De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ondraaglijk lijden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ondraaglijk lijden

Pastoraat – gemeenschap der heiligen

8 minuten leestijd

Vroeger was men meer gewend aan lijden dan nu en zagen velen de dood in hun gezin dikwijls in het gezicht.

Nog geen dertig jaar oud is Guiljelmus Saldenus, een begaafd predikant, als hij in april 1657 te Enkhuizen samen met zijn geliefde vrouw bij het sterfbed van zijn pasgeboren zoontje staat. Drie maanden later staat hij aan het doodsbed van zijn vrouw. En nog geen zes jaar later moet hij afscheid nemen van zijn tweede vrouw, van wie hij evenveel gehouden heeft als van de eerste. De laatste vijand leek oppermachtig.

Stervensboekje
‘Weynigh tijdts voor mijn vertreck van Enckhuysen, drong de Doodt, buyten verwagting in myn huys en rukte myn kostelijkste pand, myn huysvrouw, de lust mijner ogen, daer uyt. Sindsdien’, zo schrijft Saldenus, in de voorrede van het boekje Leven Uyt de Doodt: of Allemans-Pligt om saligh te worden door zijn eygen, en heyliger te worden door eens anders Doodt, ‘ben ik begonnen met over de dood te preken en daar is dit boekje uit voortgekomen’. Dat boekje is een zogenaamd ‘stervensboekje’, zoals er in die tijd meerdere verschenen. Hij noemt het zelf: ‘een kort en eenvoudigh Hand-boexken om salig te worden.’
In de vorm van veertien lessen geeft de pastor onderwijs in euthanasie. Euthanasie is immers: goede dood. Daarmee wordt bedoeld het sterven in de Heere, waardoor de tijdelijke verdrukking overgaat in de eeuwige vreugde.
De vijfde les is in de huidige discussie rond levensbeëindiging bij ondraaglijk lijden, voor mijn gevoel, nog altijd zeer actueel. De les luidt: ‘Die wel wil sterven moet sigh de oppermaght Gods over zijn selven en over alle dingen des werelts wel indrucken’. Daarin betoogt Saldenus kort gezegd: Wij hebben het leven van Hem gekregen; alleen de Almachtige mag het weer nemen. Zijn soevereiniteit gaat over alles!

Jobs lijden
Als er iemand in de Bijbel, met uitzondering van de Heere Jezus, ondraaglijk geleden heeft, dan is dat Job wel. Zijn bezit, zijn geliefden en zelfs zijn gezondheid worden hem door satan afgenomen. Met een potscherf zich krabbend zit hij wanhopig op de mestvaalt, omringd door vrienden, die hem dwingen willen te belijden om welke zonde God hem zo hard geslagen heeft.
Goedbedoeld heeft vriend Elifaz Job in zijn lijden wat willen opbeuren en geprobeerd hem te troosten. Maar zijn woorden zijn zo hard en kil. Zij werken het tegendeel uit. Ze geven Job geen hoop, maar voeren hem tot wanhoop. En in die sombere klacht, waarmee hij Elifaz antwoord geeft roept hij het uit: ‘En dat het Gode beliefde dat Hij mij verbrijzelde; Zijn hand losliet en een einde met mij maakte’ (Job 6:9). Dat is in wezen een vraag om euthanasie. Hij wil dood! En dat spreekt hij nu openlijk uit. Job voelt zich zwaar tekort gedaan en hij had van een vriend oprechter medeleven verwacht. Hij zegt eigenlijk tegen Elifaz: ‘Jij voelt mijn verdriet niet werkelijk. Jij hebt makkelijk praten!’ Dat bedoelt Job met de woorden waarmee hij zijn antwoord inzet: ‘Och of mijn verdriet recht gewogen werd en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!’ (Job 6:2). Die weegschaal zou uitwijzen: dat lijden is eigenlijk niet te dragen. Wie zelf gezond is en in voorspoed leeft, kan zich haast niet verplaatsen in het leven van een ander, die door ziekte en tegenslag heen moet. Naast het ziekbed is het makkelijker praten dan erop.

