‘Ik kan ’t niet uithouden, en nochtans …’
God heeft mij hier in Dordrecht het allerbeste ontnomen, dat Hij mij na en in zijn eigen liefde had geschonken. En ’t is mij menigmaal alsof Hij mij met dat allerbeste alles ontnomen heeft. Ik leef als in den afgrond. Ik voel mij als een afgrond, donker en diep. ’t Is niet zóó, dat de slag gevallen is, en daarmee gedaan. De slag valt telkens weer. En ik heb ontdekt, dat verpletterd worden erger is dan verpletterd zijn. ’t Is alsof God elken dag met mij doet, zooals Abraham deed met Izak, toen hij hem op Moria ten offer bracht, en hem knevelde, en hem als een stuk vee op het altaar drukte, en het flikkerend slachtmes dreigend in de hand nam. En alsof God in dat beulenwerk met mij nog een schrede verder gaat, dan Abraham met zijn zoon. En dan vergeet Hij nooit er bij te zeggen: ‘zie, dat doe ik nu uit liefde, louter uit liefde!’ Is dat uit te houden? Is dat niet om krankzinnig te worden? Zal ik mijn beker niet vullen met vervloekingen, en Hem dien in ’t aangezicht slingeren en krijschend lachen, zooals een daemon moet kunnen krijschen: ‘is me dat een God? ’… neen, ik zal het niet doen. Ik wil midden in mijn stervensnood rustig zeggen: ‘ja, dat is mijn God, mijn trouwe God, mijn Vader, mijn beste Vader!’ Hij doet elken dag een wonder aan mij. Ik kan ’t niet uithouden, en nochtans houd ik het uit. Hij martelt mij dood, en nochtans, zie, ik leef! Hij slaat mij met zijn tuchtroede hard van zich af, en nochtans kan ik niet anders dan op Hem hopen. Hij is mij een God van verschrikkingen, en nochtans een God van zaligheden. ’t Is veel te groot en veel te sterk, om van mij te kunnen zijn. Dat ‘nochtans’ is van Hem. En in dat ‘nochtans’, daarin schuilt het wonder. En daarom – onwillige rechterarm, gij zult dat beven laten, zeg ik u! – daarom zal ik ook om deze smart den beker mijner dankzeggingen opheffen. Ik wil Hem verwachten in den weg zijner gerichten. Ik wil niet langs en niet over mijn kruis heenzien, want dan krijg ik toch enkel donkerheid te zien, en donkerheid is niets. Ik wil op mijn kruis blijven staren, totdat ik zal kunnen, wat ik nu nog niet kan, er doorheen zien zijn liefelijk licht. Ik wil in den blinde gelooven, omdat deze verdrukking, die mij zoo nameloos zwaar valt en mij zo onduldbaar lang duurt, toch maar een lichte verdrukking is, die zeer haastig voorbij gaat, en mij een gansch zeer uitnemend gewicht van heerlijkheid werkt… Toen Jezus begraven werd, zegt de legende, toen gleed Hem de doornkroon van het hoofd, en ze bleef naast Hem liggen in de grafspelonk, in Jozefs hof. Toen brak de opstandingsglorie los. En Hij raakte die doornkroon even met den vinger aan. En een zalig beven trilde er door heen. En de dorre stekels veranderden te gader in frisch ontloken rozen. Ook mijn Paaschmorgen komt. Ja, hij komt. En dan zullen ook mijn doornen bloeien als een roos. En in die hope, wat zal ik anders doen dan het uitsnikken, het uitjubelen: ‘Halleluja!’?
Citaat uit de afscheidsrede die dr. Jonker op 5 januari 1902 uitsprak te Dordrecht, kort na het overlijden van zijn vrouw, onder de titel Een beker van dankzeggingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2009
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 2009
De Waarheidsvriend | 20 Pagina's