De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Eén of twee soorten mensen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Eén of twee soorten mensen

VISIE OP DE GEMEENTE [1]

8 minuten leestijd

Als studenten theologie konden we er naar hartenlust over discussiëren: Maar hoe zie jij dan de gemeente? Allicht kwam deze vraag ook tijdens preekbesprekingen op tafel, soms tot vermoeiens toe. Het was dikwijls een van de vragen waar het om spande.

Nog altijd is het zo dat de visie van de predikant op de gemeente voor een groot deel bepalend is voor de diepte en de inhoud van zijn prediking. Ook de gescherpte luisteraar beseft dat. Weet hij dat de gemeentevisie van zijn dominee bijbels is, dan geeft hij zich onbevangen over aan diens prediking; anders luistert hij kritischer. Wat is een bijbelse visie op de gemeente? Dat is een visie die uitgaat van het verbond dat God met ons gesloten heeft. De Heere gaat geen ‘losse relaties’ met mensen aan, maar plaatst ze in een gemeenschap, met elkaar en met Zichzelf als de Drie-enige. Dat verbond is het verbond der genade, dat gegrond is in het bloed van Christus en waarin wij door het geloof, in zoverre het de verdiensten van Christus aanneemt, rechtvaardig en zalig gemaakt worden.

Uitersten
In deze visie worden twee uitersten vermeden: we doen niet alsof de gemeente louter uit onbekeerden bestaat, die niets met God hebben maar allemaal nog van dood levend gemaakt moeten worden, op een enkeling na. Of dit zicht op de gemeente onder ons voorkomt? Ik denk niet (meer). Evenmin vervallen we in het andere uiterste, waarbij we ervan uitgaan dat iedereen in de gemeente God kent en in een min of meer bewuste relatie met Christus leeft. Ik heb echter de indruk dat dit zicht op de gemeente onder hervormd-gereformeerden terrein wint, getuige uitspraken die ik van tijd tot tijd opvang.

Inzoomen
De waarheid zal ergens in het midden liggen? Dat is te simpel gezegd. Een rondgang door de Schrift zal ons het juiste zicht op de gemeente geven. Dan blijkt uit het Oude Testament dat God Zijn volk ziet als echt Zíjn volk, en uit het Nieuwe dat voor Christus Zijn gemeente echt Zíjn gemeente is, Zijn bruid zelfs. We moeten er direct aan toevoegen: ondanks alles. Want wat is Israël druk in de weer om door dat ‘Zijn’ een streep te halen en het te vergeten. En op veel gemeenten is van toepassing wat Christus zegt tegen de christenen in Efeze, Pergamus en Thyatire (Openb. 2): ‘Ik heb tégen u.’ Een groot deel van de prediking van de profeten is aan deze problematiek gewijd: Israël héét wel Gods volk, maar ís niet Gods volk en leeft niet als zodanig. Meer dan één gemeente wordt een gemeente Góds genoemd; maar wanneer de apostelen in hun brieven op een gemeente inzoomen, komt aan het licht dat zij deze naam vaak niet verdient.

Hoge komaf
De ene na de andere profeet maant Israël hartstochtelijk zijn hoge komaf te bedenken. In Jesaja is het om zo te zeggen al vanaf het eerste hoofdstuk raak: ‘Een os kent zijn bezitter en een ezel de krib van zijn heer; maar Israël heeft geen kennis, Mijn volk verstaat niet.’ De aanklacht wordt nog feller: ‘Wee het zondige volk, het volk van zware ongerechtigheid, het zaad der boosdoeners, de verdervende kinderen! Zij hebben de Heere verlaten, zij hebben de Heilige Israëls gelasterd, zij hebben zich vervreemd, wijkende achterwaarts.’ Slechts een kleine rest vreest en dient nog de Heere; zij heet ‘de dochter van Sion’: alleen zíj ‘is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad.’
In zijn commentaar past Calvijn dit vermaan toe op de gemeente: Als God de misdaden van de Joden zo zwaar gestraft heeft, laten wij bedenken dat ons eenzelfde lot zal treffen, als wij hen in hun opstand volgen. Bij vers 28, waar we lezen dat de zondaars zullen omkomen, is Calvijns pen nog scherper: Dit staat er opdat de schijnheiligen, die zich in de schoot der kerk nestelen en vol vertrouwen naar zich toehalen wat God belooft, niet zullen denken dat zij tot Gods kinderen behoren. Ontroerend zijn in dit verband de profetieën van Hosea. Zijn dochter moet hij Lo-Ruchama noemen, Niet-ontfermd; want God zal Zich niet meer ontfermen over Israël. Later wordt hij opnieuw vader: van een zoon. Noem hem Lo-Ammi, Niet-Mijn-volk, draagt de Heere hem op; ‘want gij zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn.’ In één woord: God schrijft Israël af. En toch, mag Hosea verkondigen, er komt een andere tijd: de kinderen Israëls zullen zich bekeren en zoeken de Heere, hun God. ‘En het zal geschieden dat ter plaatse waar tot hen gezegd zal zijn: Gij zijt Mijn volk niet – tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen van de levende God. Zeg tot uw broeder: Ammi, Mijn volk; en tot uw zuster: Ruchama, ontfermd.’

