Verwonderd over Gods trouw
Vraaggesprek met ds. N. Kleermaker (1919-2008)
In het vorige nummer van De Waarheidsvriend herdacht een In memoriam hem. Bijgaand interview met ds. N. Kleermaker is kort voor de zomer afgenomen. In het vraaggesprek dat we na overleg met zijn familie postuum publiceren, kijkt hij terug op zijn ambtelijke loopbaan en op de ontwikkeling die de hervormde wijkgemeente De Samaritaan in Rotterdam-Centrum heeft doorgemaakt.
Al in zijn tienerjaren gevoelde Nuy Kleermaker de roeping om predikant te worden.
‘Toen ik twaalf jaar was, kwam in mijn geboorteplaats Hierden ds. Van Dop te staan. Ik ben in de daaropvolgende jaren met hem bevriend geraakt. Menselijkerwijs gesproken is hij er de oorzaak van dat ik predikant ben geworden. Daarnaast dank ik het aan mijn ouders, want zij hebben mijn theologiestudie bekostigd. Van september 1940 tot 1943 heb ik in Utrecht gestudeerd. Als gevolg van de weigering de Jodenverklaring te onderschrijven, werd de universiteit toen gesloten. In juni 1944 nam ik het beroep naar Veen aan. Maar wegens de luchtlandingen bij Arnhem en Nijmegen werd het Land van Heusden en Altena hermetisch afgesloten. Daarom heb ik pas na de bevrijding, in augustus 1945, intrede gedaan.'
Van Veen tot Rotterdam
‘In Veen was ik de opvolger van dr. Tjalma, een Kohlbruggiaan. Hij was maar liefst 53 jaar lang aan die hervormde gemeente verbonden. De tegenstelling tussen deze statige Fries en mijn persoon kon haast niet groter zijn. Ik ging op m’n fiets de gemeente rond en schrok er niet van terug om de dijk af te rijden. Dat ging met een stevig gangetje, waardoor de dorpsbewoners mij ‘het vliegend evangelie’ noemden. In Veen heb ik een en al hartelijkheid ervaren. Als ik ergens achteraf spijt van heb, is dat ik er maar twee jaar heb gestaan.’
Vervolgens stond ds. Kleermaker in Genemuiden (1947-1951) en daarna in Leiden (1951-1956). Hij preekte in de Pieterskerk en de Hooglandse kerk.
‘Een plezierige tijd. Er was echt vraag naar het Evangelie. De gereformeerde, bijbelse prediking werd gewaardeerd. Dat kon ik merken.’
Na de sleutelstad kwam ds. Kleermaker in 1956 in het Veluwse dorp Nunspeet. Niet ver gelegen van zijn geboortedorp Hierden.
‘Wat mij hier opviel, waren de ‘heilige huisjes’. Samen met mijn collega ds. Van Niel stelde ik voor dat de gemeente de slotzang staande zou gaan zingen. Daar stemde de kerkenraad mee in. Maar ik zie nog steeds de vier vrouwen voor me die al de vier jaren dat ik in Nunspeet stond tijdens de slotzang stug bleven zitten.’
In 1960 kwam het beroep van Rotterdam.
Ds. Kleermaker: ‘Toen ik dat beroep ontving, besefte ik van stonde af aan dat ik het moest aannemen, ook al was ik daarvoor nog nooit in Rotterdam geweest. Deze stadsgemeente trok aan me als een magneet, om het zo te zeggen.’
Dorp versus stad
Opmerkelijk is dat ds. Kleermaker drie dorpsgemeenten en twee stadsgemeenten heeft gediend.
Ds. Kleermaker: ‘Ik heb in het algemeen stadsmensen ervaren als openhartiger. In een dorp zijn mensen wat meer gesloten van aard. Ze laten zich geestelijk ook niet zo gauw ‘bekijken’ door een predikant. Daar staat tegenover dat veel persoonlijke contacten in de stad wat vluchtiger zijn, mogelijk zelfs oppervlakkiger. Ook letten de mensen veel minder op elkaar. Dat heeft zo z’n voordelen. Maar de sociale controle in een dorp heeft beslist z’n positieve kanten. Als iemand niet in de kerk is geweest, wordt daar meteen naar geïnformeerd.’
De gedachte dat een gereformeerde-bondspredikant het in de stad veel moeilijker heeft dan op het platteland, is volgens ds. Kleermaker een halve waarheid:
‘In Rotterdam heb ik de samenwerking tussen de predikanten als zeer goed ervaren. Toen ik in 1960 kwam, waren er twaalf midden-orthodoxe, twee confessionele, twee bonders en één vrijzinnige predikant.’
Volgens hem is in de stadse situatie de persoonlijke opstelling van groot belang:
‘Je moet niet in een hoekje zurig gaan zitten klagen en kritiek op anderen leveren. Dat is onvruchtbaar. Ik stond heel bewust midden in het geheel van de hervormde gemeente. In Rotterdam moest je geven en nemen. Dat was het motto. Problemen en wrijvingen waren er wel, maar men was gewend dat in der minne te schikken.’
Hechte verbondenheid
Welke eigenschappen typeren een stadspredikant?
Na enig denken noemt ds. Kleermaker dat het belangrijk is om persoonlijk contact te hebben met alle gemeenteleden. Zijn voorganger, ds. W.L. Tukker, was bijvoorbeeld gewend om samen met een ouderling op huisbezoek te gaan. ‘Maar de Rotterdammers stelden dat bepaald niet op prijs. De dominee moest maar apart komen, zonder ouderling erbij.’
