Voor of door het geloof
Antinomianen. Een gevaar op de weg? [1]
Hoe kunnen genade en geloof samengaan? Engelse theologen debatteerden in de zeventiende eeuw uitvoerig – én fel – over deze verhouding. In Herman Witsius en het antinomianisme gaat drs. G.A. van den Brink op het debat in.
Wie de kern van de reformatorische heilsleer wil samenvatten, heeft aan één woord genoeg: genade. Om het volstrekt toereikende ervan te onderstrepen, voegden de reformatoren er een klein woordje aan toe: genade alleen. Feit is niettemin dat ze dit sola van Gods genade steevast combineerden met een tweede sola: door geloof alleen. Daar hadden ze reden toe. De Schrift (het derde sola!) ging hun erin voor. Een mens wordt zalig door genade en geloof alleen. Wie dit tweevoud even tot zich door laat dringen, ziet zich voor de vraag gesteld hoe deze twee sola’s zich tot elkaar verhouden. Dat Gods genade voorop gaat, lijdt geen twijfel. Zijn genadige gezindheid is immers niet het gevolg van ons geloof, maar omgekeerd. De genade is beslissend en primair. Het geloof volgt, en is dus secundair. Maar al is het geloof dan secundair, is het daarom minder beslissend? Blijkens het apostolisch getuigenis niet. Zonder geloof blijft Gods zaligmakende genade ons vreemd.
Maar als nu zowel genade als geloof de doorslag geeft, betekent dit dan dat Gods genade niet voldoende is en moet worden aangevuld door ons geloof ? Om het wat preciezer te formuleren: betekent het dat de genade als Gods gezindheid en geschenk aan ons adres, onzerzijds moet worden aangevuld door het geloof als tegemoetkoming en bijdrage aan Gods adres?
Geen optelsom
Ieder voelt aan dat hier twee dingen op het spel staan. In de eerste plaats Gods pure genade, die al onze werken uitsluit. Want als het heil mede afhankelijk was van enig menselijk werk, zou genade geen genade zijn en zou het sola gratia een slag in de lucht zijn. Gratie en prestatie kunnen nu eenmaal niet door dezelfde deur.
In de tweede plaats staat de noodzaak van het geloof op het spel. Want als de genade alle daden van de mens zou buitensluiten, zou daaronder ook de daad van het geloven vallen en de menselijke betrokkenheid op het heil vervallen. De kwestie klemt dus hoe genade en geloof kunnen samengaan zonder dat ze elkaar afbreuk doen. Een optelsom kunnen ze in ieder geval niet vormen, alsof de zaligheid het resultaat zou zijn van Gods genade plus onze werken. Maar hoe ligt de verhouding dan?
Vinnig debat
Het is deze verhouding die in de zeventiende eeuw onder Engelse theologen tot tweemaal toe het onderwerp van een vinnig debat was, rond het midden van de eeuw en tegen het eind ervan. Drs. G.A. van den Brink, kandidaat in de Hersteld Hervormde Kerk, heeft de motieven en het verloop van het conflict nauwkeurig bestudeerd en ons vervolgens de dienst bewezen er een boekje over open te doen. Het is een studie geworden die niet alleen getuigt van respectabele belezenheid, maar ook van scherpzinnige analyse en dogmahistorische vakbekwaamheid.
De aanleiding tot dit onderzoek was het schrijven van zijn (kerkelijke) scriptie. Daarin bood hij een vertaling van een geschrift van Herman Witsius, Overwegingen ten behoeve van de vrede geheten, dat deze internationaal gerenommeerde theoloog in 1696 in het Latijn publiceerde om in de Angelsaksische controverse te bemiddelen. Het is deze vertaling (voorzien van de oorspronkelijke tekst) die Van den Brink nu presenteert. Daaraan laat hij een uitvoerige inleiding voorafgaan, waarin blijkt dat hij zich grondig op de hoogte heeft gesteld van het theologische geschil dat in het geding was. Van dit onderzoek legt hij in zijn boek een goed gedocumenteerd verslag af, inclusief een slothoofdstuk waarin onder anderen Comrie, Kuyper en Kersten aan de orde komen.
De kwestie
Wat was nu het conflict waarin Witsius zich mengde? Twee partijen stonden tegenover elkaar. Niet omdat ze van mening verschilden over de voorrang en de overmacht van de genade en evenmin over het feit dat de verwerving van het heil het werk van Christus alleen is. Daarover heerste eenstemmigheid. Unanimiteit bestond er ook in de overtuiging dat er geen zaligheid buiten Christus is. De meningen gingen uiteen rond de kwestie hoe en wanneer iemand ‘in Christus’ komt. Is een mens die door God van eeuwigheid in Christus werd verkoren daardoor ook reeds van eeuwigheid ‘in Christus’, of is hij dat pas als hij daadwerkelijk in Hem gelooft?
Eenzelfde kwestie doet zich voor rond Christus’ verzoeningswerk. Daarbij waren allen in wier plaats Hij stierf en opstond ‘in Hem’ begrepen. Maar is deze eenheid met Christus in de heilsgeschiedenis nu te vereenzelvigen met de Christusgemeenschap die ons in het geloof ten deel valt? Dat ze samenhángen, is geen vraag. Maar vállen ze ook samen? Of dienen we hier te onderscheiden tussen de verwerving van het heil en de toepassing ervan?
Kernvraag
Het debat liep dus over de kwestie of het heil eigenlijk al tot stand gebracht is in Gods voornemen en in Christus’ verwerving, óf dat het pas verwerkelijkt wordt in de persoonlijke toepassing daarvan door de Heilige Geest. Toegesneden op de rechtvaardiging luidde de vraag: is iemand in Christus rechtvaardig vóór het geloof, of door en na het geloof?
De kernvraag was hierbij hoe we Paulus’ zinsnede dat God de gerechtigheid toerekent ‘zonder de werken’, dienen op te vatten. Dat er aan de verwerving van het heil in Christus’ kruis en opstanding geen enkel werk van onze kant te pas kwam, stond niet ter discussie. Uitsluitend Christus volbracht het heil en Hij alleen verwierf de gerechtigheid die ons wordt toegerekend.
Maar hoe ligt dit nu in de toepassing daarvan in het hart van de zondaar? Komt ook daarbij geen enkele daad van de mens in aanmerking? Wat zijn die werken nu precies, die door de apostel in de toerekening van de gerechtigheid uitsloten worden? Bedoelt hij daarmee alleen de werken van verdienstelijke aard, of wil hij ronduit elke menselijke daad uitsluiten, zodat er dus geen onderscheid zou bestaan tussen (verdienstelijke) werken en (instrumentele) daden? Maar als er geen enkele daad van de mens meetelt, wat betekent het dan dat we gerechtvaardigd worden door het geloof ? Het geloof is immers wel volstrekt Gods gave, maar even stellig het instrument waarmee wij Christus’ gerechtigheid ontvangen en omarmen. Gód schenkt het geloof, maar wíj zijn het die geloven.
N.a.v. G.A. van den Brink:
‘Herman Witsius en het antinomianisme. Publicaties van het Reformatieonderzoek 2’;
Uitg. Instituut voor Reformatieonderzoek, Apeldoorn; 495 blz.; € 35,00.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 november 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's