‘Maak je mooi, lieve ziel’
Bach en het kerkelijk jaar
De gelijkenis van het koninklijke bruiloftsmaal uit Mattheüs 22 lijkt niet al te geschikt als gedeelte voor de voorbereiding en viering van het Heilig Avondmaal. De gelijkenis ontneemt je zowel de rust van het niet op de nodiging ingaan, als van het er vrijmoedig gehoor aan geven. Immers, de stad van hen die de nodiging in de wind sloegen, wordt in brand gestoken. En de man die aan de tafel plaatsnam maar geen bruiloftskleed droeg, wordt geworpen in de buitenste duisternis, waar geween en knersing der tanden is.
Waar doe je goed aan? Het antwoord is eenvoudig. Aangaan, gehuld in en getooid met een bruiloftskleed. Dus: 'Schmücke dich, o liebe Seele.' ‘Maak je mooi, lieve ziel.’ Naar aanleiding van het gelijknamige lied van Johan Franck componeerde Bach Cantate 180, voor de twintigste zondag na Trinitatis. Wie de uit zeven delen bestaande tekst schreef is niet bekend. Waar in Cantate 162, geschreven naar aanleiding van dezelfde parabel, dreigende tonen klinken en voornamelijk aarzeling stem krijgt, heerst in Cantate 180 vooral intense vreugde.
Twaalf achtste
In het eerste deel roept de gelovige zichzelf op zich sierlijk te kleden, het donker te verlaten en aan het licht te treden. Zulks mag en kan, want de Heere, vol heil en genade, laat je aan Zijn tafel nodigen. Hij Die de hemel bestuurt, wil woning in jou maken. Het orkest zet vreugdevol in, met een wiegende, dansende melodie. De sopranen zingen de melodie. De andere stemmen omgeven haar op fugatische wijze en versieren het geheel. Ze tooien als het ware de bruid.
Dit alles in een twaalf achtste maat. Bach noemde deze een pastorale maatsoort, verwijzend naar de Goede Herder. De twaalf achtste maat is evenwel vooral een verwijzing naar de unio mystica, de mystieke eenwording van de ziel, de bruid, met Christus, de Bruidegom. In de Matthäus Passion komt ze voor in de aria’s Erbarme Dich en Mache dich mein Herze rein en in het openingskoor Kommt, ihr Töchter.
Tussen beide openingskoren is verwantschap. Het gaat in beide om bruidegom en bruid. In de Matthäus Passion is er de processie met zwaarmoedige schreden, in mineur getoonzet. De bruidegom geeft zijn leven voor de bruid. In Cantate 180 is de toonsoort majeur, het gaat om immers om de vreugde. Wanneer het nodigen in de Naam des Heeren bezongen wordt, hoor je in de tenorstem de gezanten uitgaan naar de heggen en steggen.
Deel twee is een tenor aria, waarin de gelovige zichzelf oproept moed te vatten. Immers, de Heiland klopt aan de deur van het hart. Het aanhoudende kloppen is duidelijk te horen. Het recitatief dat volgt, fungeert tekstueel en muzikaal als inleiding voor de direct aansluitende koraalstrofe, waarin het verlangen naar de duur gekochte gaven van Christus stem krijgt. Begeleid door een obligate violoncello en continuo – verplicht de voorgeschreven noten spelen in plaats van ad libitum (vrij) – draagt de sopraanstem de vierde strofe op de liedmelodie voor. Beide instrumentstemmen musiceren bijna geheel zonder pauzes. ‘Ach, hoe hongert mijn gemoed, Mensenvriend, naar Uw goedheid, onder tranen verlang ik naar U.’ Bij de woorden Ach, wie pfleg ich oft mit Tränen gaat de toonsoort even van majeur naar mineur.
Het nu volgende begeleide recitatief voor alt is numeriek en principieel het midden van de cantate. Van vrees en vreugde in het gelovende hart is sprake. Vrees voor de verhevenheid van God, Die niet te doorgronden is. De vreugde wordt gewekt door het een blik mogen slaan in Christus’ hart. Met deel 5, een aria voor sopraan, wordt een rondo-achtig loflied gezongen, als uitdrukking van de eeuwigdurende vreugde.
Dankbaarheid
In de slotdelen, een recitatief voor de bas en een koor, wordt gebeden om dankbaarheid. Uit dankbaarheid de verdienste van Christus aannemen, betekent niet tot schade op de nodiging te zijn ingegaan. Dit in tegenstelling tot die ene man, die oprecht met ‘vriend’ werd aangesproken. Op de hem gestelde vraag verstomde hij. Hij had geen excuus. Ook hem was een bruiloftskleed aangereikt. Genodigden kwamen niet. Hun stad wordt in brand gestoken. Eén kwam, maar hij weigerde het bruiloftskleed, wilde niet van genade leven. Hij kwam in de plaats van de wroeging.
Dit was niet nodig geweest. Ik had mij kunnen schmücken. Hoe? Volgens Cantate 162 en de uitleg van Olearius is het kleed waarmee de ziel zich tooit, de verdienste van Christus. Waar zou je je anders mee tooien en in hullen? Het bruiloftskleed is niet goedkoop, maar wel gratis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 oktober 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's