Calvinist en cultuurmens
Jacobus Revius niet meer bekend als theoloog
Protestanten doen niet aan heiligenverering. De dichter Gerrit Achterberg schreef terecht in zijn gedicht November: De protestantse dagen van november, / dragen geen heiligen op de kalender.
Geen heiligenverering dus. Ook persoonsverheerlijking kunnen we beter vermijden. Wel mogen we personen uit het verleden herdenken die grote verdiensten hebben gehad voor kerk, staat of samenleving, in het voetspoor van de Hebreeënbrief: ‘Gedenkt uw voorgangers, die u het Woord Gods hebben gesproken.’
De zeventiende-eeuwse predikantdichter Jacobus Revius (1586-1658) is ongetwijfeld zo’n ‘voorganger’. Een markante persoonlijkheid, die 450 jaar geleden – in de maand november van het jaar 1658 – overleed.
Onbekend
Je kunt moeilijk volhouden dat Revius anno 2008 grote bekendheid geniet. Hoewel hij zichzelf altijd primair als predikant en wetenschappelijk geschoold theoloog heeft beschouwd, is hij als theoloog toch wel helemaal verdwenen in de mist van het verleden. Voor zijn dichterschap, dat voor hem op de tweede plaats kwam, ligt dat iets anders. In de handboeken van de Nederlandse letterkunde heeft hij met zijn poezie – de Over-ysselsche sangen en dichten – een min of meer vaste plaats gekregen. Ook werden twee dissertaties aan hem gewijd door E.H.W. Posthumus Meyes (1895) en W.A.P. Smit (1928). En in het Liedboek voor de Kerken uit 1973 werden van hem – terecht! – zelfs zeven liederen opgenomen. Maar dat wil nog niet zeggen dat hij als dichter echt bekend is. Ik vrees dat onder ons orthodox-christelijke volksdeel zijn bekendheid nauwelijks verder reikt dan dat ene befaamde gedicht Hij droeg onze smerten met de beginregel: ’t En zijn de Joden niet, Heer Jesu, die U kruisten.
Strijd
Het leven van Jacobus Revius is in belangrijke mate getekend door strijd. Allereerst in heel letterlijke zin: de Tachtigjarige Oorlog, met zijn vele verwikkelingen en ellende: belegeringen, strooptochten van de Spanjaarden, verraad, levensgevaar, vluchten voor de vijand, wisseling van de strijdkansen. Ook strijd in figuurlijke zin: polemiek, pennenstrijd, onder meer gericht tegen de remonstranten en de denkbeelden van de filosoof Descartes.
Revius – verlatinisering van Reefsen – werd geboren in november 1586 te Deventer in een burgemeestersgezin. Deventer lag in de frontlinie van de strijd tussen de Spaanse troepen en die van Prins Maurits. Hij was nog maar enige maanden oud toen de stad – in januari 1587 – door verraad van commandant Stanley weer in Spaanse handen kwam. Het gezin, overtuigd gereformeerd en vurig Oranjegezind, vond domicilie in Amsterdam en keerde niet meer naar Deventer terug. De strijd tegen de Spanjaarden vinden we in vele (vaak felle) gedichten van Revius terug, in een toonzetting die herinnert aan wraakpsalmen als Psalm 137:
Ook zal men u, o Rome, nog verbranden,
Gelukkig ook men roemen zal de handen
Die wreken ’t kwaad dat gij ons hebt gedaan.
Onvindbaar
In Amsterdam groeit bij de jonge Revius de diepe wens om theologie te gaan studeren. Na een grondige klassieke opleiding aan de Latijnse School, begint hij de theologische studie in Leiden en zet die voort in Franeker. Zijn geboortestad Deventer geeft hem een toelage, op voorwaarde dat hij zich na zijn studie beschikbaar zal stellen voor deze stad. Ter afronding van zijn vorming maakt hij van 1610 tot 1612 nog een grand tour door Frankrijk, een soort educatieve studiereis.
Terug in ons land wordt hij eerst korte tijd predikant in Zeddam, Aalten en Winterswijk, en vanaf 1614 in zijn vaderstad Deventer. Een jaar later treedt hij daar ook in het huwelijk. Hij zal er meer dan een kwarteeuw blijven en er velerlei activiteiten ontwikkelen. In de winter van 1641 vertrekt hij naar zijn laatste woonplaats: Leiden. Daar is hij aan de universiteit benoemd tot regent, wat hij net als zijn predikantschap ziet als een goddelijke roeping. De functie houdt in dat hij studenten begeleidt in hun studie en hen vaardig maakt in het disputeren, hen traint in het argumenteren en verdedigen van een bepaalde stelling.
Daar overlijdt hij op 15 november 1658. Hij wordt begraven in de Pieterskerk. Zijn graf is onvindbaar, zelfs in de archieven. Het lijkt typerend voor zijn verdwijning in de vergetelheid, ware het niet dat hij behalve theoloog ook dichter is geweest.
