Moederkus of geseling
Dr. A.J.Th. Jonker streed om vrede met Gods beleid
Figuren als Hendrik de Cock, Groen van Prinsterer, Kohlbrugge, Herman Bavinck en Hoedemaker vertegenwoordigen de gereformeerde spiritualiteit in de negentiende eeuw. Stuk voor stuk bekende namen. Maar ook iemand als de gereformeerd-ethische prof.dr. A.J.Th. Jonker hoort daarbij. Een kruisgezant van Jezus Christus.
In zijn leven is dr. Aart Jan Theodorus Jonker (1851-1928) hervormd predikant in onder andere Heerde, Rotterdam, Dordrecht en Heemstede, en van 1905-1909 kerkelijk hoogleraar te Groningen. Hij wil een brugfunctie innemen tussen de orthodoxe, veelal laag opgeleide schare van kerkgangers en de hoger ontwikkelde ethische elite. Zijn biograaf ds. Barend H. Weegink typeert hem zo: ‘Jonker dacht soterischer (meer vanuit het heil in Christus, JH), belijnder en belijdender dan andere geestverwanten uit de ethische school. Hij kende de strijd om een kind van God te zijn’ (in Dagmens en nachtmens tegelijk. Aart Jan Theodorus Jonker (1851-1928) (Bleskensgraaf 1999)).
Rouw
Dr. Jonker heeft weet van de passie van de diepe, existentiële geloofsbeleving van verlorenheid en behoud. Beïnvloed door de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813- 1855), beschouwt hij het geloof als een sprong in het ongerijmde, het haaks op de menselijke ervaring staande. God is de mens zeer nabij, ook wanneer het oog niet ziet en het hart niet voelt en het verstand meent dat God tegen is. De paradox (schijnbare tegenstrijdigheid) en het kruis staan in het geloofsleven centraal. Jonker is met hart en ziel een kruisgezant van Jezus Christus geweest.
Dr. Jonker maakt veel leed mee en dat brengt hem tot een heftige strijd om vrede te krijgen met Gods beleid. Wanneer op 5 juni 1901 zijn vrouw op veertigjarige leeftijd sterft, treedt de rouw voorgoed zijn leven binnen. (Merkwaardig genoeg krijgt hij reeds als student de bijnaam Job.) Op 8 juli 1909 sterft zijn enig kind Hans, die dan net elf is, aan een blindedarmontsteking. Een jaar later besluit de dan bijna 58-jarige Jonker zijn ambt als hoogleraar neer te leggen en zich terug te trekken in Heerde. Hij meent zo de hem aangereikte lijdensbeker tot de laatste druppel te moeten leegdrinken.
‘Zo wordt onze nood een bron van zegen. Zou hij zijn arbeid in Groningen voortzetten, dan zou hij weigeren Gods tucht over zijn leven te aanvaarden. In alle gebeurtenissen ervaarde hij de roepstem van God, die hem ertoe aanspoorde over het lijden na te denken en zich erin te verdiepen’ (H.J. Lam in Ecclesia, 89-17 (1998), 138). ‘Hoe meer genade wij van Hem ontvangen, hoe meer lijden Hij ons toevertrouwt.’
Uitdagen
God houdt Zich voor ons verborgen, opdat wij Hem in onze verbijstering en in ons verzet zouden zoeken. Hij voert ons door de doodsschaduw tot de morgenstond. God is niet de onmachtige, medelijdende Bondgenoot, maar de Heilige en de Hoogverhevene, Die geen rekenschap geeft van Zijn daden, maar van mensen gehoorzaamheid vraagt.
Dr. Jonker schrijft op 9 juli 1920 aan J.P. van Bruggen: ‘Ik leef dezer dagen in Jes. 28:21. Luthers tekst. Zooals God met mij doet, doet Hij niet naar zijn eigenlijk wezen. ’t Gaat tegen zijn eigen hart in. Hoe barbaarscher Hij met mij handelt, des te sterker heb ik Hem lief. ’t Komt bijna tot een uitdaging: maak het nòg erger, dan zal ik U laten zien, dat ik U toch blijf vertrouwen, U laten zien …Uw eigen werk.’