Wanhopig
Maar heeft Job dan aan die woorden van zijn vrienden niets? Voeren die hem tot de wanhopige verzuchting: ’Ik wil sterven’? Ik heb in het prachtige oude boekje van ds. C. van Proosdij Mijn knecht Job deze mooie en rake opmerking gevonden: ‘Als een herdershond blaft en gromt, dan klinkt dat bepaald niet vriendelijk. Maar het kan toch helpen om een dwalend schaap weer naar de herder terug te dringen.' Zo is het nu ook met dat spreken van Jobs vrienden. Zij zijn niet fijngevoelig en soms zelfs snauwerig, maar hun woorden helpen er wel aan mee om Job in de liefdevolle armen van de Herder te doen belanden. Met een kromme stok, zo zei men vroeger wel eens, kan de Herder soms rake slagen doen.
Mogelijk denken wij: ‘Maar wat die Job zijn vrienden ten antwoord geeft, dat is toch niet fraai te noemen? Hij wil maar liever dood zijn.’ Hij verlangt letterlijk naar het einde. In het achtste vers van Job 6 noemt hij het zelfs ‘zijn begeerte’. Kortom, hij smeekt om uit het lijden verlost te worden.
Wie hierin hard over Job zou willen oordelen, moet zich eens afvragen wat hij of zij zelf doen zou, als men door zoveel moeiten en verdriet heen zou moeten als Job. Wie zelf geen pijn heeft, in het lichaam of de ziel, kan makkelijk zeggen: ‘Ik klaag nooit’. En Job gaat er, geestelijk gezien, in zijn klachten toch op vooruit. In het derde hoofdstuk lezen wij dat hij tegenover zijn - toen nog zwijgende - vrienden zover was gegaan dat hij de dag van zijn geboorte vervloekte. Toen wilde hij dat hij nooit geleefd had. Nu wil hij niet verder leven. Hij vraagt om euthanasie, om te mogen sterven. Een einde begeert hij aan zijn lijden en leven.

Als het U belieft
Aan wie vraagt Job om dat einde? Hij vraagt het niet aan de omstanders, zijn vrienden. Hij zegt het niet tegen zijn vrouw, die het voorstel deed: ‘Zegen God en sterf!’ Hij vraagt het, als hij die gehad zou hebben, ook niet aan de dokter: ‘Maak er alstublieft een eind aan.’ Wat zou satan gelachen hebben. Dan had hij gewonnen! Job vraagt het geen mens. Hij legt de beslissing over leven en dood. en dat is toch een duidelijke belijdenis, eerbiedig in Gods hand. Zijn klacht is een vorm van bidden: ‘Zo het U belieft.’
Job ontdekt in de tegenspraak met zijn vrienden, hoe zinloos het is om tegen jezelf te praten. Dat had hij gedaan, toen hij kreunde: ‘De dag verga, waarin ik geboren werd …’ Het gebed is altijd het begin van het vinden van de uitweg. Zoals een kind zich snikkend aan moeders rokken kan vastklemmen, zo vlucht en zucht Job hier tot zijn Vader in de hemel.
Waarom wil hij dan wel sterven? In het derde hoofdstuk noemde hij de dood enkel maar ‘het einde van alle ongelijkheid’. Toen had hij geen enkel oog voor een leven na de dood en zag hij de ernst van het sterven, als de ontmoeting met de Heilige, volkomen over het hoofd. Nu ligt dat al duidelijk anders. Niet dat hij op dit moment al volkomen uitzicht heeft op de heerlijkheid, die al Gods kinderen wacht. Maar hij spreekt nu wel over troost en dat de ‘redenen van de Heilige’ hem verwachting geven.
Als hij sterven moet – of misschien meer in Jobs lijn gesproken: mag – dan is het Woord Gods zijn hoop. Daarom pleegt hij dus geen zelfmoord en onderwerpt hij zich aan het believen van de Almachtige. Dat is de beste levens- en de beste stervenshouding: ‘als het U belieft!’ Gods soevereiniteit over het leven moet, zo wilde Saldenus in zijn stervenslessen leren, geëerbiedigd worden.

Uw wil geschiede
Het gebed van Job is op deze aarde één keer in volkomen overgave gebeden. Ik denk aan Jezus Christus in Gethsémané. Van het offer dat Hij brengen moest, heeft de profeet Jesaja, eeuwen voor Zijn komst, gesproken toen hij zei: ‘Het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien. Hij zal de dagen verlengen en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan’. (Jes. 53:10) Met die verbrijzeling en dat einde heeft de Heiland daar in die hof een bange worsteling gehad. Als het Zijn Vader beliefde Hem te verbrijzelen, dan zou hij Zich tegen Vaders heilige wil niet verzetten. Als de Vader met Hem een einde maakte, dan zou Hij dat bittere einde niet ontlopen.
Daarmee legde Christus Zijn leven onvoorwaardelijk in Vaders hand en Die zal dat weer leggen op het altaar der verzoening. Door Hem is er ook voor Job volkomen uitkomst. Het heeft Gode behaagd Zijn Zoon te verbrijzelen, maar die God heeft Zijn Zoon ook weer geheel in eer hersteld. Gods hand heeft Hem losgelaten, zodat Hij aan Zijn kruis het uitsnikte: ‘Waarom verlaat Gij Mij?’ Maar die hand greep Hem ook weer vast en haalde Hem uit de doden. Met Christus werd een eind gemaakt op Golgotha; maar in de Hof van Jozef van Arimathea maakt God met Hem een heerlijk nieuw begin. Niemand, die op die God vertrouwt, doet op Hem tevergeefs een beroep met een ootmoedig ‘Als het U belieft’. Zeker niet als wij er nog eerbiedig bij zeggen: ‘Om Jezus’ wil … amen.’

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

Ondraaglijk lijden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 september 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's