plicht gedaan, daar heb ik tenminste geen omkijken meer naar.
Totdat … Ja, dan komt de doop uit de kast als een stok achter de deur om puberaal gedrag in bedwang te houden.

Voorleven
In zulke gevallen, wanneer de christelijk-traditionele opvoeding uit de hand dreigt te lopen, weten ouders niet meer te zeggen dan: ik heb je toch laten dopen. Daarmee zijn ze in ieder geval twaalf tot zestien jaar te laat om de rijke inhoud van de doop als teken en zegel van Gods belofte ter sprake te brengen. Het resultaat van dat soort ‘waarschuwingen’ is schouderophalen, weglopen en zeggen: ‘Nou en …? Ik ben wel gedoopt maar u hebt het er verder nooit met mij over gehad.’
Hoe kunnen kinderen dan nog weten wat hun doop inhoudt? Wanneer ouders zelf niet uit Gods doopbelofte leven en die voorleven, wordt het voor hun kinderen heel moeilijk iets aan hun doop te beleven. Om misverstand te voorkomen: dat heeft niets met verbondsautomatisme maken. Het heeft wel alles van doen met een opvoeding in de trant van Timotheüs, die door oma Loïs en moeder Eunice en hun uitleg van de Bijbel dicht aan het hart van de God van het verbond werd gebracht. Waarom de God van het verbond? Ik kom daar nog op terug.

Familiefeestje
Zijn wijzelf niet de grote oorzaak van de heersende onkunde in de kerk ten aanzien van de doop? Wanneer het dopen tot een formaliteit is verworden en ouders op een doopzitting of tijdens een doopgesprek thuis er geen blijk van geven ook maar te vermoeden wat God met de doop van hun kind bedoelt, moeten we ons dan nog verwonderen dat de doop onder ons zo weinig leeft? Dat mensen doen alsof ze nooit zijn gedoopt? De doop krijgt dan misschien iets van een familiefeestje. Helaas wel, bij gebrek aan geestelijke vreugde in God, ‘Die onze kleine kinderen niet minder dan de volwassenen door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest toezegt’ (H.C. vr.en antw. 74). Een toezegging zonder ingebouwde onzekerheid, maar die wel bedoelt het geloof van heel de gemeente, ouderen en jongeren, tot de kinderen toe, te funderen in de onwrikbare belofte van God. Pas dan kan het geloof alles aan de doop beleven. Wanneer dat niet meer leeft, is het dan zo verwonderlijk dat de kinderdoop in hoge mate wordt onderschat en dat alternatieve belevingsvormen worden gezocht? Het een en ander dienen we ons bij commentaar op de herdoop wel eerlijk te realiseren.
Ik zie geen enkele reden om vanuit de hoogte andere christenen op voorhand te veroordelen, alsof God op onze dooppraktijk niets heeft aan te merken. Hiermee wil ik geen gelijkschakeling van kinder- en herdoop insinueren. Ik wil wel accentueren dat we ons aan beide kanten grondig tot de God van onze doop dienen te bekeren.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Herdoop en geloofsverdieping

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 juni 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's