Lof Jesu Christi
Revius’ mooiste kerstgedicht is ‘Zolang als ik ...’
Elke eeuw sedert de Reformatie heeft zijn dominee-dichter. De 17e eeuw bijvoorbeeld Willem Sluiter, de 18e eeuw Rutger Schutte, de 19e eeuw Nicolaas Beets en in onze tijd onder anderen Jaap Zijlstra en André Troost. In dat rijtje hoort ook de Deventer predikant Jacobus Revius, die 350 jaar geleden overleed.
Letten we op het dichterlijk niveau van al die predikantenpoëzie, dan komen wel aanzienlijke verschillen aan het licht. Dr. Els Stronks onderzocht de poëzie van een zestal gereformeerde predikanten uit de 17e eeuw – onder anderen Jodocus van Lodenstein en Jacobus Revius –, wat resulteerde in het proefschrift Stichten of schitteren (1996). Die titel duidt op een belangrijk verschil in intentie, het doel dat de diverse predikant-dichters beoogden. Bij sommigen gaat het primair of uitsluitend om ‘stichten’, dat wil zeggen aan een breed en niet geschoold publiek een bijbelse boodschap doorgeven in eenvoudige taal, zonder franje of versiering, zonder literaire pretentie. Anderen daarentegen willen meer: hun poëzie mikt op een meer geschoold publiek. Ze willen meer dan louter ‘stichten’: hun poëzie moet ook ‘schitteren’, een literair niveau bereiken door een treffende woordkeus, door raffinement in taalgebruik, klank en ritme, door kunstzinnig gebruik van beeldspraak en versvormen.
Bijbelse verzen
Tot die laatste categorie – christelijk dichterschap met literaire vormgeving – behoort Jacobus Revius. Hij verwoordde diep-bijbelse gedachten en grondlijnen, maar deed dit heel bewust op literair niveau. Hij wilde de boodschap vormgeven op de wijze van esthetische renaissancekunst. In feite dus: stichten en schitteren. Verreweg het grootste deel van Revius’ publicaties is van theologische of historische aard. In 1630 verscheen van hem echter een werk van geheel andere orde, de dichtbundel Over-ysselsche sangen en dichten. Deze omvangrijke poëtische verzameling valt uiteen in twee delen.
Het eerste deel bevat bijbelse verzen, het tweede onder meer vaderlandse gedichten en gelegenheidsgedichten. In dat eerste deel gaat de dichter de hele Bijbel door. Eerst het Oude Testament, beginnend bij de schepping, vervolgens het Nieuwe Testament vanaf de geboorte van Jezus tot het boek Openbaring. Ik richt me hier uiteraard op de bijbelse verzen, in het bijzonder de gedichten die Revius wijdt aan de geboorte van Christus.
Tong
Het oudtestamentische gedeelte van de dichtbundel zet in met het gedicht Lof Gods en daarmee geeft Revius duidelijk aan wat hij inhoudelijk met zijn poëzie beoogt. Hij is geen prachtig zingende nachtegaal, zo stelt hij, maar hij heeft wel een tong gekregen en daarmee wil hij God loven, want ‘Hij die eeuwiglijken leeft’ heeft die tong ‘tot Zijnen roem alleen geschapen’. Zo moeten we zijn gedichten lezen. Uitgebreid bezingt de dichter het wonder van de schone schepping, die helaas is aangetast door zonde en verderf.
Grote lof
Het openingsvers van het nieuwtestamentische deel heeft ook het woord ‘lof ’ in de titel: ‘Lof Jesu Christi’. En opnieuw geeft de Revius expliciet aan wat de kerninhoud is van zijn poëzie: de ‘zoete zang’ van de dichter is gericht op Jezus Christus en beoogt Zijn ‘grote lof ’.
Door de zondeval is de schone schepping radicaal veranderd. De mens is in zichzelf verloren. De wet stelt hem schuldig:
Want als ik hoor Uw reine wet
en daarop let,
mijn tong wordt dor, mijn hert benauwd,
mijn ogen sluiten,
mijn oren tuiten,
mijn bloed verkoudt.
Maar er is meer dan de wet. Dankzij Christus’ komst in deze wereld is er redding en verlossing. Door Hem is er genade, iets wat haast niet te bevatten is:
Als ik een weinig dan versta
van Uw gena,
een zoete vlam doorstralet mij,
mijn leden gloeien,
mijn wangen vloeien
van tranen blij.
