Blijven hangen bij de mens
Proefschrift over Arminius [2, slot]
Met het proefschrift 'Duplex Amor Dei' (Latijn voor: Tweevoudige liefde van God) behaalde William A. den Boer afgelopen zomer in Apeldoorn de doctorsgraad. Hij legt er allerlei nuances bij de zestiendeeeuwse theoloog Arminius in bloot.
Hoewel de tweevoudige liefde van God – een soort overkoepeling waar predestinatie, verbond en evangelie onder vallen – volgens dr. Den Boer voor Arminius een kernnotie was, blijkt deze na diens dood bij de verdere gesprekken tussen remonstranten en contra-remonstranten eigenlijk geen rol meer te spelen. Het begrip gerechtigheid, de tweede kernnotie die Den Boer ziet, krijgt dan ook een zeer ondergeschikte plaats. Er komt nu veel meer accent op de kwestie van de vrije wil, geplaatst in het kader van de predestinatie. Van die vrije wil is Arminius nooit losgekomen, terwijl dat bij de gereformeerde theologen werkte als een rode lap op een stier.
Tijdens zijn leven is Arminius zich ondertussen blijven inzetten om te bewijzen dat zijn theologische visie niet ten koste ging van de rechte leer. Hij voerde daarvoor de gedachte van de zogenaam de middenkennis op: God, Die alles van tevoren weet, was ook op de hoogte van het vrije willen van mensen om een daad te verrichten. Via deze middenkennis kon Hij met dat willen rekenen en erop inspelen, zodat een mens via aanrading eventueel tot een andere vrije daad kwam.
Een citaat van Den Boer maakt nog duidelijker wat middenkennis is: ‘God weet van eeuwigheid dat een mens geassisteerd door een bepaald soort genade Christus zal aanvaarden of verwerpen. God kan besluiten toe te staan dat men Christus verwerpt, of met een mens samen te werken zodat hij Christus in geloof zal ontvangen.’
Tweede gebod
Vanuit Gods rechtvaardigheid gedacht, kan God dus bepalen dat het een mens als tweede oorzaak van een daad – waar God van weet via de middenkennis – vrij staat al dan niet te handelen of anders te handelen. Hierin wijst Arminius dus af dat God alles zo bepaalt dat een mens geen mogelijkheid meer heeft iets anders te doen. In het laatste geval zou God immers de auteur van de zonde kunnen worden, wat totaal in strijd is met Gods gerechtigheid.
Nog afgezien van de vraag of een dergelijk ingewikkeld redeneren vruchtbaar is voor het verstaan van bijbelse zaken, moet in ieder geval worden gezegd dat het fout is om te stellen ‘dat God kan besluiten (…) met een mens samen te werken zodat hij Christus in geloof zal ontvangen’. Dit geldt te meer daar Arminius hier een samenwerking met de mens bedoelt nog voor dat deze is wedergeboren.
Het is onontkoombaar dat er zo twee dingen mis gaan.
Ten eerste wordt God zo ten diepste afhankelijk van de mens.
Ten tweede wordt de mens een vermogen toegekend om ook zelf iets in te brengen tot het zalig worden. Ondanks alle beweringen van het tegendeel door Arminius, is hij hiermee het genadekarakter van de genade kwijtgeraakt.
Het middenkennisconcept deugt dus niet, het riekt naar semi-pelagiaans denken (Luis de Molina). Bovendien is het een poging om God in te kaderen in een menselijk denkschema, waar door er een beeld van God ontstaat dat alle risico in zich heeft dat er gezondigd wordt tegen het tweede gebod dat beeldendienst verbiedt.
Alles uitpluizen
In dit verband doet het weldadig aan dat Calvijn in diepe eerbied blijft staan voor het ondoorgrondelijke van Gods gerechtigheid, die wij nooit geheel kunnen kennen. Hierbij is schrijnend dat Arminius juist in dit opzicht Calvijn en de zijnen het verwijt maakt dat ze hun stelling dat God geen auteur van de zonde is, willen toedekken met onwetendheid. Arminius wil dus verder gaan en alles uitpluizen via het concept van zijn middenkennis.
Uiteraard is het prima dat ook Arminius het auteurschap van de zonde door God krachtig afwijst. Toch heeft hij naar me dunkt via de middenkennis het paard van Troje dat ‘vrije wil’ heet, niet alleen binnengehaald maar ook willen wettigen. Daarbij is het de vraag of Arminius mogelijk een blinde vlek heeft gehad voor de gevaren die hier dreigen. Te meer daar hij ongetwijfeld op de hoog te moet zijn geweest van de geschriften van Luther en Erasmus op dit punt. Met zijn ‘knechtelijke wil’ is Luther hier bepaald niet onduidelijk geweest.
Onvoldoende gepeild
Wil men na de zondeval nog van vrije wil spreken, dan is dat een vrije wil ten kwade. We zijn immers vrijwillig van God afgevallen en de zonde toegevallen? Onze wil is niet vrij meer tot het doen van enig zaligmakend goed.
Het is niet eenvoudig om in dit opzicht Arminius werkelijk recht te doen. Te meer niet omdat hij de vrije wil dicht in de buurt van Gods gerechtigheid houdt en tegelijk geen afbreuk zegt te willen doen aan Gods genade.
