Twee soorten mensen
Visie op de gemeente [2, slot]
Bestaat de christelijke gemeente uit gelovigen en moeten ze ook zo in de preek worden behandeld? Of moet de preek een duidelijke oproep tot bekering bevatten en is dat misschien wel juist het doel van de prediking?
Soms ben je goedsmoeds over de gemeente. Leid je een avondmaalsdienst met slechts een handjevol mensen die allemaal aan tafel gaan, dan denk je: één voor één ‘gekenden des Heeren’. Hoor je tijdens de aannemingsavond jongeren hun brieven voorlezen waarin ze hun keuze voor Christus en Zijn gemeente motiveren, dan weet je dat God doorgaat met Zijn werk. Zie je in een doopdienst ouders ontroerd bij de doopvont staan, dan verwacht je niet dat zij of hun kinderen zullen afhaken.
Daar staan andere momenten tegenover. Karin had ouders die de Heere vreesden, maar zelf doet ze er niet meer aan, al heeft ze destijds bewust belijdenis gedaan. Hoe kan dat? De heer Nijvlak verkeerde jarenlang met genoegen onder een rijke Christusprediking. Maar nu? Zijn zondag staat helemaal in het teken van sport. Zulke ervaringen maken je mismoedig.
‘Een op de honderd’
Calvijns constatering is niet zo vreemd: honderd mensen horen dezelfde preek; twintig nemen haar gehoorzaam aan, de anderen geven er niets voor. Elders is hij nog iets pessimistischer: nauwelijks één op de tien houdt de zuiverheid van het geloof tot het einde toe vast. Ook dat percentage stelt hij naar beneden bij: ieder mens draagt een kiem van godsdienst in zich, en toch wordt er ternauwernood een op de honderd gevonden die die kiem in zijn hart koestert.
Herkenbaar is Paulus’ verzuchting: ‘Niet allen hebben het geloof ’ (2 Thess. 3:2). Christus Zelf maakte mee dat velen zich van Hem afwendden (Joh. 6:66). Twee keer tekenen we op uit Zijn mond: ‘Velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren’ (Matth. 20:16, 22:14).
Zelfonderzoek
Van de weeromstuit zou je in de preek alleen nog maar waarschuwen en de gemeente oproepen te onderzoeken of ze staat in het waarachtige geloof. Trouwens, ook als voorganger mag je het zelfonderzoek niet nalaten. Ik denk aan Paulus, die ergens (1 Kor. 9:27) de hoop uitspreekt dat hij, na anderen gepredikt te hebben, zelf niet ‘verwerpelijk’ zal zijn. Goed, dat betekent volgens de Kanttekeningen niet dat hij van zijn verkiezing onzeker is. Maar als je in deze woorden er toch iets van beluistert dat ook een dienaar van het Woord in het laatste oordeel afgewezen kan worden?
Eén ding laat je wel uit je hoofd: streven naar een zuivere kerk. Dat is alle eeuwen door geprobeerd. We denken aan de opwekkingsbeweging van Montanus in de tweede eeuw. Hij verlangde naar de machtige werkingen van de Geest na Pinksteren; helaas, die waren voorbij, evenals het verlangend uitzien naar Christus’ wederkomst.
We denken aan de Franse ex-priester Jean de Labadie (zeventiende eeuw), die in Middelburg predikant werd: ook hij ijverde voor een gemeente die slechts uit wedergeborenen bestond. Hoe begrijpelijk en verleidelijk zulk streven ook is, de kerkgeschiedenis leert dat het altijd op een fiasco uitloopt. Het is de oplossing niet voor het gegeven dat er tweeërlei kinderen des verbonds zijn.
Remedie
Wat te doen, met name in de prediking, waar er tweeërlei kinderen des verbonds zijn? Er is maar één remedie: in de verkondiging vroom en goddeloos op één hoop gooien. Moet er dan niet – zoals dat heet – ‘onderscheidenlijk’ gepreekt worden? Jazeker, er moet – nog zo’n uitdrukking – ‘gesepareerd’ worden. Iedereen heeft zich te realiseren dat we met schaap en bok in één hok zitten. Elementen als waarschuwing en oproep tot zelfonderzoek hebben daarom onze prediking te kenmerken. Misschien zal er zelfs weer meer werk van gemaakt moeten worden. Niet op een voorspelbare, houterige manier, maar zó dat we met de gevangenbewaarder (Hand. 16) uitroepen: ‘Wat moet ik doen opdat ik zalig word?’ Er ontbreekt iets in de verkondiging als zij niet het besef wakker roept en levend houdt dat ‘er wat met een mens moet gebeuren’. Toch, in de prediking loopt de scheidslijn niet direct tussen gelovigen en ongelovigen, tussen bekeerden en onbekeerden. Wie namelijk denkt dat de tegenstelling geloof-ongeloof samenvalt met die tussen gelovigen-ongelovigen, laat het verbond los, bouwt een kerkje in de kerk en zo komen allerlei seinen op onveilig te staan.
Daar zit nog iets anders achter: de kerk is de plaats waar God met zondaren (!) wil samenwonen. Aan hén vermaakt Hij Zijn genade. Maar dan moeten ze zich wel op de plaats bevinden waar die genade ontvangen wordt: dat is daar waar ooit de tollenaar stond, toen hij bad: ‘O God, wees mij, zondaar, genadig.’ Maar welke neiging heeft meer dan één gerechtvaardigde tollenaar, wanneer hij de volgende keer weer in de tempel komt? Is het niet om daar te gaan staan waar de farizeeër stond en dan net als hij te zeggen: ‘O God, ik dank u dat ...’ Daar is niets mis mee als de farizeeër beseft dat hij tollenaar is en blijft. Maar als de tollenaar farizeeër wordt ... Dan is alles bedorven.