Feestvieren
Geloven is in de crisis komen. Nu eens ervaren we het geloofsleven als een moederkus van God, oneindig teer. Dan weer als de geseling van dezelfde God, hard en pijnlijk. God in de stikdonkere nacht voor de zon houden, dat is geloof, met en zonder en tegen alle gevoel in. ‘De navolging van Christus maakt ons bereid om in deze wereld geheel ten onder te gaan en martelaar te worden. Heel kras: zalig worden is zelfmoord’ (H.J. Lam). Zo is er geen ruimte voor een oppervlakkig juichend christendom, wel voor het ‘nochtans’, en dat ook in dagen zónder Godservaring. Het is feestvieren in de doodsnood en doodsnood in het feestvieren. Opbouwing voor het Koninkrijk der hemelen worden we alleen door afbraak deelachtig.
Op een correspondentiekaart aan J.M. Littig noteert dr. Jonker op 20 sept.1920: ‘Dat het geloofsbewustzijn soms beneveld wordt, o mijn broeder, ik weet bij ervaring wat het zegt, dat God zijn aangezicht verbergt, en de ziel vruchteloos naar zijn zalige gemeenschap dorst. Het geloof is er toch, ook al wordt het bewustzijn van dat genadebezit verdoofd. En – wat meer zegt – Hij is er, onze trouwe Hogepriester, die voor ons bidt, opdat ons geloof niet ophoude. Ook die innerlijke verduisteringen behooren blijkbaar tot hetgeen Hij noodig acht om het goede werk, in ons begonnen, te voleindigen tot den dag van Jezus Christus. Ik denk vaak aan het woord van Luther: ‘wanneer God iemand levend wil maken, dan doet Hij dat door hem te dooden, en wanneer Hij iemand in den hemel wil trekken, dan doet Hij dat door hem ter helle te voeren.’ Een gemakkelijk Christendom is een Christendom zonder kruis, en dus een verloren Christendom. Wij willen het zaligheid achten, dat Hij er ons voor bewaart. Waar geen graven zijn, daar zijn ook geen opstandingen. En waar geen tranen zijn, kan God ze niet afwissen. De troost veronderstelt de smart. Hier is het dus de tijd om te wenen en te lijden. God brengt zijn liefste kinderen dikwijls in donker naar bed.’
Tranen
Deze thematiek doortrekt heel Jonkers werk. Ook zijn vele diepzinnige meditaties, zoals Beter dan robijnen (1897), Doodsschaduw en morgenstond (1916), Op weg naar het Vaderhuis (1918), Geloofsleven (1932).
Jonker schrijft over de gelovigen: ‘Geloovige menschen zijn dagmenschen en nachtmenschen tegelijk. Hun dag is geen dag. Hun nacht is geen nacht. Zij krijgen met allerlei verschrikkingen en donkerheden te doen, waarvan de anderen geen begrip hebben. Worden mikpunt van moeite en verdriet. Paradoxaal uitgedrukt kan men zelfs zeggen: iemand wordt meer nachtmensch, naarmate hij meer dagmensch wordt.’ (in zijn Woord vooraf bij Doodsschaduw en morgenstond).
We zijn Godskinderen en weeskinderen op hetzelfde moment. Een christen is iemand die geweend heeft en getroost is, en die nog dagelijks weent en getroost wordt. Op dr. Jonkers grafsteen staat gebeiteld: God zal alle tranen van hun ogen afwissen.
In zijn collegereeks over gereformeerde spiritualiteit in de negentiende eeuw stond dr. J. Hoek de afgelopen periode onder andere stil bij dr. A.J.Th. Jonker. Volgende week een impressie van de colleges.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2009
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2009
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's