BOEKBESPREKINGEN
Karel Deurloo en Nico ter Linden:
Het luistert nauw. De Nieuwe Bijbelvertaling nader bekeken.
Uitg. Van Gennep, Amsterdam; 282 blz.; € 17,90.
De Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) heeft al heel wat losgemaakt. Prof. Karel Deurloo en ds. Nico ter Linden hebben er intussen een waardevol boekwerk aan gewijd. Hun kritiek daarin op de NBV is vooral dat de vertalers niet trouw genoeg geweest zijn aan de – Hebreeuwse en Griekse – brontekst. En dat ze overdadig zouden hebben geparafraseerd. Door zich te veel te richten op het toegankelijk maken van de brontekst voor de lezers van nu, zouden ze geen recht hebben gedaan aan de prachtige literatuur waarin het God behaagde Zich destijds te openbaren. Met allerlei voorbeelden staven ze hun kritiek, die niet alleen exegetisch en literair is, maar ook theologisch. In Kolossenzen 1:23 moeten de Kolossenzen blijven geloven. Alsof er afval der heiligen zou zijn. Ook wijzen ze op Romeinen 1:17, een van de kernteksten van Luther. In de NBV is geloven daar een menselijke prestatie geworden. Hoewel de voorgestelde vertaling van Deurloo en Ter Linden voor velen weer niet begrijpelijk zal zijn, maar beter een wat moeilijkere vertaling dan een onjuiste!
De schrijvers wijzen terecht ook op het subjectieve van het geloven in de NBV. In Hebreeën 11 lezen we: Door zijn geloof kon Abraham ... en: Door haar geloof ontving ook Sara … Kenmerkend voor onze tijd! En waarom heeft de NBV in Lukas 2 de bekende en geliefde klanken, die toch niet verkeerd waren, gewijzigd? Waarom voederbak in plaats van kribbe? En waarom aan de woorden van het Ere zij God gesleuteld? En aan die van het Onze Vader? En van de Aäronitische zegen?
Bekend vanuit de kring van Deurloo is de liefde voor uitdrukkingen als En het geschiedde … Je moet inderdaad goede argumenten hebben om deze te vervangen. God schrijft immers geschiedenis. Zijn woord geschiedde tot mensen.
De auteurs vragen zich ook af waarom het Griekse broeders met broeders en zusters vertaald moest worden. Natuurlijk begrijpen ze dat wel, maar in historische documenten mogen we toch niet zomaar gaan rommelen? ‘De brieven van Paulus ademen de tijden waarin ze werden geschreven en wij dienen dat te respecteren’, zo luidt hun terechte verweer.
Verder zijn in de boeken Genesis en Jona theologisch geladen begrippen als afdalen en opgaan gewoon wegvertaald. Onbegrijpelijk! Het humoristisch vertaalde 'Wat zou er zoeter zijn dan honing en sterker dan de leeuwenkoning' doen de auteurs af met de opmerking dat het misschien net de ‘sinterklaasweek’ was toen de NBV met Richteren 14 in de weer was. ‘Wel aardig voor de kindernevendienst en later, als ze groot zijn, lezen ze wel wat er werkelijk staat.’ Naar aanleiding van 1 Samuel 25 wordt de NBV verweten de taal te hebben gekuist. Het pleidooi van de auteurs voor muurpissers kan ik overigens niet helemaal meemaken, hoewel het er wel staat. Verder wordt terecht de vinger gelegd bij vreemde vondsten, zoals huidvraat in plaats van melaatsheid, lampenstandaard in plaats van kandelaar en majoraan in plaats van hysop. Volgens Deurloo/Ter Linden wat kookboekachtig: ‘Men neme majoraan …’
Of ze echter gelijk hebben in hun opvatting over Prediker 7: 26-29, betwijfel ik. ‘k Zou nog lang kunnen doorgaan, het moge echter duidelijk zijn dat er op de NBV veel valt af te dingen. Ook al hebben we onze bedenkingen bij allerlei theologische opvattingen van prof. Deurloo en ds. Ter Linden, hun gedegen kritiek op de NBV hebben we ter harte te nemen! Misschien zouden ze ook een keer over de schouders kunnen meekijken van de ‘Herziene Statenvertalers’, maar dan graag vóór ook die helemaal af is.