Breed
Wat bij Revius vooral opvalt is de breedheid in zijn wetenschappelijke vorming en het brede scala van activiteiten. Aan de titel van het recente, goed leesbare boek Revius van Enny de Bruijn en Henk Florijn voegden de auteurs dan ook terecht toe: Dichter, denker, dominee.
En met deze drie trefwoorden is nog lang niet alles gezegd. De basis van die breedheid wordt gelegd in zijn jeugd en studietijd. Amsterdam, waar hij opgroeide, was een stad met vele mogelijkheden daartoe: een stad met een boeiende historie, een stadsbibliotheek, een actief cultureel leven. De beroemde Sweelinck was organist van de Oude Kerk en dat is voor zijn muzikale ontwikkeling van groot belang geweest. Op de Latijnse school, vergelijkbaar met ons gymnasium, wordt hij geschoold in Frans, Grieks en Latijn. Daar leert hij de klassieken kennen. Aan de universiteit wordt zijn talenkennis uitgebreid met het Hebreeuws. Ook zijn al genoemde Franse studiereis is belangrijk voor zijn vorming: verblijf aan diverse universiteiten, veel lezen, kennismaking met de Franse poëzie.
In Deventer is hij in de eerste plaats predikant. Zijn ambtsbezigheden gaan voor andere activiteiten. Hij preekt net als zijn collega’s in de Grote of Lebuïnuskerk, de Bergkerk en de Broerenkerk. Als ook daar de theologische strijd tussen arminianen en gomaristen, tussen remonstranten en contra-remonstranten opvlamt en zich ook in de kerkenraad openbaart, kiest hij uit overtuiging de zijde van de contra-remonstranten.
Hij publiceert daarnaast allerlei wetenschappelijke werken op het gebied van theologie, filosofie en historie, onder meer zijn omvangrijke werk Daventria illustrata, de
geschiedenis van Deventer, geschreven in het Latijn.
In het culturele leven van Deventer neemt hij weldra een belangrijke plaats in. Hij ontplooit een veelheid van activiteiten op cultureel terrein. Hij is muzikaal en maakt deel uit van een muziekcollege waar de deelnemers gezamenlijk spelen en zingen. Veel werk verzet hij voor het stichten van een ‘illustere school’, het Deventer Athenaeum – een onderwijsinstituut met hoogleraren, maar zonder promotierecht – een naam die we nog terugvinden in de huidige Stads- of Athenaeumbibliotheek. Van die bibliotheek is hij vanaf 1617 bibliothecaris.
Cultuurvisie
Revius: een overtuigd calvinist en een breed cultuurmens. Dat maakt deze predikant-dichter zo boeiend. Hij trekt zich niet terug uit de cultuur van zijn tijd. De klassieken en de eigentijdse Franse poëzie kent hij en verwerkt hij. Maar hij hanteert wel grenzen.
Hij heeft zijn cultuurvisie eens compact verwoord in het gedicht Heidens houwelijk, dat gebaseerd is op Deuteronomium 21:10-13, waarin beschreven wordt onder welke voorwaarden een Joodse man met een heidense vrouw mag trouwen. Dit gegeven past hij toe op de dichtkunst. Zoals de heidense vrouw ‘gesnoeid’ moet worden in kleding en haardracht, zo moet ook de heidense, klassieke dichtkunst ‘gesnoeid’ worden op het punt van afgoderij, erotiek en cynisme.
Revius formuleert het in zijn gedicht als volgt:
O dichters, wilt gij u vermaken in de minne
Van de Romeinse of de Griekse Piërinne (= muze),
Snoeit af al wat ze heeft van weidse dartelheid,
Van domme afgodij, en spitse schamperheid.
Dit staat dichtbij de formulering van Huizense pastor dr. C.G. Geluk in zijn dissertatie Geest en cultuur (2003): ‘creatieve participatie met kritische distantie’.
Strijdlustig
Revius was niet in alle opzichten sympathiek. Hij was driftig en opvliegend, volgens tijdgenoten.
In zijn strijdlustigheid overschreed hij soms bepaalde grenzen. Ook daarom geen persoonsverheerlijking. Dat wij hem hier herdenken heeft te maken met zijn verdiensten en bekwaamheden. Ze mogen met ere genoemd worden.
Vooral mogen we niet vergeten dat de strijdlustige Revius heel klein en stil kon worden als hij nadacht over de verzoening door Jezus Christus. Voor de zondige mens, verloren in zichzelf, is er redding alleen van God uit. God Die zo diep neerdaalde. Hij zag het als een niet te bevatten wonder en was diep doordrongen van het sola gratia.
Zo kon hij, met allen die in Christus zijn, de dood een ‘zoete slaap’ noemen en uitzien naar de opstanding uit de doden:
Als ik ontwaak door Christi laatste stem
Aanschouwende het nieuw Jeruzalem,
Hetwelk Hij geeft Die in Zijn vreze leeft,
Dan en zult gij mij Van mijns Heeren zij,
Die mij in Zijn rijk zal leiden,
O slaap, o zoete slaap, niet scheiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's