In veel stadsgemeenten dienen predikanten tot aan hun emeritaat. Is trouw aan de (wijk)gemeente ook een kenmerk volgens u?
‘Ds. Korevaar en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we tot levenslang waren veroordeeld. We hadden gewoon de moed niet om een vacature te laten ontstaan door uit de stad te vertrekken. We wisten dat dit het einde van de predikantsplaats zou betekenen. Maar dat was niet het enige, want dan stel ik het allemaal erg negatief voor. In de 25 jaar dat ik De Samaritaan heb gediend, is er een hechte verbondenheid ontstaan tussen gemeente en voorganger. Ik ken gemeenteleden die trouw zijn gebleven tot het einde toe.’
De ‘grote trek’ uit de stad
Over de situatie bij zijn komst naar Rotterdam vertelt ds. Kleermaker dat in de jaren zestig de kerken in de stad ‘barstens vol’ zaten. Vanaf het begin van de jaren zeventig is het vertrek van kerkmensen begonnen. In de jaren tachtig bereikte de terugloop haar hoogteof: dieptepunt.
‘Met name gezinnen trokken weg. Ook talloze belijdeniscatechisanten van mij zijn verhuisd naar Krimpen, Capelle, Barendrecht en Ridderkerk. Als ik in die randgemeenten een preekbeurt vervulde, kwam ik hen tegen. Regelmatig als ouderling of diaken. Tientallen van mijn beste medewerkers in de stadsgemeente heb ik vaarwel moeten zeggen. Naast de verhuizingen was er de ontkerkelijking. De leegloop van de stadskerken heb ik in een tijdsbestek van ruim twintig jaar voor mijn ogen zien gebeuren. Heel tragisch. En je kon er als predikant niets tegen ondernemen.’ Deze ontwikkeling ging aan wijkgemeente De Samaritaan niet voorbij. In 25 jaar tijd liep het aantal kerkgangers terug van 1200 in 1960 naar zo’n 400 kerkgangers in 1985. ‘Toen ik in Rotterdam begon, was er elke maand een doopdienst. In 1970 werd dat om de twee maanden en vanaf 1980 ‘op aanvraag’.’
Koninginnekerk
Een bijzonder treurige gebeurtenis was de sloop van de Koninginnekerk in 1972. Op oudejaarsdag 1971 ging ds. Kleermaker voor in de laatste dienst in dit markante kerkgebouw. ‘Ik heb toen gepreekt over Jeremia 31:40b: ‘Er zal niets weer uitgerukt, noch afgebroken worden in eeuwigheid.’ De kerk zat afgeladen vol. Veel mensen waren emotioneel. Tijdens de preek heb ik heel direct tegen de kerkgangers gezegd: ‘Jullie zitten nu wel te huilen, maar als je nou in de afgelopen jaren elke zondag naar deze kerk was gekomen, zou die nu niet gesloopt worden.’ Het was hartverscheurend om na de dienst de doopvont, het avondmaalstel en de kanselbijbel de kerk uit te dragen. Ik zie het als de meest ingrijpende gebeurtenis uit mijn ambtelijke loopbaan.’
God laat niet los
Na het emeritaat van ds. Kleermaker in 1985 ging de terugloop van De Samaritaan ‘gewoon’ door, waarbij de sloop van de wijkkerk Het Trefpunt in 1989 dit proces versnelde. In 1995 werd het dieptepunt bereikt: toen waren er rond de zestig kerkgangers in de erediensten. Vooral door toeloop van studenten, die na hun studie in Rotterdam bleven wonen, klom De Samaritaan weer uit het dal. Momenteel ligt het aantal kerkgangers rond de honderd. Deze heropleving ervaren velen als een wonder van God.
Ds. Kleermaker beaamt dat: ‘Ik heb na alle teruggang ook mogen zien dat de Heere niet laat varen het werk dat Hij begonnen is. De huidige situatie zie ik als hoopvol, dankzij Gods trouw! De gemeente heeft weer een eigen kerkgebouw: de Opstandingskerk aan het Lisplein. Missionair werk krijgt gestalte in de oude wijk Rubroek en in het Liskwartier, de nieuwe wijk. Vergelijk dit met de fragiele situatie van ruim tien jaar terug, dan zeg ik: zoiets is niet menselijk te verklaren. Dat is gebedsverhoring. Daar ben ik van overtuigd.’
Toekomstperspectief
Ds. Kleermaker vindt het van groot belang dat de kern waarin de kracht van de gereformeerde-bondsprediking schuilt, wordt gekoesterd. ‘De prediking dient de ziel van de mens, zijn binnenste te raken. De persoonlijke toepassing en het appèl dat God doet op het hart van de mens, die zijn heel wezenlijk voor de verkondiging. Hoe kan een mens anders ervaren dat het Woord dat wordt gepredikt, waar en betrouwbaar is?’
De gezondheid van ds. Kleermaker gaat dit voorjaar sterk achteruit. Daarover zegt hij: “Nu mijn leven hier op aarde naar het einde neigt, ben ik niet somber gestemd. Ik leef in goed vertrouwen. Vaak denk ik aan de laatste twee regels van Psalm 84: ‘Welzalig hij die op U bouwt en zich geheel aan U vertrouwt’. Beter kan ik het niet zeggen.’
Jan A. Schippers was van 1996-2006 ouderling van wijkgemeente De Samaritaan in Rotterdam. De volledige versie van dit interview kunt u nalezen op de website www.samaritaan.org.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's