Een gevoelige plek
Wordt de band tussen Geest en Woord losser?
In veel gemeenten is onrust, omdat er ruimte voor het vrije lied komt. Of juist niet. Dit is geen verschijnsel dat op zichzelf staat. Het lijkt erop dat de kijk op de verhouding tussen Geest en Woord verandert. Wordt die band losser?
Wordt de band tussen Geest en Woord losser?
Vanuit onze hervormd-gereformeerde traditie kennen we een hechte band tussen Geest en Woord. Die band is een verborgenheid. Wij hebben daarover niet de beschikking, dat zou leiden tot een soort woordmagie. Die verborgenheid wordt ons door God geschonken en in het geloof in God ontdekt, verstaan en beleden.
Dat is mooi onder woorden gebracht in de oude berijming van Psalm 56: ‘Ik roem in God, ik prijs het onfeilbaar Woord, ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord.’ Of zoals Luther zei: ‘Het Woord – dat zult gij laten staan en niets erbij verzinnen.’ Dus ook niet in de liturgie. Daarom hebben wij genoeg aan de psalmen en geven wij in de eredienst geen plaats aan het vrije lied. Dat is nu aan het veranderen. Dat geeft onrust in de gemeenten. Omdat het gebeurt, maar ook als het niet gebeurt.
Dit verschijnsel staat niet op zichzelf. Als ik het goed zie, heeft het te maken met een nieuwe kijk op de verhouding tussen Geest en Woord.
Amsterdamse School
Of de band tussen Geest en Woord losser wordt, is een vraag die ook te horen is in een kring waar je hem helemaal niet zou verwachten: de Amsterdamse School. Theologen uit deze kring laten zich in hun uitleg van de Schrift vooral inspireren door de theoloog K.H. Miskotte. Deze beschouwde zichzelf als een leerling van Karl Barth, ook al ging hij een geheel eigen weg.
Helemaal in lijn met Barth kwam hij op voor de erkenning van het God-zijn van God. God is de ‘gans Andere’. Wat Hij is, zegt Zijn Naam. Hij is de HEERE. Zelf spelt Hij Zijn Naam. Dan geschiedt het Woord. Het Schriftwoord wordt Gods Woord. Dat mag je verwachten. Je kunt er niet over beschikken, het is Gods vrijmachtig welbehagen. Tegenover dit gebeuren valt de mens weg. Ook al zijn eigen inbreng. Geest en Woord vallen samen in de Naam. Van een band kun je dan niet meer spreken; Woord en Geest schuiven ineen. Uit de genoemde Amsterdamse kring is een bundel studies over de Heilige Geest verschenen waarin verrassend genoeg een pleidooi is opgenomen voor een lossere band tussen Geest en Woord: 'Die gesproken heeft door de profeten'.
Over de Geest :
(door R. Reeling Brouwer, A. van Ligten (red.);
Uitg. Kok, Kampen, 2006).
Jongeren
Auteur van dat pleidooi is Richtsje Abma, predikante te Vreeland en lid van de stuurgroep van Op Goed Gerucht (de vernieuwingsbeweging van protestantse predikanten die midden in de samenleving willen staan en vrijheid en ruimte in theologie en verkondiging beogen). Ds. Abma vindt dat de kritiek van de Amsterdamse School op de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) geen ruimte laat voor de werking van de Heilige Geest. Die kritiek past wel in de visie van ds. F.H. Breukelman (1916-1993), die op haar beurt via Miskotte weer teruggaat op Barth. Ook daarin is geen eigen plaats voor de Geest. In hun visie vallen Woord en Geest samen wanneer het Woord – in het Hebreeuws dabar – geschiedt. Ds. Abma’s vraag is dan: Waar blijft in dit gebeuren de mens, de moderne mens, onze hedendaagse jeugd? Hier gaapt volgens haar een kloof. Zo komt de bijbelse boodschap niet over. Het contact tussen Bijbel en boodschap is het eigen werk van de Geest, Die dit werk door mensen doet. De Geest ‘faciliteert’ de rol van gewone menselijke getuigen. Hij stelt hen daartoe in staat. Hun doen en laten hier en nu doet vermoeden dat God bij ons is.
