De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Zomercolumn

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Zomercolumn

7 minuten leestijd

In de zomermaanden trakteert de redactie van het NOS-journaal zijn kijkers elke dag tussen 7 en 9 uur ’s morgens op een zogeheten zomercolumn. In het buitenland gevestigde correspondenten laten op een vaak ludieke manier hun licht schijnen over een onderwerp dat in hun standplaats de gemoederen bezighoudt. In de zomer is er meestal minder nieuws, vandaar de ruimte voor een dagelijkse zomercolumn. In de kerkelijk georiënteerde persorganen is de zomertijd ook merkbaar. Er vallen nummers van weekbladen uit, dagbladen bevatten minder pagina’s dan gebruikelijk. Journalisten worden op hun vindingrijkheid en originaliteit getest in het bedenken van bladvullende bijdragen, soms vermakelijk en leerzaam, soms gezocht en daarom saai. Een echte kranten- en bladenlezer betreurt het daarom niet als de zomertijd weer voorbij is.
Bij het samenstellen van deze rubriek kies ik daarom ook maar een zomers thema: de mobiele telefoon en het overdadig ge(mis?)bruik ervan. Ik werd op het idee gebracht door een fraaie column van Willem van der Meiden in VolZin (Opinieblad voor geloof en samenleving van 30 mei 2008). Omdat het moeilijk is zijn bijdrage af te breken, neem ik hem in z’n geheel over. Van der Meiden schrijft boven zijn bijdrage het opschrift Nomofobie en hij legt zelf uit wat hij met dat ons onbekende woord bedoelt:
U bent vast niet nomofoob. Met nomofobie wordt een staat van psychische ontregeling aangeduid die de lijders met de angst vervult ‘niet mobiel bereikbaar’ te zijn. Zij laten hun mobiele telefoon dag en nacht aan en bij begrafenissen of concerten zetten ze het ding ‘op de trilstand’. Ik ken dezulken niet, maar wel mensen die als ik met hen in gesprek ben en hun broekzak rinkelt altijd onder het mompelen van ‘momentje’ de mobiele beller laten voorgaan.
Ik lijd aan de tegenovergestelde kwaal – ik haat het bereikbaar te moeten zijn. Voor mij is een mobieltje een niet-eens-zo-noodzakelijk kwaad. De mijne staat zelden aan en altijd op de trilstand.
Als-ie afgaat, reageer ik als door een wesp gestoken, negeer ‘m, druk ‘m quasi per ongeluk uit of fluister zo onverstaanbaar dat de beller onverrichterzake afhaakt. Ben ik in de buurt van een ‘vast toestel’, dan doe ik ‘m meteen uit, tot wanhoop van degenen die uitsluitend 06-nummers bellen omdat ze mensen per se willen bereiken en storen. Nee, telefoneren vind ik al niet leuk, mobiel vind ik het een verschrikking en irritant bovendien. In de trein zat ik tegenover een meisje dat mobiel aan het opscheppen was over een liefdesnacht en ook eens naast een man die de resultaten van een darmonderzoek met zijn specialist besprak. Iemand zat laatst met stemverheffing mobiel ruzie te maken met een klant over een factuur en ik zei daar na afloop iets van, waarop hij dreigend zei: 'Meneer, volgens mij zit u me af te luisteren!' Ik vind het communicatie-technisch zorgwekkend dat in een menigte allerlei mensen tegelijk hardop boodschappen roepen naar mensen die fysiek afwezig zijn.
En al heeft de mobiele telefoon een revolutie gebracht door de oervraag van God aan Adam in Genesis 3: 'Waar ben je?' nieuw leven in te blazen als begin van elke moderne menselijke communicatie, toch mis ik de aloude vragen als ‘Ik bel toch wel gelegen?’ of ‘Is je moeder ook thuis?’
Mijn kinderen gieren het uit als ik hun het verhaal vertel dat ik toen ik op kamers woonde eens per week in een file voor de enige telefooncel in de buurt stond. Je had al wachtend genoeglijke gesprekken met de mensen in de rij en klopte op de ruit als het te lang duurde. Als ik aan de beurt was en de kwartjes had gestort, voerde ik een kort en zakelijk gesprek met mijn moeder, steevast afgesloten met: 'Ik moet nu ophangen, er staan zes mensen te wachten.' Het is me overkomen dat als ik de cel had verlaten een mij onbekend iemand in de rij vroeg: 'Alles goed thuis?' Communicatie dus. Weg met de slavernij van de mobiel, leve de vrijheid van de cel.