H. Liefting, Delft
J.C. Borst:
Tussen hoed en hoofddoek.
Uitg. Groen, Heerenveen; 120 blz.; € 12,50.
Voor ons ligt een lesboek. De pabo van de CHE heeft vorig jaar het Christelijk Centrum voor Multicultureel Onderwijs (CCMO) opgericht. Vandaaruit is een uitgaveserie gestart:
Wereldgodsdiensten in de klas’ Het eerste deel daarvan gaat over de islam en is geschreven door dr. J.C. Borst. Het boek wil expliciet ‘niet polariseren, maar informeren en toerusten’. Om een goede leraar te zijn voor iemand uit een andere cultuur en met een andere godsdienst, heb je kennis nodig, interculturele communicatieve competentie zoals dat heet, respect en iets van ontferming. De auteur is hierin een voortreffelijke gids. Zijn ervaringen als docent op een middelbare school, gevangenispredikant en hoogleraar Praktische Theologie, klinken door in levenswerkelijke illustraties, die door het boek zijn heengeweven, bijvoorbeeld over Aïsja (p 128) en rond het sterven van Ben Ali in de gevangenis (p 156-159). Daar zie je hoe het inderdaad werkt dat ontvankelijkheid, een langdurige relatie en kennis uiteindelijk je de toegang kunnen verschaffen tot het innerlijk van een ander mens, en je zo een geloofwaardige getuige van Christus maken. Het is de houding die ook iedere zendeling die in een andere cultuur gewerkt heeft, zal herkennen en beamen.
Het boek kent twee hoofddoelen.
Ten eerste: informeren. Er wordt in vogelvlucht een schets van de Islam gegeven, haar geschiedenis, haar geloofsleer, de cultuur waarin ze ontstond en die met haar meekomt en haar ethiek. Die hoofdstukken zijn vrij basic.
Tweede hoofddoel is: toerusten. Er wordt geleerd hoe je als leraar vakbekwaam kunt communiceren met leerlingen uit andere culturen. Er wordt zowel een methode aangeleerd, met de naam LAST: luisteren, aansluiten, samenvatten en teruggeven. Maar er wordt ook heel praktisch een hoofdstuk geschreven over de communicatieve valkuilen die er zijn als je als leraar bijvoorbeeld een huisbezoek aflegt bij een Islamitisch gezin. In die zin is dit boek te gebruiken voor een ieder die buren of collega’s of een zwager heeft die moslim is en met wie je dieper contact wilt. In het midden van het boek zet de auteur islam en christendom naast elkaar. De auteur houdt steeds vast aan de essentialia van de orthodox christelijke traditie, maar ook aan zijn opdracht de ander te ontmoeten: ‘De islam is niet mijn godsdienst, Mohammed is niet mijn verlosser, maar de moslim is wel mijn naaste’ (p. 106).
Dit boek heeft me beziggehouden. Ten positieve. Het is goed een boek als dit te lezen, en zo je mee te laten nemen in de vraag naar wat je eigen attitude en inhoudelijke omgang is met islamitische leerlingen, buren of collega’s. Al lezende merkte ik de behoefte aan een explicieter extra hoofdstuk over wat het betekent om als leraar ‘getuige’ te zijn in je contact met moslims. Leraar-zijn is enerzijds een machtsverhouding, en dus moet er zorgvuldig omgegaan worden met de eigenheid van de leerling. Daar legt dit boek terecht de vinger bij. En tegelijkertijd heb ik op Java heel wat jonge christenen ontmoet met een islamitische achtergrond, die ooit – op school of in de buurt –, een ‘christelijke getuige’ tegen waren gekomen, die bij hen een snaar had geraakt. Daar zou ik graag meer over weten: Over welke snaar je op welke manier kunt raken in de contacten met vaak ontwortelde islamitische jongeren in Nederland. Zijn er gegevens bekend over jonge moslims in Nederland die tot Christus bekeerd zijn geworden? Wat heeft hen geraakt, welke toeleidende weg hebben zij gevolgd? Wat kunnen wij daarvan leren – ook in de prediking en de toerusting van de gemeente? In de doordenking van deze belangrijke terreinen, die we als kerk de komende jaren veel meer met elkaar te verkennen hebben, is dit boek een frisse en geloofwaardige bijdrage.
C.M.A. van Ekris, Breukelen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 september 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's