De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De bevrijding van Ed-Raa

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De bevrijding van Ed-Raa

8 minuten leestijd

Een vage herinnering aan een harde val. Zweven in iets als troebel water. Toen schoot ik als een luchtbel aan de oppervlakte. Ik lag op koude stenen. Met moeite kwam ik overeind. Ik keek om me heen. Ik kon me niet herinneren hoe ik hier gekomen was, maar wist direct waar ik was. Ik zat in een lange schemerige gang van zwart graniet. Een kille wind streek langs mijn gezicht. Dit was één van die eindeloze gangen van kasteel Ed-Raa. Een tijdlang zat ik daar, me afvragend wat ik doen zou. In de burcht was ik thuis, en toch ook weer niet. Een rilling gleed over mijn rug. Ik stond op, begon te lopen tot ik een trap tegenkwam. De trap wentelde me eindeloos naar boven, tot ik merkte dat de stilte verdwenen was. Van boven viel een geluid van geruis, geraas, stemmen, muziek naar beneden. Ik liep sneller, verlangend om mijn aandacht op iets buiten mezelf te kunnen richten.
De trap eindigde in een groot portaal. Een immense, met zwart ijzer beslagen poort stond op een kier. In de geheime taal van de raad stond er met kleine letters linksonder: Dog red noz tei-neg. Ik reciteerde het voor mezelf. Het raspte over mijn ziel, maar had ook iets bevrijdends. Ik voelde me in ieder geval vrijer om naar binnen te gaan. De deuren zwaaiden gastvrij open. De zaal was bijna helemaal gevuld met burchtbewoners. Sommigen dansten, anderen zaten bij elkaar, dronken wat. Verderop was een groot tumult, ik kon niet zien wat precies maar het gegil snierde door de zaal. Ik liet me meevoeren met de menigte in een prettige staat van afleiding. Walmende vuren laaiden hoog op en verlichtten de zaal met gelige scheuten. Maar ondanks dat verloren ze het van de hardnekkige schemer.
Hoe lang ik uiteindelijk in de zaal bleef weet ik niet meer. Maar toen ik eindelijk aan de andere kant voor een klein poortje stond tikte iemand op mijn schouder. ‘Deze kant op ’ zei hij. ‘Ik weet wat je zoekt.’ Verbaasd probeerde ik te begrijpen wat hij zei, maar hij duwde me zonder verder commentaar een klein poortje in de muur door. Het klapte achter me dicht en sneed het geluid af. In de plotselinge stilte begon ik te lopen. Onverwacht blij dat ik de zaal achter me had gelaten, en me afvragend wat de man had bedoeld. Ik passeerde een paar grote pleinen en at wat in een schemerige eetgelegenheid. Niet lang, stilzitten en stilstaan was niemands liefhebberij hier. Onrustig ging ik weer op pad.
Ik zwierf verder. Merkte dat ik in het gedeelte van de raad was aangekomen. De muren stonden vol teksten. Nevel neeg si-re, stond in vaag oplichtende letters hoog op de muur.
Een ebbenhouten deur met daarop in grote, gotische letters: Refi-cul Evel. Een kier. Stemmen. Voorzichtig duwde ik de deur verder open. Ik keek in een grote zaal, een hoog oplaaiend vuur in de grote schouw wierp een gelig licht op de gestalten die aan een lange tafel zaten. Toen de grootste, een lange man met vierkante schouders die met zijn rug naar me toe zat, begon te spreken herkende ik zijn stem. Maarschalk Levi-Ud. De overste van de burcht. Zoals zo vaak hadden mijn omzwervingen door de burcht me precies bij hem uit laten komen. ‘Laat die naam nooit meer in mijn bijzijn vallen,’ klonk zijn stem. Ik kon een rilling niet onderdrukken.
‘Nooit zal hij meer een poging doen om zijn heerschappij te herstellen.’ Hij stond op, draaide zich half om. Ik zag zijn afschuwelijke gelaat, de ogen weerspiegelden het vuur alsof ze zelf vlamden. ‘Nooit! De burcht behoort mij toe! En hebben de bewoners me niet zelf binnengelaten? Hebben ze hem zelf niet voorgoed uit de burcht verdreven?’ Hij stiet een akelige lach uit. ‘Zelfs al zou hij komen, ze zouden hem er even snel weer uitgooien. Dat weet hij. Hij zal niet komen. Mijn heerschappij is oneindig. Het is een vals gerucht.’ De woorden sloten zich als ijskoude handen om mijn hart. Ik schuifelde voorzichtig terug, zag een deur die ik daarnet over het hoofd had gezien. Ik glipte erdoor, me afvragend over welk gerucht hij had gesproken en kwam in een nieuwe gang uit. Mijn drang om vooral ver weg te komen van de maarschalk maakte dat ik snel maar geruisloos verder liep. De gang maakte een bocht. Ik liep lange tijd verder. Bocht na bocht. Trap op, trap af. Een paar keer ontmoette ik andere bewoners van de burcht. We groetten elkaar vreugdeloos.
Ik kwam aan de voet van een trap die omhoog liep. Verrast hield ik mijn adem in. Vanaf de trap viel licht naar beneden. Warm, heerlijk licht. Licht! Ik was vergeten hoe echt licht eruit zag, kon me niet herinneren dat ik ander licht had gezien dan walmende vlammen en de eeuwige schemer die in de gangen hing. Dit was ander licht. Het licht in Ed-Raa mengde zich altijd met de schemering, was tegelijk licht en duisternis. Dit licht was anders, het veegde al het duister weg, barstte tegen de muren op, spoelde met kracht door de gang mijn kant op. Een onverwacht verlangen welde in me op, ik rende de hoek om.
‘Kom verder!’ klonk een vriendelijke stem. ‘Goed nieuws!’ In een stralende lichtbundel die van boven neerviel stond een man in eenvoudige kleren. Ik kon moeilijk schatten hoe oud hij was. Zijn stem klonk als een lang vergeten melodie. Aarzelend stapte ik de hoek om. ‘Hij is gekomen,’ zei de man. ‘Hij ... is … gekomen? Wie?’ zei ik schor. Redding.'