Onlangs las ik de laatst verschenen roman van de Amerikaanse schrijver Philip Roth Exit Geest (uitg. De Bezige Bij, 2007). Mij trof hoe ook hij daarin de gekte van het mobiel bellen aan de orde stelt. De hoofdpersoon, tevens de verteller in de roman, had zich jarenlang teruggetrokken in een veraf gelegen gehucht boven op een berg om helemaal alleen te zijn, zonder geluiden, zonder het rumoer van de wereld, zonder de verleidingen van het andere geslacht, zonder media en zonder terreurdreiging. Na elf jaren keert hij terug in New York en:
Wat verbaasde mij het meest die eerste paar dagen dat ik rondliep in de stad? Wat het meest in het oog liep: de mobiele telefoons. We hadden op mijn berg nog geen ontvangst, en in Athena, waar ze die wel hebben, had ik zelden mensen lopend op straat ongegeneerd in hun mobieltjes zien praten. Ik herinnerde me nog een New York waar de enige mensen die op Broadway schijnbaar tegen zichzelf liepen te praten de gestoorden waren. Wat was er in die tien jaar gebeurd waardoor er plotseling zoveel te zeggen viel – en zo dringend dat het niet later kon worden gezegd?
Overal waar ik liep kwam er iemand al pratend in een telefoon op me toe en liep er achter me iemand in een telefoon te praten. In de auto’s zaten de bestuurders te telefoneren. Toen ik een taxi nam, zat de taxichauffeur te bellen. Omdat ik zelf dikwijls dagenlang met niemand een woord wisselde, vroeg ik me af wat het was dat vroeger de mensen overeind had gehouden maar dat het nu begeven had zodat ze aan het onafgebroken praten in een telefoon de voorkeur gaven boven het onbewaakt rondlopen, even alleen met jezelf, de straten zintuiglijk in je opnemen en de talloze gedachten denkend die de bedrijvigheid van een stad in je wekt. Mij kwamen de straten nu komisch voor en de mensen lachwekkend.
En toch leek het ook op een echte tragedie. Het afschaffen van de ervaring van de afzondering heeft ongetwijfeld dramatische gevolgen. Waar zal dit toe leiden? Je weet dat je de ander altijd kunt bereiken, en als het niet kan, word je ongeduldig, ongeduldig en boos als een klein, dom godje. Ik begreep dat de stilte op de achtergrond in restaurants, liften en honkbalstadions al lang geleden was afgeschaft, maar dat de onmetelijke eenzaamheid van de mens dit grenzeloze verlangen zou voortbrengen om te worden gehoord – en het bijbehorende gebrek aan gêne om te worden afgeluisterd.
Ik, die hoofdzakelijk in het tijdperk van de telefooncel had geleefd, waarvan je de zware vouwdeuren stevig kon dichttrekken, ik was onder de indruk van de zichtbaarheid van dit alles en kreeg het idee voor een verhaal waarin Manhattan is veranderd in een sinistere gemeenschap waarin iedereen iedereen bespioneert, waarin ieders gangen worden nagegaan door de persoon aan het andere eind van zijn of haar mobiel, ook al denken de telefonisten, die elkaar vanaf elke plek in de wijde wereld onophoudelijk bellen, zelf dat ze de grootst mogelijke vrijheid ervaren.
Ik wist dat ik me, alleen al door zo’n scenario te bedenken, schaarde in de rijen van de zonderlingen die vanaf het begin van de industrialisatie van mening waren geweest dat de machine de vijand van het leven was. Maar ik kon er niets aan doen: ik zag niet hoe iemand kon geloven dat hij een menswaardig bestaan kon blijven leiden door de helft van zijn wakende leven te lopen praten in een telefoon. Nee, voor de bevordering van het gedachteleven van het grote publiek beloofden die mobieltjes weinig goeds.

Aldus de hoofdpersoon in de roman Exit Geest van Philip Roth. Het lijkt misschien overdreven en veel te zwaar aangezet. Toch worden ons in dit romanfragment gedachten aangereikt die overweging verdienen. Want wat Van der Meiden en Roth op een speelse manier aan de orde stellen is intussen wel onderdeel van een sterk veranderende samenleving. Dat is dan toch nog een ernstige opmerking aan het eind van het pogen een soort zomercolumn samen te stellen met behulp van citaten van welsprekende schrijvers.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 2008

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's

Zomercolumn

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 2008

De Waarheidsvriend | 20 Pagina's