Het heil ‘ploft niet kant en klaar neer in een mensenleven’. Het is een groeiproces, geen Woordmagie. Dat vraagt om ruimte voor de Geest. ‘Liever wat verwarring dan alleen maar verstarring, liever een deur open en een enkele binnensluiper dan alle ramen dicht.’ Het Woord van God werkt niet automatisch.
Miskotte
Hoe dacht Miskotte precies over de Heilige Geest? In de genoemde bundel geeft dr. N.T. Bakker een interessante, maar bepaald niet eenvoudige weergave van een drietal artikelen van deze theoloog over de Heilige Geest, verschenen in de eerste jaargangen van In de Waagschaal.
Miskotte gaat uit van het onderscheid tussen de Heilige Geest en onze menselijke geest. Die tegenstelling is onoverbrugbaar. Maar dat leidt niet tot berusting, want de verborgenheid van de Heilige Geest is Zijn nabijheid. Hij woont in ons. Hij is heilig, dat is: Hij is op goddelijke wijze anders. Dat blijkt eruit dat Hij Zijn anders zijn uitwist. De Geest ‘doet alsof ’. Hij doet alsof onze eigen geest vertrouwt op de Naam. In werkelijkheid is het Zijn eigen Naam die Hij over ons heen legt en ons doet geloven in Hem.
Dat maakt de mens in geestelijk opzicht zelfstandig. ‘De geestelijke zelfstandigheid wordt al meer openbaar als een charisma van de Heilige Geest.’ Dat charisma wordt in deze laatste dagen verleend aan gewone mensen die in het heiligdom bijeen zijn. Zo en alleen zo zijn ze tekenen van het komende Rijk. Het gewone leven wordt dan buitengewoon.
Moeilijk
Het is ingewikkelde materie. Waarom zo moeilijk? Dat er een scherp onderscheid gemaakt moet worden tussen de Geest van God en de geest van de mens, is duidelijk. Anders val je terug in het heidendom. Maar verder is er vanuit de gereformeerde traditie weinig herkenbaar.
Hoe dat komt? Miskotte volgt hier Karl Barth. Het is in de lijn van Barth om niet meer te spreken over de Heilige Geest als Persoon maar als zijnswijze. De Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn de drie zijnswijzen van God.
Maar wij belijden in navolging van artikel 8 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Er is één God, in Wie drie Personen zijn, in werkelijkheid en van eeuwigheid onderscheiden: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Dan komen ook de eigen werken van God de Vader, van God de Zoon en van de Heilige Geest beter tot hun recht. De drie-enige God laat niet varen de werken van Zijn handen.
Eigen werk
De eigen werken van de Heilige Geest zien we in de schepping: De Geest van God zweefde over de wateren. We zien ze in de verlossing: Christus is ontvangen van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. De Geest poneert de Messias (A.A. van Ruler). Als we de vraag stellen naar de relatie tussen Woord en Geest gaat het vooral – zegt de Heidelbergse Catechismus – over de Heilige Geest en onze heiligmaking. De apostolische geloofsbelijdenis rekent daartoe de kerk, de gemeenschap der heiligen, de vergeving der zonden, de wederopstanding van het lichaam en het eeuwige leven.
De Nederlandse Geloofsbelijdenis spitst dat toe op onze rechtvaardiging en heiliging. De Heidelbergse Catechismus gaat nog een stap verder. Vraag 59: Wat heb je nu aan het katholiek – dat is het ‘algemeen’ – geloof ? Antwoord: Je bent in Christus voor God rechtvaardig en daarom ben je een erfgenaam van het eeuwige leven. Laat dat nu de (her)ontdekking van de Reformatie zijn!