Intussen kunnen we er niet omheen te stellen dat Arminius onvoldoende de zwaarte van de zonde heeft gepeild. Dat blijkt uit het feit dat hij bij voorbeeld de erfzonde niet als oorzaak ziet van onze doemwaardigheid. Het blijkt ook uit alles wat hij beweert rond de vrije wil. Arminius stelt niet dat de mens dood is in zonde en misdaden en daarom totale herschepping nodig heeft waarin hij van geestelijk dood levend gaat worden en zijn door de zonde verdorven wil geheel nieuw wordt. Hij spreekt in andere termen, namelijk dat God door Zijn genade de potentie van onze vrije wil moet ondersteunen en activeren. Zeker, Arminius heeft de totale genade beleden. Toch is hij daarmee, naar mijn gevoel, ten diepste in strijd met het wezen van zijn eigen denken.
Allergisch
Dat gereformeerde theologen als Gomarus en anderen hierin allergisch waren ten opzichte van het denken van Arminius laat zich verstaan. Immers, als onze totale verdorven heid door de zonde niet helder geleerd wordt, dan is genade geen genade meer. Het gaat hier immers om zaken die als hol en bol twee kanten van dezelfde zaak zijn. De godsleer en de mensleer hangen samen. Wie faalt in het ene, faalt ook in het andere. En dat is een kwestie van leven of dood. Genade is totaal genade of het is geen genade (meer). Als dr. C.A. van der Sluijs – en daar ga ik vanuit – dit heeft bedoeld in zijn artikelen in het Reformatorisch Dagblad (RD) van 23 juni en 4 juli, dan val ik hem daarin geheel bij. Dr. W.J. van Asselt, die dit ontkent in het RD van 2 juli, heeft dan wat uit te leggen, te meer omdat hij in het RD van 28 juni zelf stelt dat in de godsleer de beslissingen vallen. Of bedoelt Van Asselt te zeggen dat het stellen van ‘een leven of doodkwestie’ wetenschappelijk wat kort door de bocht is omdat het allerlei nuances negeert? Daar is wat voor te zeggen. Dr. Den Boer heeft daar in zijn proefschrift iets van laten zien door recht te doen aan rechtzinnige opmerkingen van Arminius.
Intussen kunnen wetenschappelijke nuances nooit de bedoeling hebben om af te dingen op de waarheidsvraag. Immers, in zijn toespitsing kan de kwestie tussen Arminius en de gereformeerde theologie toch niet anders geduid worden dan als een zaak van leven of dood. De gereformeerde theologen die hier bedoeld worden – in Dordt van 1618-’19 zelfs een internationaal gezelschap – waren bepaald niet op hun achterhoofd gevallen toen ze de status confessionis-kwestie stelden. In de status confessionis gaat het om zaken die zo fundamenteel voor het belijden zijn, dat de kerk ermee staat of valt. Hoe zeer het ook nodig is om naast nuances onderscheid te maken tussen wat Arminius leerde en wat latere remonstranten aan de orde stelden, er is toch een doorgaande lijn te trekken van Arminius naar de remonstranten. Ja, Arminius is zelfs te zien als initiator en aanjager van de genoemde kwestie. Daarom liggen arminiaans denken en remonstrants denken zeer dichtbij elkaar.
Heilige Geest
Had Arminius niet reeds vanuit het belijden van onze drie-enige God veel en veel kritischer moeten zijn over zijn eigen denkconcepties? Immers, de strijd die de Vroege Kerk gevoerd heeft om het God-zijn van Christus en de Heilige Geest glashelder te krijgen, had vooral als achtergrond de overtuiging dat verlossing van zonde en dood enkel door God alleen kan gebeuren. Elke vorm van zelfverlossing is uitgesloten.
Het is heidens om te geloven in enige vorm van zelfverlossing. Het is christelijk om te belijden dat alleen God verlossing kan geven. Dat hangt weer samen met onze verlorenheid door de zonde, die zo erg is dat God er drie keer aan te pas moet komen: als God de Vader in Zijn verkiezende liefde, als God de Zoon in Zijn verlossende arbeid, als God de Heilige Geest in Zijn herscheppend werk.
Theologisch gezien kunnen we zeggen dat Arminius mogelijk nog wel het meest gefaald heeft in zijn leer over de Heilige Geest. Blijkbaar heeft hij die Geest niet geheel in staat geacht zo herscheppend mensen te veranderen dat hun verantwoordelijkheid geheel recht overeind bleef, terwijl er geen risico overbleef van wanhoop of zorgeloosheid.
Vanuit het werk van de Geest gezien valt er ander licht op een onvoorwaardelijke verkiezing en is sleutelen aan onze door de zonde gebonden wil niet nodig. Het is toch de Heilige Geest die ons zozeer overtuigt van zonde, dat we alle hoop op enige zelfverlossing gaan verliezen. We gaan verlossing alleen zoeken in de gerechtigheid die Christus heeft aangebracht door het oordeel dat wij verdienen plaatsvervangend op Zich te nemen. Ten diepste is Arminius in zijn theologiseren blijven hangen in mens-centrisch denken. Gereformeerd is om vanuit God-centrisch denken de mens zijn rechtmatige plaats te geven.
Tot slot, we zijn de jonge doctor zeer erkentelijk voor allerlei nuances die hij bij Arminius heeft blootgelegd. Dat kan de waarheidsvraag alleen maar ten goede komen. Blijft staan dat het winst geweest zou zijn wanneer Den Boer lijnen had doorgetrokken naar de status confessionis-kwestie rond de Synode van Dordt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's