Zo verwoordt Revius de scherpe tegenstelling van wet en genade. Hij doet dit met poëtische allure: soepele verzen, functionele rijm, aangrijpende beelden. Wie ook maar enig gevoel heeft voor goede poëzie, beseft direct dat dit geen maakwerk is maar dichtkunst van literair niveau.
Gods welbehagen
Christus’ geboorte is een teken van Gods welbehagen. Dat staat voor de dichter centraal. Het begrip ‘welbehagen’ komen we herhaaldelijk tegen in zijn kerstgedichten. Zo in het gedicht Engelenzank, waar we in de eerste en laatste strofe lezen:
Lof zij de Heere,
Konink aller ere,
en hier benede’
vrede zonder vede [vijandschap].
Gods welbehagen aan
die na [naar] Hem vragen
t’ eeuwigen dage.
God heeft Zelf ingegrepen in onze zondige wereld. Wij kunnen onszelf niet redden. Zijn Zoon is ‘uit de hoge’ naar ons toegekomen om ons te redden. Het Kind in de kribbe – zo formuleert hij kernachtig in een ander gedicht met een prachtig origineel beeld – is ‘het Kindeke waar de dood voor trilt’. In het gedicht Geboorte lezen we:
Gods eeuwig’ Zoon,
uit Uwen troon
zijt Gij ons komen nader,
opdat de Heer,
tot Zijner eer,
mocht worden onze Vader.
Het heil komt van Boven. Het gaat van God uit. In het gedicht Spruite Davids schrijft Revius:
Een spruitje heeft de Heer geplant
te Bethlehem
in ’t Joodse land,
uit Davids stam gesproten
vol Koninklijke loten.
God plant.
Maar dat kostelijke gewas moet wel, heel persoonlijk, ‘genoten’ worden. Wie op afstand blijft, is ver van het Kind, ver van het heil verwijderd. Het gaat om een persoonlijk geloof in Jezus als Zaligmaker:
O Vader goed, geef dat wij ras
dit overkostelijk gewas
met hertenvreugd genieten:
geen kruis zal ons verdrieten.
Band met Christus
Een van Revius’ mooiste kerstgedichten begint met de regel Zolang als ik op aarde leven zal’. Opnieuw is het een lofprijzing gericht tot Koning Jezus. Zeer terecht is het opgenomen in het Liedboek voor de Kerken (gezang 412) en is te zingen op een prachtige melodie. De vormgeving is zeer verzorgd: een kunstige afwisseling van lange en korte regels, een nauwe aansluiting van tekst en regellengte bij het ritme van de melodie, soepel en functioneel rijm (zoals het prachtige dubbelrijm leven zal’/’geven zal in de eerste twee regels). De vreugde die de dichter vertolkt, berust op een persoonlijke band met Christus. Het is geen goedkope blijdschap: aan Jezus’ komst in deze wereld ging onze diepe ‘val’ vooraf en Zijn geboorte wordt gevolgd door ‘Zijn bitter lijden’. Maar daarin ligt juist onze redding en daarom formuleert Revius in een pittige paradox:
Zijn bitter lijden/ doet mij verblijden.
’Zolang als ik op aarde leven
zal mijn koning groot ik ere geven
zal, met woord, met daad, met juichen en gezank.
Hij heeft mij uitgetogen van de val,
geschreven in zijn uitverkoren tal,
dies mijne ziel hem spelet lof en dank.
Zijn bitter lijden
doet mij verblijden.
Zijn hert is mijn,
het mijn is Zijn.
Treurigheid wijke,
vrolijkheid blijke,
want Jezus wil mijn Heiland zijn.
Als mijn gemoed Hem biddet met aandacht,
als mijne tong Hem prijzet dag en nacht,
als ik Hem dien als zijn gehoorzaam kind,
de wereld boos mij spottet en belacht.
Maar wederom ik harer niet en acht.
Al hare trots die schrijf ik in de wind.
Hoe Hij het voeget,
mij wel genoeget.
Hij maket al Na Zijn geval [naar Zijn welbehagen].
Hij is de beste, d’eerst’ en de leste,
die ik bemin en minnen zal.
De slotregels verwijzen naar het boek Openbaring. Als Christus verschijnt aan Johannes op Patmos, zegt Hij: Ik ben de eerste en de laatste. Het gaat om de band met Hem. De diepte van Kerst wordt dán beleefd, als we de dichter na kunnen zeggen:
Hij is de beste,
d’eerst’ en de leste,
die ik bemin en minnen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 december 2008
De Waarheidsvriend | 24 Pagina's