Olie
Waar het om gaat, is de prediking van wet en evangelie. Die tweeslag moet de verkondiging bepalen, anders is zij slechts gebrekkig door de belijdenis van de Reformatie doorademd en komt zij niet zó op uit de Schrift als de Geest wil. Door de prediking van wet en evangelie – zou ik willen stellen – wordt het ‘probleem’ van tweeërlei kinderen des verbonds overstegen. Immers, wij blijven, ook na ontvangen genade, én zondaar én rechtvaardige, tegelijk. Terecht zegt Kohlbrugge: ‘Ik kan het niemand genoeg inprenten dat hij zijn leven lang de bekende vraag van de Heidelbergse Catechismus in zijn geest moge bewaren: waaruit kent gij uw ellende? Antwoord: uit de wet Gods. Dan zal er bij hem behoefte zijn aan waarheid, gerechtigheid en troost.’ Juist zo kan de Heilige Geest aan de slag. Want waar de wet klinkt en de mens voor God stelt – nota bene voor die God van Wie de mens niet wil dat Hij God is –, daar doet de Geest de hoorder hoe langer hoe meer ontdekken dat hij tegenover God geen been heeft om op te staan. Hij komt er achter dat hij ‘vlees’ is en niets meer. Zo raakt hij beschaamd.
En de beschaamde wordt vertroost. Door het evangelie, waarmee de olie des Geestes in onze wonden wordt gegoten. Dat geheim maakt deel uit van de dwaasheid der prediking. Immers, waar het Woord komt, daar maakt het alles nieuw en schept het een nieuwe mens, een nieuw verbond, een nieuwe gehoorzaamheid.
Daarom mogen we een machtig groot vertrouwen hebben in de bediening van het Woord. Dat komt over allerlei kloven heen, kloven waarvoor her en der in onze kerk wel eens te veel aandacht wordt gevraagd; en te veel aandacht is ook te veel eer. Dat breekt ook door allerlei weerstanden heen, weerstanden waarvan men – veelal ter rechterzijde – zo onder de indruk is dat het aanbod van een rijke Christus voor een arme zondaar wat onder de maat blijft.
Dooppreek
De spanning die het ‘tweeërlei kinderen des verbonds’ met zich meebrengt met het oog op de prediking, het pastoraat, het gemeente-zijn krijgen we nooit goed onder de knie. Onze God maakt zalig door Woord en Geest, maar hoe dat precies in zijn werk gaat, is Zíjn geheim. Intussen is het onze opdracht dat geheim zo dicht mogelijk te benaderen. Voorbeelden daarvan treffen we aan in Kohlbrugge's dooppreken. Uit zijn preek over Kolossenzen 2:10-12 (‘Met Christus begraven in de doop, waarin u ook met Hem opgewekt bent’) neem ik – enigszins vrij – iets uit het slot over:
'Volwassenen, laat de doop u tot een staf in de hand zijn en laat de duivel u de troost daarvan niet ontroven. Want daarin hebt u vanaf de moederschoot van Godswege het teken en zegel ontvangen dat Hij u een genadige God wil zijn en blijven. Zeg daarom de dienst aan de zonde op en stel u helemaal, met lichaam en ziel, onder de heerschappij van de genade, waardoor u geroepen bent, toen u haar nog niet kende.
Ouders, laat de doop u opwekken om bij de Heere aan te houden dat Hij de belofte, betekend en verzegeld aan uw kinderen, bij hen zal vervullen. Kinderen, jongeren, nu jullie tot je verstand zijn gekomen, weet dat je in je doop Christus’ eigendom geworden bent en met de Geest der genade verzegeld. Word daarom wakker uit de strik van de duivel, wanneer je nog in je doodsslaap ligt! Buig je knieën en bid: "Ach, mijn Heere en Heiland, blijf ik zoals ik nu ben, dan ben ik verloren, want ik heb geen hart voor Uw genade, die U al in mijn jeugd aan mij wilde verzegelen; maak mij zoals ik zijn moet; bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn, want U bent mijn God".’
Aanbidding
Op twee manieren kijken we naar de gemeente: met de ogen van Johannes de Doper. Dan weten we: ‘Gij adderengebroedsels!’ En we zeggen het in de preek één keer duidelijk aan (zo doe ik dat zelf ) dat wie niet gelooft geen deel in het rijk van Christus heeft. Daarna kan en mag en moet het evangelie klinken, voluit. Want de genade roemt tegen het oordeel. We kijken met de ogen van Johannes de Evangelist naar de gemeente en weten: voor ons zit een deel, misschien wel een heel groot deel van de grote schare die niemand tellen kan.
Soms merk ik dat niet iedereen erin meekomt, wanneer vanaf een bepaald punt onafgebroken de hoge tonen van Gods genade en liefde worden aangeslagen en de verkondiging overgaat in lofprijzing en de waarschuwing achter zich laat. Dat moet ons er echter niet van weerhouden de bazuin van het evangelie vrolijk te laten klinken. Want er is heil voor zondaren! Daarom mag de prediking eindigen in de zekerheid des geloofs en in de aanbidding van de overmachtige genade Gods. Lof zij U, Christus, in eeuwigheid!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 2008
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 2008
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's