Redding?’
 Mijn hart bonkte wild en hoop flitste als een bliksem door mijn gemoed. ‘Een leger?’ ‘Nee, geen leger. Kom maar,’ zei hij. ‘Kom maar mee.’ Het licht ging mee de gang in. Een klein deurtje ging piepend open. Ik moest diep bukken. Voor ons een smalle trap. Ik liep achter de man de trap op, zag zijn eeltige hielen voor me in het heldere licht. Het licht maakte me bang, schrijnde op mijn ziel, als zout in een open wond. Ik schuurde met mijn hand over mijn borst, maar de pijn wilde niet wijken.
Onverwacht stonden we in een ronde ruimte, muf en bedompt. Er stonden een vrouw, een man, een kleine jongen.
‘Onze redder,’ zei de man die me hier had gebracht. ‘Gestuurd door zijn vader.’ Hij wees op de kleine jongen.
‘Zijn vader?’ vroeg ik. ‘Maar wie …’ ‘Niet ik, ’ zei de man. ‘Ik zorg slechts voor hem zolang hij binnen de muren van Ed-Raa is. De Koning. Zijn vader is de Koning. Dit is Jesse, zijn zoon.’
Even viel er een stilte. Toen vervolgde hij: ‘Hij gaat ons bevrijden, het zonlicht weer laten zien. Een blauwe lucht om vrij onder te leven in zijn heerschappij.’
Ik staarde naar de jongen. Zijn heldere ogen keken tot op de bodem van mijn ziel. Ik voelde hoe de angst sterker werd en toch ook weer niet.
Het ene moment keek ik naar hem als naar degene waar ik mijn leven lang al op had gehoopt, het andere moment als naar degene waarvoor ik mijn leven lang al had gevreesd. Het licht beet in mijn hart. Ik snakte naar adem, kon het niet langer uithouden, draaide op mijn hielen om en stormde de trap af. Het beschermende en vertrouwde duister in.

Prins Jesse
Uit mijn door het licht geteisterde hart kwam woede als zwarte teer omhoog. Alsof ik in zo’n verhaal zou trappen. Redding door een kind. En al had de Koning hem echt gestuurd, zo’n Koning wilde ik niet dienen. Een Koning die zijn eigen kind de strijd in stuurde …
De gang maakte een bocht. Ik botste tegen iemand op, hapte naar adem, keek recht in het gezicht van maarschalk Levi-Ud. Zijn vlammende ogen namen me aandachtig op. ‘Licht?’ raspte zijn stem. ‘Licht? Heb jij in licht gelopen?’
Nu zag ik hoe mijn vel nog nagloeide van de ontmoeting. ‘Dus hij is echt binnen?’ gromde hij. ‘Dus toch. Waar? Breng me er.’ Ik aarzelde, begreep dat het de dood van de jongen zou betekenen. En als ik Levi-Ud de weg niet zou wijzen, mijn eigen dood.
Ik ging hem voor. Gangen. De trap. De ronde kamer. ‘Hier is …’ ik aarzelde.
De kamer was leeg. Alleen het licht gloeide sterk na. Hij kon niet ver zijn.
‘Bedrieger!’ raspte hij. Een koude hand sloot om mijn nek. Ik kokhalsde, worstelde, doodsbang voor mijn naderende ondergang. ‘Laat hem!’ klonk een heldere stem.
De jongen. Of was het een man? De heldere ogen keken de maarschalk recht in de ogen. De jongen stapte dichterbij. ‘Hier ben ik.’ De maarschalk deinsde even achteruit. Toen grijnsde hij, liet me los en sprong met geweld naar voren, zijn handen klauwden … Ik gilde, voelde de schuld door mijn hart splijten, besefte wat ik … Zwart.
Ik knipperde met mijn ogen. Ik lag op het laminaat van mijn slaapkamer. Opluchting. Een droom! Ik krabbelde overeind, trok de gordijnen open. Licht stroomde naar binnen, en ik besefte meer dan ooit de diepte van Kerst. Het wonder van de grootste Reddingsoperatie aller tijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's

De bevrijding van Ed-Raa

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2008

De Waarheidsvriend | 24 Pagina's