Gewaarschuwd
De vermaningen in het Nieuwe Testament zijn niet minder indringend. We denken bijvoorbeeld aan wat Paulus de Korinthiërs schrijft. Hij roept ze op te bedenken wat er met ‘onze vaders’ (opmerkelijk, deze benaming van het oude Israël tegenover de christengemeente in Korinthe!) aan de hand was: ze verkeerden allen onder de wolk, gingen allen door de Rode Zee, aten allen van het manna en dronken allen uit de steenrots, dat is Christus; máár, in het merendeel van hen heeft God geen welgevallen gehad: Hij velde ze neer in de woestijn (1 Kor. 10:1-5). Een waarschuwend voorbeeld voor ons! stelt Paulus.
In de Romeinenbrief (9:6) staat het bekende woord dat niet allen Israël zíjn die uít Israël zijn. Dat wil zeggen: slechts hij is een echte Israëliet die besneden is van hart en oren. Hoorde Paulus, toen hij nog Saulus heette, Stefanus niet iets dergelijks zeggen? Als er Een is geweest Die heeft opgeroepen tot bekering en Israël als volk van het verbond en in het verlengde daarvan de gemeente heeft gewaarschuwd voor ongeloof, is dat de Heiland Zelf geweest. We denken aan Zijn gelijkenis van de zaaier (Matth. 13): lang niet al het zaad valt in goede aarde en geeft vrucht. We denken ook aan het gesprek dat Hij eens voerde met een aantal Joden (Joh. 8). ‘Abraham is onze vader’, zeiden zij tegen Hem. Met andere woorden: onze afkomst is in orde. Ongekend fel wierp Christus hun echter tegen dat de duivel hun vader was.

Twee soorten
Het is dus een spannend en verantwoordelijk iets om in Gods verbond opgenomen te zijn. Daardoor wordt ons Zijn heil zeer nabij gebracht, zó nabij dat wij mogen zeggen: God is mijn Vader en de Heilige Geest is ook mij gegeven om mij door een waar geloof Christus en al Zijn weldaden deelachtig te maken. We noemen dat de aanbieding van Gods belofte. Een ander iets is echter of het in ons leven ook komt tot de vervulling van deze belofte. Ga ik ontdekken hoe groot mijn zonde en ellende zijn? Mag God mij leren hoe ik daarvan verlost word? Wandel ik in een nieuw godzalig leven? Er zijn dus twee soorten mensen in Gods verbond opgenomen: zij die wél en zij die níet zalig worden. ‘Tweeërlei kinderen des verbonds’ noemden we dat nog niet zo lang geleden. We zeggen dan (en het is goed hier de gangbare begrippen te gebruiken): het ‘wezen’ van het verbond geldt de uitverkorenen, terwijl de ‘bediening’ van het verbond zich uitstrekt tot de velen die het evangelie wel horen maar niet geloven en daarom verloren gaan.
Daar zit Gods verkiezing achter, waardoor Hij degenen die Hij in Zijn eeuwige raad heeft uitverkoren in Christus, uit hun verderf trekt en verlost, en de anderen laat in de put waarin ze zichzelf geworpen hebben. Daarom is er ten diepste kaf en koren, en zijn er veel gemeenteleden ‘uitwendig’ (nog zo'n uitdrukking) wel ín het verbond, maar ‘inwendig’ zijn ze niet ván het verbond.

Moeilijker
De vraag die ik mijzelf steeds weer stel, is: realiseer ik me als predikant voldoende dat er twee soorten verbondskinderen zijn? Klinkt mijn oproep tot geloof en bekering krachtig genoeg? Heb ik – overeenkomstig Jesaja 3 – het de rechtvaardige zonder reserve gezegd dat het hem wél zal gaan? Maar heb ik het omgekeerde ook onomwonden laten horen: ‘Wee de goddeloze, het zal hem kwalijk gaan’?
Nu is het soms alsof het ‘wee u’ je moeilijker over de lippen komt in een kerkdienst met weinig mensen, die je stuk voor stuk zeer betrokken ziet luisteren, dan in een meer volkskerkachtige situatie, waar ettelijke honderden onder je gehoor zitten en je deze of gene onder zeil ziet gaan of merkt dat er met een mobieltje gespeeld wordt. Ik herinner me nog de dienst waar niet meer mensen waren dan Christus apostelen had. Ook het avondmaal werd toen bediend: iedereen kwam aan. Dan kun je je niet voorstellen dat er iemand van hen verloren zal gaan.
Toch mag ook in zo'n situatie een woord als van Paulus in Romeinen 11 niet verzwegen worden: ‘Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: de strengheid over hen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien u in de goedertierenheid blijft; anders zult ook u afgehouwen worden.’

Ernst
Kortom, onze discussie destijds als studenten theologie was zeer ter zake en is nog steeds actueel. Niet iedereen die Egypte achter zich laat en in Gods verbond is ingelijfd, bereikt het beloofde land.
Moet deze ernst niet te allen tijde de prediking doortrekken? Voelbaar moet zijn dat de poorten der eeuwigheid daarin oprijzen, dat hemel en hel erin ontsloten worden en dat in een van beide onze plaats zal zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 2008

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Eén of twee soorten mensen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juli 2008

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's