Blijmoedig
Het motief om een wat lossere band te zien tussen Geest en Woord moeten we niet meteen veroordelen. Zeker, we raken hier een gevoelige plek. We zijn van huis uit alert voor doperse geestesstromingen. De discussie rondom het boek van Jan Siebelink, Knielen op een bed violen, heeft dat opnieuw duidelijk gemaakt. In het daar geschetste beeld herkennen we ons niet. Dat willen we ook niet. Ds. Richtsje Abma wil die lossere band met het oog op de verstaanbaarheid van het Woord, vooral ook met het oog op de jongeren van deze tijd. De hang naar de evangelische beweging in onze gemeenten komt vaak op uit het verlangen naar een warm, hartelijk, eenvoudig en blijmoedig geloofsleven. Dat verlangen vind je bij jongeren en ook steeds meer bij een nieuwe generatie ouderen. Het is hen te doen om een levende relatie met de Heere Jezus. Daar komt ook hun missionaire instelling uit voort: Kom, ga met ons en doe als wij! Echt geloof werkt aanstekelijk.
Hier moeten wij in wijsheid mee omgaan en daarbij het apostolisch vermaan in gedachten houden: ‘Blus de Geest niet uit.’
Aanpassen?
Moeten we dan toch maar de eredienst aanpassen aan deze tendensen, voordat nog grotere aantallen jongeren en ouderen overgaan naar evangelische gemeenten? Want daar, zeggen ze, ervaren wij in de eredienst wel de warmte en blijdschap van het geloof. Toch blijft de Geest ons binden aan het Woord. Dat overstijgt de vraag van wat kan of net niet meer kan in de liturgie, bijvoorbeeld het zingen van opwekkingsliederen.
Maar dat is de discussie niet. Het gaat om meer. De Heilige Geest bindt ons aan het Woord door de werken van de Geest. Het wordt door de catechismus in één adem gezegd: de Heilige Geest en onze heiligmaking (vraag 24). Je moet hier wel onderscheiden maar niet scheiden. Waar de Heilige Geest ons bindt aan het Woord, worden wij gerechtvaardigd en geheiligd. Daar is de kerk en daar is de gemeenschap der heiligen. Daar worden je zonden vergeven. Daar verwacht je de zalige opstanding. Daar ontvang je het eeuwige leven. Daar beleef je dat geloof ook in de liturgie. Het wordt Woord en antwoord. Het wordt verkondiging en lofprijzing. Het wordt dan ook Woord en daad. De band tussen Geest en Woord is een verborgenheid, een geheimenis, het heilgeheim.
Kerklied
Die binding betekent ook opwekking. Maar het is de vraag of de opwekkingsliederen die nu zo populair zijn, passen in de weidse vergezichten met zijn hoogten en diepten die de Heilige Geest voor ons opent als Hij ons bindt aan Zijn Woord. Is het niet te veel Arminius en te weinig Gomarus?
Trouwens, voordat wij in discussie gaan over opwekkingsliederen is het goed ons eerst te verdiepen in het kerklied in de loop der eeuwen. In hoeverre staan zij in dat zo-even gegeven perspectief ? Er zijn liederen bij waarmee wij altijd een grote affiniteit hadden en die van vroeger af ook vaak in de prediking werden aangehaald, zoals ‘Alle roem is uitgesloten’ (uit de protestantse traditie) en niet te vergeten de Ambrosiaanse lofzang (uit de traditie van de Vroege Kerk).
Wanneer wij overgaan tot het zingen van opwekkingsliederen in de eredienst en daarbij de klassieke gezangen uit een eeuwenlange geschiedenis zomaar overslaan, dan klopt er iets niet. Is dat gebrek aan kennis van zaken?
Hecht
Ook een conservatief traditionalisme zal niemand overtuigen. Aanpassing aan de geest van de tijd evenmin. Het komt erop aan dat wij zien hoe hecht de band tussen Woord en Geest is. Die band krijgt gestalte in de eigen werken van de Geest. Maar ook in de eigen werken van de Vader en de Zoon. Wij mogen ze verkondigen en bezingen. Daarin weten wij ons verbonden met de Kerk van alle tijden en plaatsen. Daarin herkennen wij de woorden van de apostel (zie Ef. 3:14-21): ‘Deze God zij de heerlijkheid (de glorie) in de gemeente, door Christus Jezus, in alle geslachten, tot in alle eeuwigheid. Amen.’
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 december 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's